DE VUILBROED.

De vuilbroed kan zulk een aanstekend, pestachtig karakter aannemen,

dat zij geheele bijenstanden verwoest. Zij is gelukkig niet zoo

algemeen als de loop, ja in sommige streken heeft men haar zelfs

nimmer zien woeden; nogtans moet men zorgvuldig alles vermijden,

wat haar zou kunnen doen uitbreken. Ik heb het geluk gehad, dat zij

zich nog nooit op mijn stand heeft vertoond, en wat ik dus van haar

zal zeggen, kan ik alleen op gezag van anderen mededeelen.

Vroeger schreef Dzierzon, gelijk ik thans doe, dat die plaag hem vreemd

was; vijf of zes jaar geleden brak zij evenwel op zijn stand uit; twee

jaar heeft hij met haar moeten worstelen, eer hij haar grootendeels

overwonnen had, en na groote verliezen geleden te hebben, vindt hij

er ook nu van tijd tot tijd nog enkele sporen van.

Deze ziekte treft de bij niet als volwassen insect, zoo als dat

met andere ziekten het geval is, maar zij bepaalt zich alleen

tot het broed, en wel hoofdzakelijk tot het bedekte broed, dat den

nimfen-toestand reeds heeft aangenomen. In plaats van zich tot bijen

te ontwikkelen, sterven de maskers in de cellen, en gaan daar tot

verrotting over.

Naar dat de ziekte het ongedekte of het gedekte broed treft,

onderscheidt men haar in de goedaardige en de pestaardige of

aanstekende vuilbroed.

De goedaardige vuilbroed ontstaat, wanneer er koud weder invalt, nadat

de bijen vroeg in het jaar veel broed hebben aangezet, waardoor zij

tot zelfbehoud genoodzaakt worden om het broed te verlaten en zich

zamen te trekken. Het gedekte broed, dat zich boven in de woning

bevindt, zal nu zelden afsterven. Het ongedekte moet daarentegen

omkomen. De doode maden gaan in eene brijachtige stof over, die op

den bodem der cel tot eene zwartbruine korst uitdroogt, welke daar,

goed droog zijnde, gemakkelijk afgetrokken kan worden, en dan door de

bijen wordt uitgeworpen. Vindt men deze zwartbruine schilfers op den

bodem van eene woning, dan kan men verzekerd zijn dat er vuilbroed in

geweest is. Men ontdekt dit ook aan den onaangenamen reuk, dien de

woning van zich geeft. De goedaardige vuilbroed verwekt gewoonlijk

weinig schade. Zij is niet aanstekend, en valt er gunstig weder in,

dan helpen de bijen gewoonlijk zich zelven.

De aanstekende of pestaardige vuilbroed, die zich alleen tot het

gedekte broed bepaalt, is zeer gevaarlijk. De gestorven maskers gaan in

eene taaije stof over; deze droogt eindelijk tot eene zwarte korst uit,

die zich zoo aan de cel hecht, dat de bijen haar niet kunnen wegnemen.

Men ontdekt deze kwaal door dat het volk dagelijks vermindert, omdat

er geene jonge bijen uitloopen; door den onaangenamen stank, dien de

stok verspreidt; door de zwarte kleur, die de broedtafels verkrijgen,

en door het invallen der wasdeksels.

Deze ziekte is, wegens haar aanstekend vermogen, zeer te

vreezen. Hoewel de bijen zelven er niet door lijden, zoo dragen

zij toch de smetstof bij zich. Vervliegen zij op een gezonden stok,

dan is ook deze besmet; rooft een gezonde stok op een vuilbroedigen,

dan zal hij ook vuilbroedig worden.

Er is weinig aan de pestaardige vuilbroed te doen. Het best is,

vooral in den herfst, wanneer de bijen weinig waarde hebben, haar met

zwaveldamp te dooden, zoodra men de ziekte ontdekt heeft. Het werk

snijdt men uit de woning, en alle tafels, die vuilbroed bevatten,

begraaft men op eenigen afstand van den bijenstal. De ledige woning

brandt men uit, en stelt haar minstens twee jaar aan weêr en wind

bloot, voor men haar weder gebruikt.

In het voorjaar, wanneer men de bijen niet gaarne zou missen, ook

dan, als de kwaal zich reeds over een groot aantal stokken heeft

uitgebreid, kan men de bijen uit de woning jagen, en haar een paar

dagen, in een ledigen korf, met een luchtig kleed gedekt, laten staan;

in den korf voêrt men haar met dunne suikerstroop. Vervolgens brengt

men haar naar een verwijderden stand, waar zij zich bij de eerste

uitvlugt van het bij haar opgehoopte vuil zullen ontdoen. Dan doet

men haar in eene nieuwe woning, die men van gezond werk voorziet,

zonder er evenwel gevulde honigtafels in te hangen, daar deze de

smetstof zouden aannemen. Bij ongunstig weder voêrt men haar liever,

gedurende den nacht, met honig of suikerstroop. De moederbij geeft

men haar de twee eerste dagen in een moederhuisje besloten, opdat

de bijen zich, door het uitvliegen, zooveel mogelijk van de smetstof

zouden kunnen ontdoen, voordat er weder eijeren gelegd worden.

Welke de oorzaak van het ontstaan der pestaardige vuilbroed is,

weet men niet met zekerheid. Waarschijnlijk is zij te zoeken in

het voêren met honig, waarvan men de afkomst niet kent, zoodat er

honig uit vuilbroedige stokken onder zijn kan. Daarom is het zoo

gevaarlijk om met vreemden honig te voêren. Heeft men geen honig,

van welks zuiverheid men zeker is, dan voêre men liever met kandij

of suikerstroop. Wanneer er geen broed in de stokken staat, zou van

het voêren met honig uit vuilbroedige stokken weinig te vreezen

zijn. Zelfs zou men dan zonder gevaar bijen, uit zulke stokken,

met gezonde kunnen vereenigen, omdat de ziekte alleen het broed

aantast. Maar waarom zou men zijne gezonde stokken, wanneer het niet

noodig is, aan de besmetting blootstellen?

De verspreiding der ziekte, van den eenen stok op den anderen,

geschiedt ongetwijfeld doordat de bijen, uit aangestoken stokken,

op gezonde stokken vervliegen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 98 / 109 题