Men onderscheidt het voêren, naar de omstandigheden die er toe leiden,
in speculatief voêren en voêren uit nood.
Het speculatief voêren geschiedt in het voorjaar, om de bijen tot
eene ruime broedaanzetting op te wekken, waardoor de volkssterkte bij
de eerste hoofdweide "de zaadbloem," tot de grootste hoogte gebragt
wordt. Men moet dan, drie of vier weken voordat men meent dat de
weide zal beginnen, tot het voêren overgaan, haar in groote giften,
van minstens 1 Ned. pond, laauw warmen, verdunden honig gevende. Om
den anderen avond geeft men haar tot driemalen zulk eene gift. Door
dezen ruimen voorraad worden de bijen tot groote werkzaamheid opgewekt,
en de moederbij bezet vele der gereedgemaakte cellen met eijeren. Dit
broed zal nu in den aanvang der hoofdweide beginnen uit te loopen,
en gaat alles zoo als wij dat berekenden, dan zullen de aangekweekte
bijen, den aan haar ten koste gelegden honig ruim vergoeden. Valt
daarentegen het weder tegen, zoodat de hoofdweide zich langer laat
wachten dan men vermoed had, dan moet men zulke stokken, die alles
aan het broed verspild hebben, sterk blijven voêren, waardoor men van
zijne speculatie meer schade dan voordeel heeft. Ik bepaal mij daarom
alleen tot het voêren uit nood, tot het te hulp komen van die stokken,
die hun voorraad opgeteerd hebben, de anderen zooveel mogelijk met
rust latende.
Om broed te kunnen aanzetten, moeten de bijen niet alleen honig of
suiker en water, maar ook bloemenstof hebben, en dit ontbreekt haar
veeltijds, waardoor bij ruimen honigvoorraad de broedaanzetting toch
maar traag voortgaat. Is het weder te ongunstig om dit stof buiten
te verzamelen, dan moet men het haar ook zoo mogelijk toevoegen,
waarom het van belang is, bij het uitbreken van stokken, die tafels,
welke geheel of gedeeltelijk met dit stof gevuld zijn, zorgvuldig te
bewaren. Vooral in moederlooze stokken vindt men soms bijna alle tafels
uit het broednest daarmede gevuld. Daar het stof zeer ligt uitdroogt of
beschimmelt, en daardoor ongeschikt voor de bijen wordt, moet men het
met honig of suikerstroop overgieten, waardoor het zeer lang bewaard
kan worden. Ook kan men de gedeeltelijk met bloemenstof gevulde tafels
verbrijzelen, en haar aldus onder den voor voeder bestemden honig
bewaren. Het bloemenstof uit zulk voedsel gebruiken zij met graagte,
en het wekt haar tot eene sterke broedaanzetting op. Er gaat echter op
deze wijze een gedeelte der wastafels verloren, want de bijen dragen
deze naar buiten of bijten haar tot gruis. Kan men geen bloemenstof
aan de stokken, die men tot broedaanzetten wil opwekken, toevoegen,
dan kan men dit vervangen door tarwen- of roggenmeel (zie bl. 42);
men moet zorg dragen dat dit meel door regen of dauw niet vochtig
wordt, want dan kunnen de bijen het niet meer opnemen.
Het natuurlijke voedsel der bijen is honig; doch alle zoetigheden
worden door haar aangenomen, en met het beste gevolg geeft men haar
suikerstroop, kandij [16] en nu sedert een paar jaar ook 4 deelen
Surinaamsche suiker, met 1 deel honig tot eene pap gemaakt. Zelfs
blanke aardappelstroop, met een weinig suiker of honig dooreen
gesmolten, kan men haar gerust geven.
In de gewone strookorven is het voêren zeer lastig; het voedsel kan
alleen van onderen gegeven worden. Moeten de bijen, daarin geplaatst,
in het voorjaar ondersteund worden, dan zet men den korf tegen den
avond, als de vlugt heeft opgehouden, op den kop, giet er eenige
lepels verdunden honig in, dekt hem met een kleedje en laat hem zoo
een paar uren staan, totdat de bijen den honig hebben opgenomen. Men
herhaalt dit om den anderen dag.
