DE BROEDAANZETTING.

Ieder bijenkweeker weet dat het mogelijk is de bijen tot het aanzetten

van broed aan te sporen, zelfs op een tijd, die daarvoor door de

natuur geenszins bestemd is. Wanneer men b. v. laat in den herfst

een stok, die aan alles gebrek heeft, die bij de karige weide moeite

heeft om zijn dagelijksch voedsel te verzamelen, eenige honigtafels

en ook eene tafel met bloemenstof inhangt, hem 's avonds nog wat

laauw-warmen, eenigzins verdunden honig geeft, en hem zoo warm mogelijk

plaatst, dan zal die hongerlijder, zich zoo plotseling in overvloed

geplaatst ziende, als het ware herleven, en zijn geheelen rijkdom

tot het aanzetten van broed aanwenden. Een voorraad, die voor drie

maanden tot onderhoud had kunnen dienen, zal in drie of vier weken

verbruikt zijn en de stok zal vol broed staan.--Hieruit volgt, dat

men de broedaanzetting nog veel meer zal bevorderen, door de bijen,

op een daarvoor geschikten tijd, in daartoe gunstige omstandigheden

te plaatsen.

Als de dagen iets langer worden, dan begint zich ook in den bijenstok

eene verhoogde werkzaamheid te ontwikkelen. De broedaanzetting neemt

dan een aanvang en wordt meer en meer voortgezet en uitgebreid, indien

het de bijen ten minste niet aan honig, bloemenstof en water ontbreekt,

en wanneer zij tegen de koude van den winter of het voorjaar beschermd

zijn. Oppervlakkig beschouwd, zou het voordeelig schijnen om zwakkere

stokken reeds vroegtijdig tot de broedaanzetting op te wekken. Indien

zij slechts eene maand vóór de sterke stokken hiermede begonnen waren,

konden zij bij het begin van de dragt aan deze gelijk zijn. De hun

gegeven honig zou eene groote winst kunnen opbrengen, daar jonge bijen

in het voorjaar de grootste waarde hebben. Men late zich echter niet

tot zulk eene handelwijze verleiden! Even als men den groei van eene

plant in eene broeikast bevordert, kan men de bijen ook kunstmatig

tot volksvermeerdering brengen; maar de plant is aan hare plaats

gebonden. Zij kan in eene beperkte ruimte leven; de bij daarentegen

moet de vrije lucht kunnen genieten; zij moet zich buiten hare woning

kunnen reinigen, hetgeen sterk broeijende stokken ten minste eens in

de week moeten doen. Dikwerf leveren hiertoe de maanden Februarij en

Maart, soms zelfs ook April, geene geschikte dagen op. Kunnen zij zich

niet geregeld reinigen, dan houden zij niet alleen met broeijen op,

maar worden ziek; zij bevuilen elkander en het werk, en vallen bij

honderden, ja bij duizenden neder; de geheele stok komt in de grootste

ellende, zoo hij niet geheel ten onder gaat. Vallen er van tijd tot

tijd geschikte dagen in, waarop de bijen eene reinigings-uitvlugt

kunnen houden, dan zal men toch van eene te vroege broedaanzetting

geen voordeel hebben. Een volk, dat in zijne woning werkzaam is,

wil, al heeft het aan niets gebrek, ook daarbuiten bezig zijn en zijn

voorraad vermeerderen. In de woning heerscht het voorjaar, en in de

meening dat dit ook daarbuiten zoo zijn zal, wagen de bijen telkens

wanneer de zon doorbreekt verre uitvlugten om, als zij zich achter

wolken verbergt, op den kouden grond, of zelfs op de sneeuw neder te

vallen en te verstijven. De honig, aangewend om het broed vroeg in

het jaar te vermeerderen, is dus gewoonlijk niet alleen verloren, maar

daarenboven verliest men meer bijen, dan er aangekweekt worden, en de

overblijvende verspillen hare krachten nutteloos; ook de vruchtbaarheid

der koningin wordt doelloos verminderd; putte eene oude moederbij door

vervroegde broedaanzetting hare vruchtbaarheid geheel uit, en stierf

zij, voordat er hommels waren, om hare opvolgster te bevruchten,

dan kon een sterke stok hierdoor te gronde gaan. De stokken, die te

vroeg tot broedaanzetten zijn opgewekt, zullen ook meestal, óf in

het geheel niet zwermen, óf dit veel later doen dan die, welke daar

later mede begonnen, maar er dan ook onafgebroken mede voortgingen.

