Het aantal bijen, dat in het voorjaar met den dag toeneemt,
vermindert in den herfst, als het broeijen heeft opgehouden, weder
even spoedig, zoodat de stokken, die in den zomer zoo volkrijk waren,
dat de woningen hen bijna niet bevatten konden, nu weder zoo zwak
geworden zijn, dat zij den bouw niet geheel kunnen bezetten. Hoewel
vele bijen door ouderdom sterven, of wanneer zij, door beschadiging
van hare vleugels, niet meer in staat zijn haar ligchaam te dragen,
hier of daar nedervallen en omkomen, toch is dit verlies betrekkelijk
gering. De meesten komen om door ongunstig weder, of door dat zij
eene prooi worden van een van hare talrijke vijanden.
Men moet zich niet voorstellen dat de vijanden der bijen haar vervolgen
uit natuurlijken afkeer. Zij zijn de bijen slechts daarom vijandig,
omdat zij zich met haar, of met haar voorraad willen voeden. Zoo zijn
er een aantal vogels, die aanhoudend jagt op de bijen maaken, en er
dagelijks eene menigte wegvangen, zoo als de musch, de roodstaart,
de zwaluw enz. Ook de ooijevaar snapt, als hij door de weide loopt,
menige bij van de bloemen weg.
Van alle vogels zal het de mees wel zijn, die de meeste schade aan
de bijen toebrengt, niet zoo zeer door dat zij er zoo vele vangt,
maar door de onrust, die zij 's winters in de stokken veroorzaakt,
die onbedekt staan. Zij plaatst zich aan het vlieggat, en verontrust
de bijen door haar aanhoudend gepik zoo, dat velen zich van den
verzamelden tros afscheiden en aan het vlieggat komen zien. Gaan zij
naar buiten, dan worden zij terstond door de koude bevangen en vallen
op den grond, waarna de mees haar verslindt; die weder in de woning
terugkeeren, zijn toch niet meer in staat tot de andere bijen op te
klimmen, maar vinden haar dood op den bodem der woning.
De specht kan, in de streken waar hij gevonden wordt, vooral in den
winter, veel schade verwekken. Hij klopt soms gaten, ter grootte van
eene vuist, in de woning. Door de veroorzaakte onrust kan de geheele
stok omkomen.
De muis, welke de bijen in den zomer goed uit de stokken weren kunnen,
of die, zoo zij er in mogt komen, dit spoedig met den dood moet
bekoopen, is in den winter een geduchte vijand. Zij zoekt in de woning
te komen, begint met de dooden, die zij op den bodem vindt, op te eten,
beknabbelt daarna den wasbouw en eet er den honig uit, voor zoo ver
de tafels niet door de bijen bezet zijn. De dadelijke schade, die zij
verwekt door hetgeen zij verteert, is niet bijzonder groot, maar de
aanhoudende onrust, die zij in den stok brengt, noodzaakt de bijen
meer honig te verbruiken, om de ontwijkende warmte te herstellen. Ook
veroorzaken hare uitwerpselen een ondragelijken stank, die niet zelden
de bijen voor altijd hare woning doet verlaten, zoodra het weder haar
het uiteengaan vergunt. De vlieggaten mag men niet met doorboorde
schuifjes sluiten (voor enkele uren kunnen zij zonder gevaar gesloten
worden, doch dit zou hier niet helpen), want hoewel hierdoor de lucht
toegang kan hebben, zoo willen de bijen vrij zijn. Men moet hen met
spijkers of schuifjes dus zoo vernaauwen, dat er geene muis door kan;
dit moet met zorg geschieden, daar het spitsmuisje door eene opening
weet te dringen, weinig grooter dan die, welke een hommel behoeft. In
alle geval vange men de muizen zooveel mogelijk, want al belet men
haar in de woningen te dringen, zij trachten dat toch te doen, en
verontrusten de bijen door er buiten aan te knagen. Het is daarom
beter de wanden der woningen dik te maken, dan haar dunne wanden te
geven, en die met stroo of iets dergelijks te bekleeden, om de warmte
er in te houden. In de bekleeding zouden de muizen de meest gezochte
sluiphoeken vinden, en er hare nesten maken. Dat men nooit katten in
den stal mag laten, om de muizen te vangen, werd reeds vroeger gezegd.
