DE OVERWINTERING.

De bijen zijn in onze noordelijke streken niet inheemsch. Zij zijn

voor een warmer klimaat geschapen, waar zij zich in een voortdurenden

zomer kunnen verheugen en onverpoosd uitvliegen.

Dat de natuur de bijen niet voor onze luchtstreek bestemd heeft,

wordt daardoor aangetoond, dat zij geen winterslaap hebben, zoo

als haar verwante, inlandsche insecten, als: wespen, hommels [14]

enz. Deze brengen den winter in een staat van verdooving door,

zonder door de koude gehinderd te worden, of voedsel te behoeven;

door de voorjaarszon beschenen, keeren zij weder tot hun leven en

werken terug. De bijen daarentegen blijven den geheelen winter wakker,

en behoeven voortdurend voedsel. Aan aanhoudende, strenge koude kunnen

zij geen weêrstand bieden.

De omstandigheid, dat de bijen aanhoudend water behoeven, en dit toch

niet als voorraad opleggen, kan ook als bewijs dienen dat zij hier

niet te huis behooren. Ware dit het geval, dan zouden zij voorzeker

ook instinktmatig water in hare woning opleggen, daar zij soms vier of

vijf maanden buiten de mogelijkheid zijn, dit daarbuiten te halen. Maar

in de landen, haar door de natuur als woonplaats aangewezen, kunnen

zij dagelijks uitvliegen en dan tevens water vinden, al ware het

door vroeg in den morgen de daauwdruppels te verzamelen. Met honig

en bloemenstof is dit niet het geval; die kunnen haar ook in een

heet klimaat vele weken ontbreken. Evenwel staat de oorzaak, waarom

zij die dáár niet kunnen vinden, lijnregt tegenover die, welke het

hier onmogelijk maakt: dáár is het de alle bloemen verschroeijende,

brandende zonnehitte; hier integendeel de winterkoude!

De toestand, waarin de bijen dus gedurende den winter bij ons

verkeeren, is geheel onnatuurlijk. Bij eenige voorzorg kunnen zij

nog al eenige koude doorstaan, maar elke strenge winter leert toch,

door de offers die hij kost, dat men haar den onnatuurlijken toestand,

waarin zij gebragt zijn, zooveel mogelijk moet verzachten.

De meeste bijenhouders beschouwen de overwintering als niet zeer

gewigtig. Zij achten hunne bijen genoegzaam verzorgd, indien zij van

voorraad voorzien en zoo geplaatst zijn, dat zij voor regen en sneeuw,

en ook eenigzins voor wind beschut staan. Oppervlakkig beschouwd hebben

zij gelijk; want als de vorst niet te aanhoudend en te streng is,

zullen de meeste stokken het voorjaar beleven. Maar waarom zal men er

dan zooveel moeite aan besteden, om de bijen wat beter te verzorgen,

indien men zonder dat toch meestal zijne stokken door den winter

brengt? Omdat men zijne stokken wel door den winter brengt, maar met

ontzettend verlies: de volkrijke stokken worden tot middelmatige en

deze tot zwakke teruggebragt. Hierbij komt nog dat het honigverbruik

van zulke, aan te veel koude blootgestelde stokken, veel grooter is.

In den winter van 1854 op 1855 heb ik eene proef genomen met een

stok, die in het najaar volkrijk en van voldoenden voorraad voorzien

was. Mijne bevinding zal ik hier mededeelen.

