DE LOOP.

De loop ontstaat hoofdzakelijk tegen het einde van den winter,

wanneer de bijen, door lange en aanhoudende koude, verhinderd zijn

om uit te vliegen, en zich van haar vuil te ontlasten. Dit hoopt

zich dan in hare ingewanden op, en eindelijk zijn zij genoodzaakt

het te laten vallen, waardoor zij niet alleen de woning en den bouw

bevuilen, maar zich ook onderling verontreinigen. Het laatste heeft

ten gevolge, dat zij in hare natuurlijke bewegingen bemoeijelijkt

worden, en niet minder nadeelig is de reuk, dien hare uitwerpselen in

de woning verspreiden. Door de zamenwerking van deze beide oorzaken

ontstaat de loop, die soms een besmettelijk karakter aannemen, en

zoo boosaardig worden kan, dat gezonde bijen, die men een zwakken,

aan den loop lijdenden stok ter versterking geeft, zeer spoedig worden

aangetast en wegkwijnen.

Meestal behoeft er geene vrees te bestaan, dat deze ziekte zich

vertoonen zal, wanneer de bijen, door een aanhoudenden, strengen

winter, niet verhinderd zijn geworden hare woning te verlaten. Bij

eene rustige standplaats kunnen zij, zonder eenig gevaar, vier maanden

opgesloten blijven; komt er dan een schoone dag, waarop zij kunnen

voorspelen, dan ontlasten zij zich. Dralen zij, bij gunstig weder, soms

lang met naar buiten te komen, dan moet men haar daartoe aansporen,

door tegen de woning te kloppen, en haar wat laauw-warmen, verdunden

honig te geven. Een halve eetlepel is voldoende. In Dzierzon's

woningen neemt men een dekplankje weg en stort hem, tusschendoor de

nu vrij geworden staafjes, op de bijen; is er boven in de korven eene

opening, dan kan ook zij daarvoor dienen; ontbreekt zij, dan keert

men den korf om, en laat den honig op de bijen vallen. Spoedig zullen

nu alle stokken voorspelen en zich ontlasten.

Heeft een stok, die aan loop lijdt, eenmaal kunnen voorspelen, dan zal

hij zich gewoonlijk spoedig herstellen. De onreinheden, die aan den

bouw en de woning kleven, zullen wel is waar door dit voorspel niet

worden weggenomen, maar zij zullen spoedig opgedroogd zijn, waarna

zij geen schadelijken reuk meer verspreiden; kunnen de bijen nu en

dan vliegen, dan reinigen zij den bouw en de woning. In woningen met

lossen bouw, kan men haar evenwel deze moeite besparen. Men neemt er

den geheelen bouw uit, krabt de wanden met een mes schoon, of wascht

hen desnoods met een natten doek af. De bouw wordt nu weder ingehangen;

doch de tafels, die te veel bezoedeld zijn, verwisselt men met andere,

waarna men de bijen weder in de woning laat trekken.

Is het weder echter te koud om den stok te laten voorspelen, en

den bouw en de woning te zuiveren, dan kan men hem ook in eene

verwarmde kamer brengen en daar laten vliegen. De bijen begeven

zich dadelijk naar de vensters, waardoor het licht invalt, en

onder het daarheen vliegen zullen zij haar vuil laten vallen. Al

wat men voor verontreiniging bewaren wil, moet dan met doeken of

papier bedekt worden, en het is goed, vooral in de vensterbanken,

bovendien onbruikbare wastafels of een draadwerk te leggen, opdat de

nedervallende bijen geen gevaar loopen zich zelven te bemorsen. Om

haar de woning spoedig te doen verlaten, geeft men haar nu ook,

zooals boven gezegd werd, een weinig honig. Hebben de bijen zich,

na hare reiniging, tegen het raam verzameld, dan heeft men de woning,

die intusschen gezuiverd is geworden, slechts met het vlieggat naar

haar toegekeerd bij haar te plaatsen, en zij zullen er vrolijk en

met overhaasting ingaan. Om tijd te winnen kan men haar ook in de

woning scheppen.