De padde is ook als een vijand der bijen te beschouwen. De bijen, die
door de koude bevangen op den grond vallen, en die, wanneer zij den
volgenden dag door de zon beschenen werden, weder zouden herleven,
zoekt de padde op. Zij vertoeft ook wel onder de vlieggaten, om,
zoodra er eene bij valt, deze weg te pakken. Het is daarom goed dat
de grond voor den stal niet begroeid is, anders kon zij zich daar
verschuilen, zonder dat men haar kon ontdekken.
De mieren, die voor de bijen zelven als onschadelijk te beschouwen
zijn, zijn niettemin eene groote plaag voor den bijenhouder, omdat
hij haar maar moeijelijk uit de woningen kan houden, binnen welke zij
door de kleinste openingen weten te geraken, om zich met den honig
te voeden; soms slaan zij er zelfs, op voor de bijen ontoegankelijke
plaatsen, hare nesten op. De bijen zelve vervolgen haar, en jagen haar
zooveel mogelijk uit de woning. De mieren schijnen het ook te weten,
dat zij geene welkome gasten zijn, want sterk bevolkte woningen durven
zij zelden door het vlieggat binnen dringen, waar de bijen haar dan
ook dadelijk terugwijzen. Veeleer zoeken zij door deze of gene reet
binnen te komen.
Mij zijn bijenhouders bekend, die de mieren gaarne in hunne stokken
zien, meenende dat dit een goed honigjaar voorspelt. Ik zie haar echter
minder gaarne, en tracht haar zooveel mogelijk te verdrijven. Het best
geschiedt dit door de nesten met zorg op te zoeken en te vernietigen,
en in den omtrek van en onder de woningen asch te strooijen. Dit
helpt veel, want zoolang de asch droog is, zullen de mieren er
niet ligt overheen loopen. Strooit men ook asch tusschen woningen,
die men op elkander wil plaatsen, dan belet men haar zich daar te
nestelen. Met hetzelfde doel strooi ik ook asch tusschen het stroo,
waarmede ik de wanden der woningen opvul.
De wilde hommelbij wordt door Dzierzon en anderen als een groote
vijand der bijen opgegeven, die haar op de bloemen en zelfs voor de
vlieggaten zou vangen, en na er het voorlijf te hebben afgetrokken,
met het achterlijf naar haar nest zou vliegen, om er het broed
mede te voeden. Zelfs zou zij in de stokken sluipen, en daar zeer
gevaarlijk voor de koningin worden; vooral in het najaar, als er in
het veld niets meer te vinden is, zou zij groote schade aan de stokken
kunnen toebrengen. Men raadt daarom aan in het voorjaar de wijfjes der
hommelbijen, die dan nog alléén omvliegen, te vangen en te dooden, daar
de dood van elk wijfje als het ware een geheel nest vernietigt. Ik
voor mij heb het nadeel der hommelbijen nimmer kunnen opmerken,
hoewel ik aan de waarheid van het bovenstaande toch niet twijfel.
De wespen zijn voor de bijen niet schadelijk; zij jagen echter den
honig na, vliegen daarom rond de woningen en trachten binnen te
dringen. Gelukt haar dit, dan kunnen vele bijen er door omkomen,
wanneer zij de wespen willen verjagen, want deze zijn veel sterker
dan de bijen. Door, even als dit voor de hommelbijen gezegd is, de
wespen, die in het voorjaar omvliegen (het zijn de wijfjes, die uit
haar winterslaap ontwaakt zijn), weg te vangen en te dooden, gaat
men haar het beste tegen. Verder kan men haar vangen door flesschen,
voor de helft gevuld met water, dat met honig of suiker vermengd is,
bij de stokken te zetten; zij kruipen daarin en komen zoo om.
De luis wordt ook onder de vijanden der bijen gerekend. Bij voorkeur
schijnt zij zich bij de moederbij op te houden, en zich op den rug
te plaatsen. Komt zij slechts in geringe mate voor, dan is ook het
nadeel niet groot; in overmaat vindt men haar alleen bij ziekelijke
stokken. Ik kan over het nadeel evenwel niet oordeelen, daar ik haar
nooit in mijne stokken ontdekt hebt.
De spin is voor de bijen een gevaarlijke vijand. Velen vinden in
hare netten den dood, en het is daarom goed de netten, in den omtrek
van den bijenstand, dagelijks weg te nemen, en de spinnen zooveel
mogelijk te dooden. Het best vindt men haar tegen het vallen van den
avond, wanneer zij uit hare schuilplaatsen komen, om hare beschadigde
netten te herstellen. Het nadeel der huisspinnen is evenwel gering, in
vergelijking van dat der veldspinnen, welke in het najaar menigvuldig
voorkomen. Den grond en vooral de heide bedekken zij met hare weefsels,
waarin de bijen bij duizenden omkomen. Dit kwaad kan niet weggenomen
worden, dan door eene sterke regenbui, die de netten verwoest, waarna
de bijen de heide ook weder moediger bevliegen, dan toen zij er haar
mede overtrokken vonden.