De winter was streng, en in het begin van December hadden wij reeds

sneeuw en felle vorst. Met weinig afwisseling bleef dat zoo tot in

Maart. De stok stond geheel vrij op zijn zomerstand; aan de voorzijde

open en met het vlieggat naar het zuidoosten gerigt. Bij regenachtige

dagen of bij eene betrokken lucht, hielden de bijen zich rustig;

men zag er niet eene vliegen; maar zoodra de zon de woning bescheen,

en zij hare stralen door het vlieggat zagen binnendringen, en de

warmte haar bereikte, kwamen er eenigen te voorschijn, en lokten,

door haar vrolijk gegons, de overigen naar buiten. Zij hielden een

druk voorspel en hielden zelfs kortere of langere uitvlugten, waarop

velen door de koude werden bevangen, en de woning niet meer kunnende

bereiken, zich hier of daar nederzetteden, of op den grond vielen,

om weldra den dood te vinden. Als er sneeuw lag, zag men den grond

tot verscheidene schreden voor de woning met lijken overdekt. Zulke

verliezen hadden dien winter, die zooveel zonnige dagen opleverde,

niet zelden plaats.

Op een warmen dag in het begin van Maart, liet ik de andere stokken

hunne reinigings-uitvlugten houden en bezag ook den bewusten stok. De

binnenwanden der woning waren met ijs bezet, en het werk onderaan sterk

beschimmeld. Op de onderplank lagen vele dooden, die denkelijk door den

kouden, snijdenden wind, welke door het vlieggat kon blazen, verstijfd

van den verzamelden tros waren afgevallen, zonder er meer naar te

kunnen opklimmen. Het volk was tot op minder dan de helft verminderd,

en toen later het vliegbare weder daar was, was de stok wel gespaard

gebleven, maar zwak en arm aan volk, zoodat hij veel tijd behoefde,

om zich te herstellen. Eerst laat gaf hij een zeer kleinen zwerm.

De stokken daarentegen, die ik met meer zorg door den winter gebragt

had, hadden weinig dooden; zij waren vrij droog en de bouw was slechts

eenigzins beschimmeld. Bij het begin der dragt verkeerden zij allen

in vrij goeden toestand en gaven sterke voorzwermen.

Gesteld dat deze stok 2000 bijen meer verloren had dan de anderen,

dat zeker nog te weinig is, dan zou men, op een stand van 100

stokken, 200000 bijen meer verloren hebben, dan door hen doelmatig

te overwinteren. In het voorjaar kan een stok van 20000 bijen als

een sterke beschouwd worden, en rekent men zijne waarde maar f 4,

dat nog te laag is, dan had men toch een verlies van f 40. Behalve het

direct verlies, door het verminderen van het totaal aantal arbeiders

geleden, heeft men ook het nadeel dat zijne stokken minder volkrijk

zijn, en vroeger zagen wij van hoeveel belang het is, het voorjaar

alleen met volkrijke stokken in te treden.

Hoe men de bijen, gedurende den winter, haar onnatuurlijken toestand

dragelijk kan maken, zal ik nu nader opgeven.

1o. Een eerste vereischte is dat zij van eene voldoende hoeveelheid

voedsel voorzien zijn; zij hebben deze voorwaarde gemeen met alle

dieren, die geen winterslaap hebben. Voor men dus zijne stokken

inwintert, overtuige men zich hoe het met den voorraad gesteld is. Is

hij te klein dan moet men hun vroeg in den herfst voedsel toereiken;

zij kunnen dat dan in de cellen brengen en verzegelen. Men kan aannemen

dat een volkrijke stok, 10 à 12 Ned. pond verzegelden honig behoeft,

om de voorjaarsdragt te kunnen bereiken.

Het is niet onverschillig waar de voorraad zich in de woning

bevindt. Reeds vroeger (bl. 50) zeide ik dat de bijen zich bij strenge

koude niet zijdelings kunnen verplaatsen. De voorraad moet zich daarom

boven in de woning bevinden. Ook mogen er geene openingen in den bouw

zijn, want zij zouden tot deze opklimmen, maar dan blijven zitten en

van gebrek omkomen. Zoodra het weder haar veroorlooft zich uit een te

begeven, verdragen zij den honig uit de zijdelings geplaatste cellen,

naar de bovenste, die zij reeds geledigd hebben.