In plaats van dus zijne stokken tot eene vroegtijdige broedaanzetting

aan te sporen, moet men elken dag, dat de bijen in het voorjaar langer

in de winterrust blijven, als eene winst beschouwen. Stokken, die in

den winter besloten gestaan hebben, zoo lang mogelijk te laten staan,

en die, welke men op een schoonen dag eens had laten vliegen, weder

te sluiten, zal het doelmatigst zijn. Zonder noodzakelijkheid moet

men de stokken nooit in hunne winterrust storen, om hen te vroeg te

besnijden of onnoodig te voêren.

Velen beschouwen het bij herhaling openen van eene woning, en

het uitnemen der wastafels, ook in den zomer als schadelijk,

omdat men er de bijen onnoodig werk door bezorgt, daar zij alles

weder met voorwas bevestigen, en de inzameling daardoor belet zou

worden. Dit is echter eene dwaling. De meerdere werkzaamheid in den

stok, veroorzaakt ook eene grootere vlijt bij die bijen, die honig

en bloemenstof verzamelen. De bijen, die de huisselijke bezigheden

verrigten, halen toch niets in, maar de groote vlijt, die zij moeten

aan den dag leggen, spoort ook de indragende aan, om zich ijveriger te

betoonen. Daarom zijn ook besneden stokken soms vlijtiger dan andere:

niet omdat zij besneden zijn, maar omdat zij, besneden zijnde, ook

moeten bouwen. Zij halen dan onbesneden gebleven stokken niet alleen

in, maar streven die vooruit.

Eene geheel andere zaak is het om de stokken, bij het einde van

den winter, door veel openen, besnijden, voêren en dergelijke te

verontrusten. Dan kan het alleen schadelijk zijn, want de werkzaamheid,

waartoe de bijen worden opgewekt, heeft eene inspanning, soms eene

geheele uitputting van hare krachten ten gevolge, zonder dat de

stok daar eenig voordeel van ondervindt. Zoolang er buiten niets

voor de bijen te halen is, moet men haar zooveel mogelijk met rust

laten, haar van onnoodig uitvliegen afhouden, en vooral niet tot

broedaanzetten opwekken. Men moet daarom de stokken, die in den

herfst niet genoegzaam van voedsel voorzien zijn, dit dan toevoegen,

om hen, als in het vroege voorjaar alles opgeteerd was, niet te moeten

verontrusten. Alle nuttelooze uitvlugten hebben, wegens de koude van

de lucht en van den grond, onvermijdelijk volksverlies ten gevolge;

er kon ook onverwachts grootere koude invallen. Soms schijnt het dat

de lente alles met nieuw leven zal bezielen; maar in plaats daarvan

slaat plotseling het weder om, en men heeft sneeuwbuijen met kouden

wind gepaard. Wee den zwakken stokken, die dan tot eene sterke

broedaanzetting opgewekt zijn geworden, en zich daardoor meer uit

elkander begeven hebben. Het broed willen zij soms niet verlaten; zij

kunnen den voorraad niet meer bereiken en zich ook niet zamentrekken;

zij verstijven dan op het broed en gaan daarmede te niet. Geheel kan

deze ongunstige toestand niet voorkomen worden, wanneer de maand

Februarij zacht weder opleverde, terwijl het in Maart ruw en koud

is; maar de bijenkweeker moet zorgen dit gevaar niet te vergrooten,

door zijne bijen, vóór den tijd, tot de broedaanzetting uit te lokken.