De wasmot, of liever hare wormen of maden, zijn voor de bijen,
zoowel als voor haar eigenaar, de grootste plaag. Zij komen op elken
bijenstand en in elke onbezorgd nedergelegde wastafel zoo zeker,
dat ieder, die zich met bijenteelt bezighoudt, haar maar al te goed
zal kennen.
Er bestaan twee soorten, eene kleinere en eene grootere, welke laatste
de dikte van eene matige penneschacht kan verkrijgen. De eerste komt
meer voor dan de tweede, doch zij is minder schadelijk. De maden
komen van die zilverkleurige vlinders, welke in den avond van warme
dagen, in groote menigte voor de vlieggaten der woningen rondvliegen,
en deze trachten binnen te sluipen, om hunne eijeren in de ledige
cellen te leggen. De bijen, die hare vijanden goed schijnen te kennen,
betwisten hun den ingang wel, door angstig rond het vlieggat en over
de woning te loopen, als of zij de moederbij zochten, maar het is haar
onmogelijk allen het indringen te beletten. Sterke stokken houden de
meeste wasmotten buiten hunne woning, en daar de bijen er alle cellen
in bezoeken, en de eijeren der wasmotten goed schijnen te kennen,
zoo worden zij spoedig uitgeworpen, waardoor deze stokken er weinig
door lijden.
De kleinste soort van maden vindt men meest op den bodem der woning,
onder eenig wasmul verborgen, en verder op die plaatsen, die voor
de bijen ontoegankelijk zijn. Zij leven voornamelijk van den afval,
doch vreten ook de wastafels wel door, zonder die evenwel zoo te
doorspinnen, als de grootere soort het doet. Deze vestigen zich
dikwijls in de broedtafels, en nergens kunnen zij zooveel schade
aanrigten, en zijn zij zoo moeijelijk te verdrijven. Zij vreten
den tusschenwand der tafels door, en kruipen, tusschen het broed,
van de eene cel naar de andere, zonder dat het de bijen mogelijk is,
haar meester te worden. Zij spinnen de maskers der bijen in de cellen
vast, zoodat deze, na hare volkomene ontwikkeling, de cel niet kunnen
verlaten, of zoo het haar mogelijk is, dan blijven zij met een gedeelte
van het spinsel omgeven, dat haar het vliegen belet. De bijen moeten
in zulke tafels soms geheele gaten bijten, om er het vastgesponnen
broed uit te verwijderen.
Hebben de maden zich eenmaal in het broednest gevestigd, dan kan
men niet beter doen, dan de koningin uit den stok vangen en daar
een aflegger mede maken, of haar anders zoolang in een moederhuisje
sluiten, totdat al het broed is uitgeloopen. De maden vinden dan geene
verborgene plaatsen meer, en kunnen door de bijen geheel bemagtigd en
uitgeworpen worden, waarna de beschadigde tafels worden hersteld. In
Dzierzon'sche woningen kan men het kwaad ook volkomen wegnemen, door
den bouw en het volk uit de woning te nemen, en haar dan met stroo
uit te branden, waarna men er nieuwe tafels inhangt, en er de bijen
weder in laat loopen.
Men moet bij voortduring toezien, dat zich geene wasmotmaden in de
woningen vestigen, en haar verwijderen, waar men haar ook ontdekt. Bij
korven moet men vooral goed toezien, want waar zich in den wand
maar eene kleine holte bevindt, houden zij zich veeltijds op, en men
vindt haar ook dikwerf in den ondersten rand, waarmede de korf op de
onderplank staat.
Voor den bijenhouder zijn de wasmotten eene voortdurende plaag. In
weinig tijd kunnen zij de schoonste tafels vernietigen, en veelal vindt
men daar niets meer van, dan eene aaneengesponnen pruik, waarin zich
eene menigte wormen ophouden, terwijl het was grootendeels, zoo niet
geheel, verdwenen is. Het is hierdoor ook dat men zoo dikwerf wordt
teleurgesteld, wanneer men een zwerm in een bebouwden korf plaatst,
dien men het voorgaande jaar bewaard had. Veeltijds schijnt de bouw
geheel gespaard te zijn, terwijl hij, boven in den kop van den korf,
geheel doorsponnen is. In plaats, van de bijen eene belangrijke
schrede voorwaarts te plaatsen, berokkent men haar een ontzettend
werk. Overwinnen zij de kwaal, dan komen zij toch niet vooruit,
en zoo niet, dan verlaten zij den korf weder.
