In Mei, soms reeds in April, kunnen stokken, die sterk door den winter
gekomen zijn, in korten tijd zoo arm aan volk worden, dat men niet
weet waar de bijen gebleven zijn. Bij eenige oplettendheid, ontdekt
men evenwel spoedig waaraan het volksverlies is toe te schrijven. Men
ziet vele bijen, met een sterk opgezwollen buik, afvliegen, doch niet
terugkeeren. Soms vallen zij, dadelijk na het verlaten der woning,
op den grond neder, draaijen op den rug in het rond en sterven. Deze
ziekte, die men voorjaarsziekte of dolheid noemt, is vrij algemeen
bekend, doch het is niet gemakkelijk op te sporen hoe zij ontstaat;
vele oogenschijnlijke oorzaken bleken bij nader onderzoek onjuist
te zijn.
In Duitschland gelooft men de oorzaak van haar ontstaan gevonden
te hebben. Zij zou gelegen zijn in het gebruik van honig, die in de
cellen ongedekt is gebleven, en die, na gedurende den winter water tot
zich getrokken te hebben, in het voorjaar tot gisting overgaat. Het
gebruik van dezen honig doet het ligchaam der bijen opzwellen, omdat
de gisting voortgaat, hetgeen den dood der bij ten gevolge heeft. Het
is bekend dat men bijen kan vergeven, door haar honig te voêren,
die met gist vermengd is.
Het verdient opmerking, dat jonge en zwakke stokken zelden door deze
ziekte worden aangetast, terwijl dat oude en sterke stokken er hevig
aan kunnen lijden. Bij eene naauwkeurige beschouwing laat zich dit,
hoe zonderling het schijnen mag, gemakkelijk verklaren. Men ziet toch
dat die stokken, welke nog laat in den herfst veel broed hebben staan,
ook in het volgende jaar het meest worden aangetast. Het is bekend dat
de bijen, bij drukke dragt, den honig zoo spoedig mogelijk afleggen,
in de eerste de beste cel, die zij ledig vinden; later dragen zij
hem over naar die cellen, waarin zij hem willen bewaren. Zoodra nu
het broed vermindert en er in het broednest ledige cellen komen,
brengen zij den honig uit de meer verwijderde cellen hierin. Begint
het weder nu kouder te worden, dan trekken de bijen zich te zamen op
het laatste broed, en vestigen daar hare winterzitplaats, terwijl
de honig, dien zij kort te voren verdroegen, zoowel als die, welke
ver van het broednest verwijderd is, ongedekt blijft. Boven, naast en
onder de bijen, bevindt zich nu ongedekte honig. Komen er nog vliegbare
dagen, dan gebruiken zij hier nog veel van, doch kunnen zij zich niet
meer uiteen begeven, wegens ingevallen koude, dan blijft de honig,
die zich bezijden en onder haar bevindt, staan. De waterdamp, die
zich in de woning vormt, slaat ook op den ongedekten honig neder, die
verdunt en in het voorjaar, bij het toenemen der warmte, tot gisting
overgaat. Bij het onderzoeken der stokken zal men dan gewoonlijk
zulken honig vinden. Hij is dun, troebel en van eene melkachtige
kleur; hij smaakt bedorven en geen enkele bij raakt hem aan. In
den digten bijenklomp wordt intusschen broed aangezet, dat zich bij
stijgende warmte meer en meer uitzet. Om hiervoor plaats te bekomen,
moet deze bedorven honig uit de cellen verwijderd worden, want het
broednest moet steeds in een gesloten geheel bestaan. Bleven er opene
cellen tusschen, dan zou de vereischte broeiwarmte niet ontwikkeld
worden. De bijen moeten dus den bedorven honig opzuigen, en velen
zullen, wat vroeger of later, door de dolheid worden aangetast. De
sterke uitbreiding van het broednest heeft eerst bij grootere warmte
plaats, van daar dat de ziekte op zijn vroegst in April, doch het
meest in Mei uitbreekt. Zij wordt dan ook wel meiziekte genoemd.
Een stok, die in het najaar weinig broed heeft, is in de gelegenheid
om den honig boven het broednest te brengen en te bedekken, en hij
zal dus niet of zeer weinig door deze ziekte worden aangetast. Zoo
laat het zich dan verklaren, waarom zwakke en jonge stokken, die
over het algemeen in den herfst weinig broed hebben staan, weinig
van deze ziekte te lijden hebben, terwijl sterke stokken er hevig
door aangetast kunnen worden.
Men zegt algemeen dat de honig, die op de heide gewonnen wordt,
niet goed is om tot wintervoorraad te dienen. Men moet dit evenwel
niet daaraan toeschrijven dat deze honig heide-honig is, maar aan
de omstandigheid dat hij laat gewonnen is, en dus meestal ongedekt
moet blijven.
Het eenige waardoor men de meiziekte kan voorkomen, is het wegnemen
van den ongedekt gebleven honig, er goede, verzegelde honigtafels
voor in de plaats gevende.