Als van zelf komt men nu tot de vraag: "Wanneer moet de broedaanzetting

beginnen?" Met de beantwoording daarvan willen wij ons dan nu bezig

houden.

Sterke stokken hebben somtijds reeds in Januarij broed aangezet,

terwijl de zwakke er eerst na de eerste reinigingsuitvlugt toe

overgaan, en dat nog niet eens doen, wanneer er spoedig hevige koude

invalt. Het voordeeligst zou het te achten zijn, dat zoowel sterke

als zwakke stokken, er niet voor April mede aanvingen; evenwel kan

verschil in de luchtgesteldheid, het meer of minder gunstig zijn van

het weder, en de aard der weide hierin verandering brengen: wat in de

eene streek laat genoemd moet worden, zou in eene andere vroeg kunnen

zijn. Een stok, die niet te ruim van honig voorzien is, zal zich niet

zeer geneigd toonen om veel broed aan te zetten; maar stokken, die

rijk aan honig zijn, en dan gewoonlijk ook nog bloemenstof bezitten,

doen dit reeds vroeg. Wanneer zij echter vroeg broed hebben aangezet,

en de winter lang aanhoudt, dan kan de voorraad opraken, voordat zij

het buiten kunnen halen; zij moeten dan het broedaanzetten niet alleen

staken, maar ook het aanwezige broed laten afsterven. Dit gebrek

kan men ontdekken, doordat men op den bodem der woning en voor het

vlieggat uitgeworpen broed vindt liggen. Zulk een stok moet dadelijk

met voedsel te hulp gekomen worden, opdat hij met het broedaanzetten

voort zou kunnen gaan. De behoeftige stokken moeten, vooral in April,

goed ondersteund worden, om hen tot het broedaanzetten op te wekken,

en hen daardoor zoo mogelijk tot eenige volkssterkte te doen komen,

tegen dat de voorjaarsdragt begint. Het is toch door het groot

aantal volk, niet door de groote hoeveelheid, die elke bij inbrengt,

dat een goede bijenstok, bij rijke weide en gunstig weder, zoo veel

kan inzamelen. Gedurende de beste dragt moeten dus de stokken het

volkrijkst zijn, om voordeel te kunnen aanbrengen. Het volksverlies

is dan ook juist het grootst. In volkrijke, sterk broeijende stokken

bemerkt men daar niets van, omdat het dagelijks uitloopende broed

het meer dan herstelt.

Hoe meer broed een stok bij het begin der hoofdweide heeft, des te

voordeeliger kan hij dit aanwenden, en daarbij zullen de zwermen,

die hij afgeeft, sterker zijn en vroeger afkomen. Bleef hij echter bij

het afnemen der weide even sterk broeijen, dan zou hij al ligt het als

voorraad opgelegde weder aan het broed opofferen, en bij middelmatige

jaren, na het eindigen der weide, zelfs door gebrek bedreigd worden,

in plaats van iets te kunnen afgeven. Van hoeveel belang het is het

broedaanzetten te kunnen bevorderen of beperken, valt nu duidelijk

in het oog, en de omstandigheden, die er nog invloed op uitoefenen,

wanneer aan de hoofdvoorwaarde "het aanwezig zijn van een ruimen

voorraad of eene goede dragt," voldaan wordt, verdienen dus wel hier

vermeld te worden.