Men doet altijd beter te zorgen dat de stokken overmatig van voedsel

voorzien zijn, dan het hun te krap toe te meten. In lange winters

geeft dit eene groote gerustheid, en men behoeft niet bevreesd te

zijn dat de bijen, ruim van voorraad voorzien, daar te verkwistend

mede zullen omgaan.

2o. De bijen moeten in den winter voor strenge koude beschut

worden; want hoewel sterke stokken, met genoegzamen voorraad, niet

ligt bevriezen zullen, en men eenigzins op het taaije leven der

bijen kan rekenen, zoo heeft strenge en aanhoudende vorst toch een

allernadeeligsten invloed. De bijen, welke zich buiten aan den tros

bevinden, kunnen de haar omgevende koude niet verduren. Zij beginnen

te verstijven en vallen op den bodem der woning, vanwaar zij niet

weder kunnen opklimmen, zoodat zij spoedig den dood vinden.

Nog veel erger dan haar aan de vorst bloot te stellen is het, wanneer

men den wind toegang tot hare woning geeft. In het vlieggat blazende,

doet deze de koude aanhoudend tot in alle hoeken doordringen.

Het is niet alleen hoogst nadeelig voor het leven der bijen, wanneer

zij aan de koude en den wind zijn blootgesteld, het is ook schadelijk

wegens het grooter honigverbruik. Door de koude gefolterd, wenden

zij alles aan wat haar mogelijk is, om zich warmte te verschaffen;

er ontstaat in den verzamelden hoop meer krachtsinspanning, om zich

door beweging te verwarmen. De afmatting, die daarvan het gevolg is,

moet door meer voedsel hersteld worden.

Andere nadeelen van eene slechte inwintering niet tellende, zal alleen

de hoeveelheid voedsel, die gebruikt wordt, zooveel grooter zijn dan

bij goed verzorgde stokken, dat de kosten, aan die goede verzorging

besteed, ruim opgewogen worden door de grootere opbrengst. Men kan

rekenen dat de laatsten niet meer gebruiken dan 2/3 van het voedsel,

dat de eersten behoeven.

Wie gelegenheid heeft om zijne bijen in een vorstvrij, geheel

donker vertrek te plaatsen, zal zich steeds met eene gelukkige en

onkostbare overwintering mogen verblijden, terwijl anderen over groote

verliezen en een ruim honigverbruik moeten klagen. Ik was tot dusverre

genoodzaakt mijne stokken op den zomerstand te overwinteren. Hoe

die ingerigt is, heb ik reeds gezegd (zie bl. 106). In het laatst

van October, wanneer niet te hevige schuddingen de stokken nog

niet benadeelen, zet ik strooringen op de korven, en vul deze met

goed droog, overjarig stroo [15], of leg eenige oude kleedjes op de

korven. In het vlieggat steek ik eenige spijkers, opdat de muizen

er niet kunnen binnendringen, en de reet, tusschen den korf en de

onderplank, smeer ik met klei digt. Zoodra de winter nu invalt, en

ik verzekerd ben dat de bijen een ruimen voorraad hebben, sluit ik

den voorwand van den stal, en laat de stokken verder aan zich zelven

over. De uitkomst heeft mij zelden teleurgesteld. Ik sprak hier van

strookorven, waarvan ik er altijd nog eenige heb. In Dzierzon's

woningen wordt, zooals bij hare beschrijving werd opgegeven, de

ruimte boven de staafjes en die tusschen den bouw en de deur, tegen

den winter met stroo of mos gevuld, terwijl de wanden 4 duim dik zijn;

daarin hebben de bijen dan ook zeer weinig koude te verduren.