Wil men deze omslagtige wijze vermijden, hetgeen soms door het koele
weder noodzakelijk wordt gemaakt, dan kan men ook verboterden honig
nemen, daarvan 1 of 2 Ned. pond met een lepel afschrappende, zoodat
er geene brokken in blijven. Men doet dezen in een grof linnen zak,
legt dien onder op het werk, bedekt hem met een papier of eene ledige
wastafel en steekt alles met houten pennen vast, opdat het bij het
omkeeren van den korf niet naar beneden zou vallen. Het papier of
de wastafel dient om den honig, die door den zak kon druipen, op te
vangen. Op deze wijze kan men de bijen voor een paar weken in eens
voorzien. Ook kan men op het een weinig gelijk gesneden werk stukken
kandij leggen, deze met een natten doek of beter nog met eene natte
spons bedekken, daarover een kleedje leggen en dan de opene ruimte
van den korf met een kafkussen aanvullen. Men kan hem dan op den
kop laten staan. Niettegenstaande de onnatuurlijke stelling, kan men
op deze wijze zelfs een stok, die bijna geen eigen voorraad heeft,
door den winter brengen. Om de vier weken ziet men er maar eens naar,
of er nog genoeg kandij is en giet wat water op den doek of de spons;
in het voorjaar, als zij meer voedsel behoeven, ziet men er om de
14 dagen naar. Neemt men in plaats van kandij, Surinaamsche suiker,
met blanke aardappelstroop tot eene stijve pap gemaakt, en legt men
deze in een zak op het werk, dan behoeft men daar geen nat voorwerp
op te leggen.
Heeft men boven in de strookorven openingen gemaakt, dan kan het
voêren met behulp der voederbakjes (zie bl. 125) veel gemakkelijker
geschieden. Men kan dan, indien men met dunnen honig of blanke
aardappelstroop wil voêren, ook gebruik maken van eene blikken buis,
die in de opening in den korf past. Men laat aan den onderkant een rand
maken, waarover een doek gebonden wordt, vult haar dan met het voedsel,
legt er een deksel op, smeert de reet tusschen de buis en den korf
met klei digt, en bedekt de buis met een bloempot; de reet tusschen
dezen en den korf wordt ook met klei gesloten. De bijen zullen nu het
voeder, dat door den doek zijpelt, oplikken en men behoeft van tijd
tot tijd de buis maar aan te vullen. In plaats van eene blikken buis,
kan men zich ook bedienen van een zoogenaamd suikerglas, waaruit men
den bodem heeft laten springen. Men behoeft dan het deksel niet af
te nemen, doch kan aan de buitenzijde zien of er nog voorraad in is.
De verschillende wijzen van voêren, die ik hier opgeef, zijn allen
door mij meermalen met goed gevolg aangewend. Men kan er zich op
verlaten, maar moet vooral zorg dragen alles zoo te sluiten, dat
vreemde bijen door den reuk niet tot rooverij worden uitgelokt;
door alles met kleedjes te bedekken, moet men den invloed der koude
onschadelijk maken.
In Dzierzon's woningen geschiedt het voêren veel gemakkelijker dan in
korven. Door het uitnemen der tafels weet men bij deze met zekerheid
of er behoefte aan voedsel bestaat, terwijl dat bij de korven, door
het wegen met de hand, daarnaar slechts geraden worden moet. Men
kan zich daarbij grootelijks vergissen, omdat een korf veel broed,
van een beduidend gewigt kan hebben, terwijl de voorraad opgeteerd
is. Men moet daarom goed opletten, of de bijen in de strookorven ook
onvolwassen broed uittrekken, want dit is een zeker teeken dat er
volslagen gebrek is, zoodat het voêren van den stok dan geen oogenblik
meer uitgesteld mag worden.
De beste en natuurlijkste wijze om in Dzierzon'sche woningen te voêren,
bestaat in het inhangen van tafels met verzegelden honig. Men neemt dan
den bouw tot aan de zitplaats der bijen weg, hangt daar twee of meer
verzegelde honigtafels tegen, en hangt hiertegen de eerst uitgenomen
tafels. Niet altijd kan men evenwel over verzegelde honigtafels
beschikken. Zij kunnen vervangen worden door in ledige wastafels honig
of suikerstroop te gieten, waarna men deze nog met fijne witte suiker
bestrooit, om het uitloopen van het voeder te beletten.