Bewoont de stok een gedeelte van eene zamengestelde woning, dan is men

verpligt den bouw met het volk in eene ledige woning over te plaatsen,

en deze dan in de verwarmde kamer te brengen. Heeft men de woning

en het werk gezuiverd, dan brengt men de bijen, die zich intusschen

ontlast hebben, daar weder in, hetgeen zeer omzigtig moet geschieden,

om haar niet door de koude te doen lijden. Het beste is de bijen te

verzamelen in een plat kistje, dat men onder in de woning schuift,

na den bouw zooveel ingekort te hebben, dat zulks mogelijk wordt;

neemt men nu het deksel weg, dan zullen zij weder naar het broednest

opklimmen.

Door stokken, die na eene langdurige koude aan den loop lijden, op de

opgegeven wijze te behandelen, bewijst men hun eene groote weldaad,

en behoedt hen in de meeste gevallen voor een geheelen ondergang.

Behalve de bovengenoemde oorzaak tot het ontstaan van den loop, zijn

er nog eenige omstandigheden, die deze kwaal ten gevolge kunnen hebben.

1o. Het gebruik van den honig, die laat in den herfst van de heide is

opgezameld, en vooral ook van dien, welken de bijen van laat gevallen

honigdauw ophaalden, is zeer nadeelig. Wegens de late inzameling moet

deze honig meestal onverzegeld blijven, en zijne nadeelige werking

zal misschien meer het gevolg zijn der verandering, die hij daardoor

ondergaat, dan dat hij in aard van anderen honig verschilt.

2o. Storingen in de winterrust, wanneer zij reeds eenigen tijd

heeft geduurd, en de koude nog aanhoudt, kunnen aanleiding tot den

loop geven. Door de storing daartoe opgewekt, gaan zij uit elkander,

kunnen nu het vuil niet bij zich houden, maar moeten het in den stok

laten vallen; boven zagen wij reeds hoe hieruit deze kwaal ontstaat.

Door het stooten tegen de woning, ook door muizen of vogels, kan er

onrust in den stok gebragt worden; maar de ergste onrust is die, welke

de bijen zelve in den stok brengen, wanneer het vlieggat door een of

ander toeval verstopt is. Er zonderen zich toch altijd enkele bijen

van den verzamelden tros af, om aan het vlieggat te komen zien. Vinden

zij het open, dan keeren zij weder terug, doch in het tegenovergestelde

geval gaan zij zoeken en brommen, brengen daardoor ook de overigen in

onrust, en het gevreesde kwaad is geboren. Het vlieggat kan verstopt

raken door doode bijen, die van den tros gevallen zijn, doch kan ook

toevriezen. Men moet er altijd een wakend oog op houden, vooral bij

die woningen, die buiten staan, en welker vlieggaten beschaduwd moeten

worden. Het sluiten van de vlieggaten mag slechts gedurende enkele

uren geschieden; zoodra het begint te schemeren opent men hen weder;

hoort men overdag beweging en onrust in eene woning, dan moet men

het vlieggat dadelijk openen; het is beter dat de bijen dan vliegen,

dan dat zij zich in den stok ontlasten.

3o. De waterdamp, die gedurende strenge winters, in woningen, die

niet genoeg tegen de koude beschermd zijn, tegen de wanden en het

werk verdigt, moet voor een gedeelte door de bijen opgezogen worden,

waardoor zij veelal den loop krijgen. Vooral is het nadeelig, wanneer

er vocht van boven op haar druipt; want zij moeten dat dan aanhoudend

opzuigen, en het zal haar bijna zeker ziek maken. De woningen moeten

daarom, inzonderheid aan de bovenzijde, tegen de koude beschermd

worden, opdat zich daar geene ijskegels vormen, die bij dooiweder

aanhoudend afdruipen. Dat de woningen geheel droog blijven, is ook

niet gewenscht, want de bijen konden van gebrek omkomen, wanneer

zij geen water hadden, om den verdikten honig te verdunnen. Maar in

woningen, die goed tegen de vorst zijn beveiligd, vormt zich niet

te veel waterdamp, ook zal zij zich voornamelijk tegen de zijwanden

aanzetten, daar afloopen en dus weinig nadeel verwekken.