Daar de wastafels, hoe men die ook opbergen mag, zeer spoedig eene
prooi der wasmotten worden, die hare eijeren reeds in de cellen
gelegd hadden, zoo smelten vele bijenhouders de stukken wastafel,
die nu en dan van den bouw afvallen, terstond op, waardoor het was
niet meer voor de verwoesting der motten blootstaat. Bij het volgen
van Dzierzon's leerwijze, is dit evenwel niet voldoende. De wastafels
zijn daarbij geheel onmisbaar, en het komt er dus niet alleen op aan
het was te bewaren, maar ook de tafels, zoo als de bijen haar gebouwd
hebben, ongeschonden te laten. Men heeft daartoe verschillende middelen
beproefd, die allen meer of minder te wenschen overlieten, doch is
er nu sedert 2 of 3 jaar in geslaagd, de wastafels geheel voor de mot
te beveiligen, hetgeen voor de bijenteelt van het hoogste belang is.
Men legt de wastafels, hetzij los of aan staafjes, in eene kuip, en
giet deze vol water, na de tafels zoo bevestigd te hebben, dat zij
onder water blijven. Het water trekt in de cellen, weekt de eijeren
los en doodt de reeds aanwezige wormen. Na 24 uren giet men het water
af, en doet er weder versch op. Den volgenden dag neemt men er dan
de tafels uit, en legt haar op een hellend latwerk, dat in de schaduw
staat en aan den wind is blootgesteld. Het water zal nu grootendeels
uit de cellen vloeijen, en om dit te bevorderen, keert men de tafels
nu en dan om. Na een paar dagen kan men haar binnenshuis op eene
luchtige plaats leggen, en na eenige weken zullen zij volkomen droog
zijn. Moet men haar vroeger gebruiken, dan legt men haar op kladpapier,
wanneer zij na een paar dagen droog zijn.
De hier opgegeven handelwijze is voldoende om de tafels volkomen
te reinigen, en zóólang voor de wasmot te beveiligen, als de
cellen water bevatten, want dan kan de mot er hare eijeren niet in
afzetten. Zoodra zij evenwel droog zijn, zijn zij weder aan hetzelfde
gevaar blootgesteld, zoodat men dezelfde omslagtige bewerking zou
moeten herhalen. Op tafels, die gedeeltelijk met honig gevuld zijn,
kan zij in het geheel niet worden toegepast, want de honig zou worden
opgelost. Later heeft men echter nog een ander hulpmiddel gevonden,
dat eenvoudiger is, en volkomen aan het doel beantwoordt, en dat ook
op gedeeltelijk met honig gevulde tafels kan worden toegepast.
In eene kist, die goed gesloten kan worden, zijn op den vereischten
afstand latten bevestigd, waarop de staafjes, waaraan de wastafels
hangen, met de uiteinden worden geplaatst. Op deze staafjes legt men
nu, met eenige tusschenruimte, de losse stukken wastafel, en zet op den
bodem der kist eene test, waarin eenig zwaveldraad wordt ontstoken. Het
deksel der kist wordt nu goed gesloten, en gesloten gehouden. Van vier
tot zes weken kan men haar laten staan, doch na verloop van dien tijd,
en ook wanneer men de kist lang geopend heeft gehouden, moet men
het zwavelen herhalen. De tafels worden aldus volkomen voor de mot
beveiligd, de eijeren en wormen, die zich reeds in de cellen mogten
bevinden, worden ook geheel vernietigd, en de zwaveldamp heeft noch
op het was, noch op den honig, die zich daarin mogt bevinden, eenigen
nadeeligen invloed. Een paar uren voor dat men haar gebruikt, stelt men
haar aan de lucht bloot, waarna de bijen haar met graagte aannemen:
zij beginnen haar terstond op te zuiveren, waarna de moederbij haar
met eijeren bezet.--Ook in eene Dzierzon'sche woning kan men de tafels
zwavelen en bewaren, wanneer zij maar goed gesloten kan worden.
Bebouwde korven kan men voor de wasmot beveiligen, door haar op
brandende zwavel te plaatsen, en haar daarna op eene laag droog zand
te zetten, waardoor de korf geheel wordt afgesloten. Het zwavelen
wordt nu en dan herhaald.