3o. Men moet zorgen dat de bijen geen gebrek aan versche lucht

hebben. Hiervoor ziet men in den herfst den bouw na, en kort de te laag

afgebouwde tafels zooveel in, dat er overal eene opening, van ruim

1 duim, tusschen den bouw en de onderplank, vrij blijft. Zonder deze

voorzorg zouden de stokken eene gewigtige levensvoorwaarde missen! Hoe

noodzakelijk echter ook de toevoer van zuivere lucht zijn mag,

toch zorge men dat het vlieggat de eenige opening in de woning zij,

opdat er geen togt zou kunnen ontstaan. De versche lucht moet de bijen

alleen van onderen, langzaam opklimmende, kunnen bereiken. Zij toonen

zelven aan, dat zij geen trek in hare woning hebben willen, door alle

openingen, met uitzondering van het vlieggat, met voorwas te sluiten,

zoodra het weder kouder wordt; zelfs het vlieggat verkleinen zij nog,

wanneer dit haar te groot toeschijnt.

Daar het voor de bijen nadeelig is, wanneer de lucht onmiddellijk in

het broednest stroomt, waar zij hare zitplaats hebben, zoo moet men het

vlieggat altijd in het onderste, ledige gedeelte der woning geven. Elk

zal het nadeel van eene opening, in de onmiddellijke nabijheid van

hare zitplaats, terstond inzien, en toch ziet men bij velen juist

daar het vlieggat, zoodat de bijen dadelijk blootgesteld zijn aan

de toevloeijende buitenlucht en het inblazen van den wind. Altijd,

zoowel 's winters als 's zomers, is de beste stand voor het vlieggat

onder in de woning; 's winters om haar voor den onmiddellijken invloed

der koude buitenlucht te beschermen; 's zomers om te voorkomen dat

het daglicht of de zonnestralen in het broednest vallen: dat zij dit

niet willen blijkt daaruit, dat zij, aan zich zelven overgelaten, en

eene eigene woning gekozen hebbende, het broednest zooveel mogelijk

boven het vlieggat plaatsen. Een laag vlieggat vermeerdert den ijver

van een zwerm ook, om den bouw zoo spoedig mogelijk met het vlieggat

gelijk te brengen; waarschijnlijk omdat zij daar veel gemakkelijker

tegen oploopen dan tegen de wanden.

Vóór de inwintering, moet men de bodems der woningen zuiveren: de

dooden en andere onreinheden, daar aanwezig, zouden anders de lucht

bederven, tot groot nadeel van de bijen.

Het lokaal, waarin de stokken overwinteren, moet bij droog weder,

na het vallen van den avond, gedurende een paar uren gelucht worden,

door de deur en daar tegenover eene tweede opening te ontsluiten. Er

kan dan een luchtstroom doortrekken, die het beschimmelen van de

stokken belet. Bij hevigen wind moet men het luchten achterwege

laten, en bij vriezend weder slechts nu en dan eens even versche

lucht laten binnendringen.

4o. In den winter is het zonlicht de grootste vijand der bijen, en

men mag niet over het hoofd zien, dat zij daarvoor beschermd moeten

worden. Zien zij het zonlicht door reten of naden binnendringen, dan

worden zij terstond verlokt om te gaan vliegen; door die openingen gaan

zij naar buiten, en terugkomende kunnen zij natuurlijk haar stok niet

terug vinden: zij moeten buiten blijven en van koude bezwijken. Bij

slechte sluiting en sterken zonneschijn, kan men dagelijks velen

zien rondvliegen, die spoedig als slagtoffers vallen. Ik zou geheel

open stallen nog verkiezen boven slecht geslotene. Zijn zij gesloten,

dan moet men er, bij sterken zonneschijn, in gaan en alle openingen,

waar licht door valt, goed digt maken.

Om bij Dzierzon'sche woningen, die buiten staan, geen gevaar te loopen

dat de bijen uitvliegen, sluit ik de vlieggaten overdag. Tegen het

vallen van den avond open ik hen, doch bij winderig weder schuif ik er

een, met kleine gaatjes doorboord, plaatje voor, om wel versche lucht,

maar geen wind te doen binnendringen. Reeds sedert jaren behandel ik de

stokken op deze wijze, zonder er eenig nadeel van te ondervinden. Het

schijnt geen kwaad te kunnen, dat de lucht overdag afgesloten is,

indien zij 's nachts maar vrijen toegang heeft.