Indien de bijen hare zitplaats diep in de woning hebben, en men alle
tafels tot daartoe niet wil uitnemen, dan kunnen de honigtafels haar
ook boven hare zitplaats gegeven worden, door een der dekplankjes
weg te nemen.--In plaats van deze tafels kan men ook stukken dikken,
verboterden honig, in papier wikkelen, zoodat zij maar aan eene zijde
ontbloot zijn. Met dien kant worden zij op de staafjes gelegd.--Of men
legt op de staafjes een linnen zak, die met suiker, met aardappelstroop
tot een brij gekneed, is gevuld.--Voêrt men met kandij, dan wordt
ook deze op de staafjes gelegd, en met een doek of eene spons, die
te voren natgemaakt is, bedekt; wanneer de vorst het niet belet,
dan moet men om de acht dagen den doek of de spons wat bevochtigen;
want is de kandij te droog, dan kunnen de bijen haar, bij gemis van
water, niet gebruiken.--Vroeger is reeds opgegeven hoe het voêren met
de voederbakjes geschiedt, die meer bepaald voor dun voedsel dienen.
Welk voedsel men ook op de staafjes legt, altijd moet dit zoo goed
mogelijk met plankjes belegd, en de ruimte daarboven met mos gevuld
worden, zoowel tegen de koude, als omdat de bijen niet naar boven
zouden kruipen.
Is het vlieggat niet onmiddellijk tegen den bodem der woning, maar een
weinig daarboven aangebragt, dan kan men, door middel van een trechter
met eene gebogen pijp, dunnen honig of stroop door het vlieggat,
op den bodem der woning gieten. Dit voeder zal niet wegvloeijen,
daar de bijen alle reten digtmaken; wanneer men ten minste tegen de
deur eene rigchel van klei legt. Op deze wijze kan men maar weinig
voeder in eens geven, zoodat het elken avond herhaald moet worden. Al
voert men de bijen niet op deze wijze, dan is het toch altijd goed,
dat het vlieggat een weinig boven den bodem is aangebragt. Staat
het te laag, dan dragen de bijen de kleine stukjes kandij of de
verbrokkelde wastafels, die op den bodem gevallen zijn, naar buiten,
zoodat zij verloren gaan.
Deze wijze van voêren, kan alleen in het voorjaar, wanneer de bijen
zich uit een kunnen begeven, worden toegepast. Men kan het voeder
dan ook in de vroeger beschreven voederbakjes doen, en deze, zonder
deksel, op den bodem der woning plaatsen.
In het voorjaar is het ook zeer goed de bijen een weinig water te
geven. Men giet het in wastafels, en hangt deze in de woning. Men
kan haar dan ook met kandij of versuikerden honig voêren, die zij
zelf zullen verdunnen. Het water, dat men haar geeft, mag niet met
suiker of honig vermengd worden, want dan vallen zij er te begeerig
op aan, en zouden door er te veel van te gebruiken, den loop kunnen
krijgen, indien het weder haar belette uit te vliegen, om zich van
het overtollige vocht te ontlasten.
In vele woningen vormt zich steeds een aanslag, die de bijen voldoende
van water voorziet. Andere, inzonderheid de zamengestelde woningen,
houden zich bijzonder droog, zoo zelfs, dat de bijen in het voorjaar
grooten dorst toonen te hebben. Men moet haar dan water in hare woning
geven, of bij goed vliegbaar weder, haar in de gelegenheid stellen
dit daarbuiten te verzamelen (zie bl. 38).
Voor vele, vooral pas beginnende bijenhouders, is het voêren eene
lastige zaak. Mij heeft het aanvankelijk veel moeite en schade
berokkend. Ik heb daarom gemeend het niet te vlugtig te moeten
behandelen. De verschillende wijzen van voêren, boven opgegeven,
heb ik allen bij ondervinding als zeer doelmatig leeren kennen.
Voêrt men met honig, dan moet men zich alleen van eigen honig
bedienen. Kocht men daarvoor honig, van welks zuiverheid men
niet bepaald overtuigd was, dan kon men zijn geheelen stand ten
onder brengen, indien het ongeluk wilde dat daaronder ook honig
uit vuilbroedige stokken was. Om dit gevaar te ontgaan, moet men
veel liever met suiker of kandij voêren. Bij gemis van verzegelde
honigtafels voêr ik altijd met kandij. Deze is goedkooper dan
honig en daar zij volstrekt niet naar honig ruikt, geeft men
ook geene aanleiding tot rooven. De minste honigreuk maakt de
bijen dadelijk opmerkzaam; bij het voêren moet men daarom vooral
zorgen niet te storten, en het mag ook alleen 's avonds, als alle
vlugt heeft opgehouden, geschieden. Den volgenden morgen moeten,
voordat de vlugt begint, alle voedergereedschappen, die onder in
de woningen geplaatst zijn, weggenomen en van den stand verwijderd
worden. Suiker of kandij kan men op alle uren van den dag geven,
maar verdund voedsel mag niet onder in de woning gesloten worden,
dan bij volstrekt onvliegbaar weder.