Warmte is een voornaam vereischte voor het broeijen. Hoe grooter

zij is, en hoe gelijkmatiger zij door den stok is verspreid, des te

meer zal het broednest uitgebreid worden. De warmtegraad, die in

een stok heerscht, hangt van verschillende oorzaken af. Vooreerst

komt de warmte der buitenlucht in aanmerking; neemt zij toe, dan

zal het ook in de woning warmer worden. In woningen, die door de zon

beschenen worden, wordt veel broed aangezet, en dientengevolge ook

het zwermen bevorderd. Van meer invloed is evenwel de inrigting der

woning. Hoe slechter hare wanden de warmte geleiden, hoe hooger en

gelijkmatiger de warmtegraad zijn zal. Ook de dikste, de warmte het

slechtst geleidende wanden, zullen haar toch altijd nog eenigzins

doorlaten. Dit verlies moet hersteld worden door de bijen, die in

het midden der woning verzameld zijn, en van daar naar de wanden

moet dus de warmte afnemen. In eene lange, smalle woning zal het

voor- en achteraan betrekkelijk koel zijn. Veel gelijkmatiger is de

warmte verspreid in vierkante, nog meer in ronde woningen. In deze

heeft daarom ook eene gelijkmatige broedaanzetting, door de geheele

woning plaats.

Het spreekt van zelf dat hetzelfde volk eene kleine woning beter

verwarmt, dan eene grootere. Is deze echter naar evenredigheid van

hare grootte ook sterker bevolkt, dan zal zij nog warmer zijn dan de

kleine, omdat de buitenlucht eene groote verwarmde massa betrekkelijk

minder afkoelt dan eene kleine.

Door het vlieggat ontwijkt veel warmte, en daar de verwarmde lucht

naar boven stijgt, zoo zal het warmteverlies toenemen, met de wijdte

en de hoogte van het vlieggat. Is het laag en daarbij onder in de

woning aangebragt, dan zal er het minste warmte verloren gaan; de

bijen worden dan ook tot eene uitbreiding van het broednest uitgelokt,

omdat zij dit gaarne zoo digt mogelijk bij het vlieggat hebben.

Slechts als de buitenlucht koud is, en als de bijen zich vooral op de

broedaanzetting moeten toeleggen, is het wenschelijk dat de warmte in

de woning besloten blijft. In den zomer, als zij zich voornamelijk

met den honigoogst moeten bezig houden, wordt groote hitte de bijen

tot last; zij mat haar af en noodzaakt een groot gedeelte werkeloos

te blijven, dat gaat voorliggen om de warmte te ontgaan. Om doelmatig

genoemd te mogen worden, zal eene bijenwoning dus zoo ingerigt moeten

zijn, dat men haar naar verkiezing warm of koud, klein of groot

kan maken. Met Dzierzon's woningen kan dit geschieden. Door middel

van het verkleinplankje, kan de lengte naar goedvinden verkleind

worden. De ruimte, tusschen dit plankje en de deur, en die boven de

dekplankjes, met stroo of mos aanvullende, verkrijgt men dan een zeer

warm broedruim; de broedaanzetting wordt bevorderd en van stokken,

die men tot in den zwermtijd zoo besloten laat, verkrijgt men daarom

de vroegste zwermen. Verwijdert men echter bij vermeerdering van volk

en ruimere dragt de vulling, en trekt men het verkleinplankje terug,

dan zal de warmte in de woning verminderd worden, terwijl er tevens

ruimte gewonnen wordt, waarin de bijen honig kunnen afzetten.

Men kan, door de zamenstelling van een warm broednest, de bijen

aanleiding geven om vroeg en veel broed aan te zetten, en men heeft

het eveneens in zijne magt, om het tot eene zekere ruimte, tot een

bepaald aantal tafels, te beperken.

Het is bekend dat het broed zich onafgebroken, in eene gesloten ruimte

bevindt; het wordt cel voor cel en tafel voor tafel aangezet. Wanneer

van eene tafel een zeker aantal bijen zijn uitgeloopen, dan reinigen

de werkbijen de cellen, en de moederbij bezet haar onmiddellijk weder

met eijeren, om het broed gesloten en dus warm te houden. Wil men

het broednest vergrooten, dan behoeft men maar eene ledige wastafel,

tusschen twee met broed gevulde tafels te hangen. De moederbij zal

zich haasten haar met eijeren te bezetten, om weder slot in haar

nest te brengen. Daar het broed van zulke tafels op den 20sten dag

meest te gelijk uitloopt, zoo zijn zij bijzonder geschikt om er

zwakke stokken mede te versterken. Van het streven der bijen om

haar broednest gesloten te houden, kan men zich ook bedienen, om

haar met spoed te doen bouwen. Hangt men een staafje, waaraan eene

strook wastafel bevestigd is, tusschen twee met broed gevulde tafels,

dan zullen de bijen deze tafel met verwonderlijke snelheid volbouwen.