5o. Daar stooten of dreunen de stokken, welke op hun winterstand

geplaatst zijn, zeer zou benadeelen, moet men hen daarvoor

vrijwaren. Bij den minsten stoot gaan de bijen uit een; hierdoor

verliezen zij de opgesloten warmte, en eer zij zich weder te zamen

getrokken hebben, zijn velen, door de koude bevangen, van den tros

afgevallen, en deze moeten omkomen, want zij bezitten de kracht

niet meer, om tot de overigen op te klimmen. Bij het spreken over

den bijenstal is reeds gezegd, dat men dit, bij zijne plaatsing,

in aanmerking moest nemen.

Houdt de winter lang aan, dan is het ligchaam der bijen geheel

opgezwollen van het opgehoopte vuil, en zij moeten dan vooral zoo

rustig mogelijk blijven staan. Gaan zij in dien toestand uit een, dan

kunnen zij den drek niet langer bij zich houden en moeten dien dan,

zoo zij niet kunnen uitvliegen, in de woning laten vallen; daardoor

bezoedelen zij zichzelven en den bouw, en komt er niet spoedig een

dag, waarop zij vliegen kunnen, zoodat zij zich van haar vuil kunnen

ontlasten, terwijl men tevens gelegenheid heeft om het bevuilde werk

gedeeltelijk weg te nemen, dan moet de geheele stok omkomen.

In den bijenstal moet men gedurende den winter nooit voorwerpen bergen,

die men nu of dan kan noodig hebben. Het uitnemen daarvan zou ligt

tot onvoorziene schokken aanleiding geven. Nooit moet men er katten

in laten, om muizen weg te vangen. Deze konden, door hare sprongen,

in korten tijd een geheelen stand ten onder brengen.

Indien men al het mogelijke gedaan heeft om den winter voor de bijen

te verligten, dan kan men hem met vertrouwen te gemoet zien. Al

was het dat zij vier of vijf maanden opgesloten moesten blijven,

volkomen rustig staande zouden zij al dien tijd haar vuil bij zich

kunnen houden. Het is evenwel verkieslijk, dat dit niet langer dan drie

maanden behoeft te duren, en in de meeste winters zal men ook, binnen

dien tijd, wel eens gelegenheid hebben om zijne bijen te laten vliegen.

Om de opsluiting niet noodeloos te verlengen, moet men er niet te

vroeg toe overgaan; want tot in het begin van December kan men nog

heerlijke dagen hebben, die eene reinigings-uitvlugt toelaten. Zoodra

de winter zich echter door vorst of sneeuw aankondigt, sluit men

zijn stal, en welke schoone dagen nu ook volgen, men opent hem niet,

voor dat de bijen minstens zes weken opgesloten zijn geweest. Komt

er in het laatst van Januarij of in het begin van Februarij eens

een zoogenaamde zomersche dag, dan kan men daarvan gebruik maken,

om haar eens te laten vliegen. Maar men doet dit niet, wanneer men

niet met grond kan verwachten, dat de dag schoon en warm blijven zal;

de thermometer moet in de schaduw minstens 50° F. teekenen. Waait

het sterk, dan kan men haar ook niet uitlaten, want het vliegen nu

niet gewoon zijnde, zouden zij spoedig worden nedergeslagen.

Wanneer de grond met sneeuw bedekt is, en de reinigings-uitvlugt niet

volstrekt vereischt wordt, dan late men haar niet vliegen. Allen die

op de sneeuw gaan zitten om te rusten zijn verloren. Achtte men het

vliegen hoog noodig, dan zou men vooraf den grond voor den stal met

stroo moeten beleggen, waarop de vermoeid te huis komende bijen zich

konden plaatsen.