4o. Ook eene te sterke verkoeling kan de bijen den loop bezorgen. Men

kan zulks daaruit afleiden, dat jonge stokken altijd meer aan deze

ziekte lijden dan oude; de bouw van deze laatste is toch veel

warmer. Zelfs in den zomer ziet men deze ongesteldheid wel uit

afkoeling ontstaan, wanneer er koude invalt, nadat men een sterken

stok, door het afnemen van zwermen of het verzetten, veel verzwakt

heeft. De broeijende bijen bevuilen dan het vlieggat en de buitenzijde

der woning, en de verkoeling zal waarschijnlijk hare ingewanden

verzwakken. Om zich tegen de koude, die bij aanhoudende strenge vorst,

ook door de dikste wanden dringt, te beveiligen, moeten zij meer warmte

ontwikkelen, door het trillen met de vleugels en de onderlinge wrijving

van hare ligchamen; deze krachtsinspanning heeft een grooter gebruik

van voedsel ten gevolge, en de grootere hoeveelheid drek, die zich

daardoor bij haar ophoopt, moet onvermijdelijk den loop doen ontstaan.

Het kenmerk dat een stok aan loop lijdt, bestaat daarin, dat het

vlieggat sterk met de uitwerpselen der bijen besmet is. Eenige

weinige vlekken hebben echter geene beteekenis. Opent men de woning,

dan vindt men deze zoowel als het werk bevuild, en op den bodem liggen

vele dooden, die sterk opgezwollen zijn; er hangen ook dooden tusschen

het werk, en de woning verspreidt een onaangenamen reuk.

Alles, wat aanleiding tot de ziekte geven kan, moet natuurlijk

vermeden worden; is zij, ondanks alle voorzorgen, uitgebroken, dan

moet het weder beslissen, hoe men haar herstellen zal. In alle geval

moet men de bijen laten vliegen; men doet dit, zooals boven reeds is

gezegd, als het weder te koud is, in een verwarmd vertrek. Op de daar

aangegeven wijzen, moet men haar tot een spoedig voorspel uitnoodigen,

want bij zwakke stokken is de zitplaats ver van het vlieggat; eer nu

de tusschenliggende ruimte verwarmd was, kon de gunstige gelegenheid

om voor te spelen reeds voorbij zijn, zoodat de bijen zich niet meer

naar buiten konden begeven, om zich te reinigen. Wanneer men ziet dat

bij schoon weder verscheidene stokken voorspelen, dan moet men er de

andere ook toe opwekken. Ontdekt men nu zieke stokken, dan moet men,

zoo het weder het toelaat, de verontreinigde tafels door zuivere

vervangen. Bij woningen met vasten bouw, snijdt men het bevuilde

gedeelte zooveel mogelijk weg, en vult de ledige ruimte met een

kussen, dat met mos of kaf gevuld is, ten einde door de besnijding

geene verkoeling aan te brengen.

Vele bijenhouders achten het nuttig om de bijen, die aan loop

lijden, te voêren met honig, waaronder een aftreksel van steranijs

of muskaatnoot en Spaansche wijn gemengd is. Het kan goed wezen,

doch ik houd zuiveren honig voor het beste. Kunnen de bijen vliegen

en kan men haar, door het werk te zuiveren, te hulp komen, dan heeft

de kwaal weinig te beteekenen, en zonder verdere zorg herstelt zij

spoedig. Heeft men bij ongunstig weder geene gelegenheid om de bijen in

een verwarmd vertrek te brengen, dan moet men haar zoo mogelijk eene

verzegelde honigtafel of stukken kandij boven het broednest geven,

haar overigens zoo stil mogelijk laten staan, zonder de toestrooming

van versche lucht door het vlieggat te beletten, tegen verkoeling

waken, en met geduld goed weder afwachten.

Handboek voor Bijenhouders · 第 97 / 109 题