Het verkleinen van het broednest geschiedt door tafels met broed uit

de woning te nemen, die dan ter versterking van zwakke zwermen, of tot

het maken van afleggers kunnen dienen. Tegen dit verkleinde broednest

hangt men een of twee verzegelde honigtafels, waarover de koningin

zich niet ligt heen begeeft, om ledige cellen op te zoeken. Het

beperken van het broednest kan ook zeer goed geschieden, door er een

verkleinplankje tegen te zetten, waarin men de gaten zoover opent,

dat alleen de werkbijen zich daar achter kunnen begeven (zie bl. 89

en 92). Men moet er niet langer mede wachten, dan tot in de helft der

maand Julij; het broed, dat later aangezet wordt, komt te laat uit om

nog in te zamelen, terwijl het veel honig vereischt; in den herfst zal

men, tot het versterken van zwakke stokken, steeds bijen in overmaat

hebben, uit de stokken, die voor den honigoogst zijn uitgebroken. In

den laten nazomer, wanneer de dragt spaarzamer wordt, zal de moederbij

zich van zelve niet geneigd toonen, om zich buiten het broednest te

begeven, om tafels, die tot dusverre vrij van broed waren, daarmede

te bezetten; maar tegen den zwermtijd wil zij, zeer vruchtbaar zijnde,

dit wel eens doen; het moet haar echter zooveel mogelijk belet worden.

Eene gezonde en vruchtbare moederbij schijnt de werkzaamheid van

haar eijerstok willekeurig te kunnen beperken of vermeerderen. Eene

gebrekkige of door ouderdom verzwakte kan haar daarentegen niet zoo

doen stijgen, dat zij een uitgebreid broednest behoorlijk met eijeren

kan bezetten. Om veel broed te kunnen verkrijgen, moet de koningin

dus gezond, jong en zonder gebreken zijn, terwijl de stok genoeg

bevolkt moet zijn, om het behoorlijk te kunnen bebroeijen en verzorgen.

Indien er in den nazomer nog eenige dragt bestaat, kunnen de bijen

zich zoo sterk op de broedaanzetting toeleggen, dat zij nog een

uitgebreid broednest verkrijgen. Belet men dit niet zooveel mogelijk,

dan kunnen zij haar wintervoorraad geheel aan dit nutteloos broeijen

besteden, en daardoor in volslagen gebrek komen. Zelfs bij het voêren

van stokken, die hun wintervoorraad niet hebben ingehaald, moet men in

den herfst wel voorzigtig zijn, daardoor geene aanleiding tot broeijen

te geven. Men moet hen zoo mogelijk met verzegelde honigtafels, of

bij gebrek daarvan met verdikten honig of kandij voêren. Wil men hun

liever verdunden honig voêren, dan geeft men dien in groote, snel

op elkander volgende giften, door b. v. alle avonden een Ned. pond

in de woning te plaatsen, totdat zij hun voorraad hebben. De bijen,

zoo ruim van honig voorzien zijnde, zullen hem dadelijk in de ledige

cellen dragen, er zoo vele als mogelijk is mede vullen, en dus de

moederbij beletten er velen met eijeren te bezetten. Evenwel ziet men

zich in zijne verwachting wel eens teleurgesteld, want gevoêrd wordende

bijen zijn steeds tot het aanzetten van broed opgewekt; vooral zij,

die door kleine giften aanhoudend tot werkzaamheid worden aangespoord,

zullen het niet nalaten; zij zullen zelfs veel broed zetten, indien

het voêren op een tijd geschiedt, dat zij nog bloemenstof en water

kunnen binnenhalen. Het voêren is dan even doelloos, als in Februarij

en Maart.