Welke redenen men ook hebben mag om te veronderstellen dat een dag

schoon en warm zal blijven, toch kan men zich tegen alle verwachting

bedriegen. Ik heb dat ook eens ondervonden, doch vond toen ook een

middel om de verstijfde bijen weder te doen herleven, en naar hare

stokken terugkeeren; mijne bevinding wil ik hier mededeelen.

Tegen elf ure 's morgens maakte ik, op een zomerschen dag, in het

midden van Februarij, mijn bijenstal open. Spoedig speelden alle

stokken voor; de lucht in den omtrek was met bijen vervuld. Het was

een genot, haar zoo gezond en vrolijk te zien vliegen en te hooren

gonzen! Maar ziet, tegen twee ure komen er wolken op, er begint een

koude wind te waaijen en de zon verdwijnt geheel. Nu komen de bijen in

digte drommen naar huis, maar een groot gedeelte is onderweg reeds door

de koude bevangen en kan het vlieggat niet meer bereiken. Duizenden

zijn voor den stal nedergevallen en waren reddeloos verloren, zoo men

haar niet te hulp kwam. Ik bedenk wat te doen en kom tot het gelukkige

besluit, om de gevallenen op te rapen, haar in een blikken bak te

verzamelen, en dezen op eene flaauw verwarmde stoof te zetten. Over

den bak leg ik een doek, slechts een klein hoekje als een vlieggat

openlatende. Weldra herleven de bijen, en zij vliegen door de opening,

ieder naar hare eigene woning. Dat dit herleven spoedig plaats had,

kan men daaruit opmaken, dat wij met ons drieën raapten, en dat tegen

vier ure het bakje reeds ledig was, enkele verongelukten uitgezonderd.

Is men er toe overgegaan om de bijen uit te laten, dan moet men,

zoodra alles geopend is of de binnenshuis overwinterde stokken weder

op hunne plaats gezet zijn, de bodems der woningen reinigen. Bij

de Dzierzon'sche geschiedt dit met den vroeger beschreven haak (zie

bl. 122). Voor de korven moet men een helper hebben, en terwijl dan

de eene den korf opligt, zuivert de andere de onderplank, of legt er,

wat nog beter is, eene schoone voor in de plaats. Men moet dit zoo

spoedig mogelijk doen, daar de bijen er anders zelve toe overgaan, en

men er haar een vermoeijend werk door ontneemt, dat daarbij aan velen

het leven kost; bij geene bezigheid zijn de bijen zoo onbeholpen,

als bij het uitdragen van hare dooden. Dikwijls blijven zij, met de

haakjes van hare pooten er aan hangen, zoodat zij er zich niet van

kunnen losmaken; zij vallen dan met haar op den kouden, natten grond

en komen om, op de lijken die zij uitdroegen.

Bij het wegnemen der dooden moet men toezien of de moederbij zich

ook daar onder bevindt; hoewel zelden, toch komt dit nu en dan

voor. De stok is dan moederloos, en kan in dien tijd van het jaar

geene volkomene moederbij bekomen, daar er geene hommels zijn, om

haar te bevruchten. Zulk een stok kan men niet laten staan; hij zou

dan spoedig ontvolkt en uitgeroofd worden. Het best is hem met den

nevensstaanden stok te vereenigen; de ontvolkte woning kan men dan, met

den bouw dien zij bevat, bewaren, om er later een zwerm in te zetten.

Het vuil, dat men met de doode bijen op de bodems der woningen,

of op de onderplanken vindt, moet niet weggeworpen worden. Voor een

groot deel bestaat het toch uit wasdeksels, die de bijen van de cellen

genomen hebben, om den honig te kunnen bereiken. Men zift het, om er

de doode bijen af te zonderen, en smelt het later met ander was op.

De bijen hebben de dooden niet gaarne in hare nabijheid; deze moeten

daarom niet te digt bij den stal worden geworpen, want zij zouden

haar dan van den grond opnemen en haar verder wegdragen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 90 / 109 题