Willen de stokken, die men in den winter te hulp komen moet, het

broedaanzetten volstrekt niet nalaten, dan is men genoodzaakt er

de moederbij uit te vangen en haar, in een moederhuisje besloten,

in het broednest te hangen. De meeste stokken zullen de gevangen

moederbij blijven voêren en bezetten; later laat men haar weder

vrij. Andere zullen de koningin wel verzorgen, maar tevens hulpcellen

aanzetten. Doen zij dit, en is de koningin ouder dan twee jaar, dan

neemt men haar en de hulpcellen tot op eene na weg. De stok verkrijgt

dan eene jonge moederbij; wordt zij, zoo er nog hommels aanwezig zijn,

gelukkig bevrucht, dan kan zij nog een aantal bijen voortbrengen,

waardoor de volksvermindering, door de lange moederloosheid ontstaan,

hersteld wordt. Zulke stokken worden gewoonlijk volkrijk genoeg,

en gaan den winter met ruimen voorraad in. Er zijn soms stokken,

die van eene gevangen moederbij niets willen weten, maar haar

laten verhongeren; de hulpcellen, die zij aanzetten, worden zoo als

gezegd is, tot op eene na weggenomen. Is het jaar te ver gevorderd,

dan geeft men hun eene moederbij uit een stok, dien men tegen den

winter uitbreekt.

In het algemeen kan het wegnemen der moederbij een stok niet

benadeelen, wanneer hij bij een goeden bouw, overvloed van volk en

broed bezit, en het hommelbroed zich begint te ontwikkelen. Is de

moederbij ouder dan twee jaar, dan is het voordeelig, want men belet

het zwermen, en de bijen, geen broed meer te verzorgen hebbende, zetten

hulpcellen aan, waardoor zij eene jonge moederbij bekomen, terwijl zij

het ingezamelde geheel als voorraad kunnen opleggen. Ontneemt men de

hulpcellen aan een stok, dien men vroeger van zijne koningin beroofd

had, en geeft men hem eene op het uitloopen staande moederwieg in de

plaats, dan zal hij deze blijven bebroeijen, en binnen weinige dagen

weder eene regentes hebben, waarna er dat jaar geen hommelbroed meer

aangezet zal worden, omdat jonge moederbijen het eerste jaar zelden

aan zwermen denken. Zulke stokken bevatten gewoonlijk veel honig, want

wat in anderen door de hommels en hun broed gebruikt wordt, wordt hier

als voorraad opgelegd. Hoeveel honig aan hommelbroed ten koste gelegd

moet worden, kan men opmaken uit de zwaarte van eene daarmede gevulde

tafel. De bijenhouder moet dit broed daarom zoo veel mogelijk weren

(zie bl. 26). Ook moet men, daar alle broed veel honig vereischt,

de bijen maar niet zoo veel laten aanzetten als zij willen, om het

daarna bij den honigoogst, meedoogenloos te dooden, tot het bekomen

van eenige ponden honig, die de stokken soms, lang voor het aangezet

werd, reeds bezaten; terwijl zij, bij verhindering der broedaanzetting,

zooveel te meer gevulde honigtafels zouden bezitten. Zelfs kan, indien

men het broeijen en zwermen geheel vrijlaat, alle in den voorzomer

ingezamelde honig, aan het broed besteed worden. Het vele zwermen

doet haar dan verscheidene dragtdagen verzuimen, en levert de nazomer

eindelijk een schralen oogst op, dan zullen de stokken, hoe gunstig

ook het voorjaar mag geweest zijn, in den herfst zonder voorraad zijn

en den winter, zonder sterke ondersteuning, niet te boven kunnen komen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 91 / 109 题