DE PERS.

Tot het persen van honig en was moet men eene doelmatig ingerigte pers

hebben. Eene afbeelding er van ziet men in fig. 23. Op vier stevige

pooten, van 16 duim hoog, rust eene plank ab, van 24 duim lang, 15

duim breed en 3 duim dik. Aan de beide uiteinden zijn hierin met pen en

gat twee staanders cd en ef, van 10 duim breed en 2 duim dik, met eene

tusschenruimte van 15 duim bevestigd, terwijl deze staanders bovenaan

eveneens verbonden zijn door den legger gh, die ook 10 duim breed en

ten minste 4 duim dik is. In het midden van dezen legger is eene moer,

waardoor de ijzeren of houten schroef i beweegt. In de gaten k en

l worden handboomen gestoken, om de schroef aan te draaijen. Onder

aan de schroef is het blok m zoo bevestigd, dat zij gedraaid kan

worden, terwijl het blok in den straks te vermelden persbak beweegt;

dit blok dient ten minste 3 duim dik te zijn; de lengte en breedte

wordt 10 3/4 duim genomen. De binnenafstand, tusschen de plank ab

en den legger gh, is voldoende, wanneer de onderkant van het blok

m 7 duim boven de plank ab kan gebragt worden. Wat meer ruimte te

hebben is echter gemakkelijk. De lengte der staanders wijzigt men,

naar de meerdere of mindere ruimte, die men verlangt.

De persbak (zie fig. 24) wordt van planken, van minstens 1 1/4 duim dik

gemaakt. Hij is binnenwerks 12 duim lang en breed en 5 duim hoog. De

bodem en de zijwanden zijn aan de binnenzijde van eene menigte groeven

voorzien. In het midden van den bodem is een rond gat, van 1 1/2 duim

wijd, waarmede al de groeven in verband staan, en waarin eene tinnen

pijp wordt bevestigd, die omtrent 5 duim lang is. Tot het doorlaten van

deze pijp, is midden in de plank ab een gat gemaakt. Op den bodem en

tegen de zijwanden van den persbak, worden losse plankjes, van 1/2 duim

dik gelegd, waarin kleine gaatjes zijn aangebragt, waardoor de honig

of het was vloeijen kan, om zich daarna in de groeven te verzamelen,

en door de tinnen pijp in een onder de pers geplaatst vat te loopen.

Het is gemakkelijker in losse doeken, die dan goed toegevouwen moeten

worden, te persen, dan van zakken gebruik te maken; het uitnemen

der koeken is bij zakken zeer lastig. Voor persdoeken neemt men

koffijbalen, na die goed gezuiverd te hebben; zij kunnen eene groote

drukking weêrstaan zonder te scheuren.

De persbak wordt gewoonlijk vast op de plank ab gebragt. Voor het

honig persen heeft dit geen bezwaar, doch voor het was is het beter

twee losse bakken te hebben, die in kokend water gelegd worden,

waardoor zij zoo heet worden dat het was er gemakkelijk afvloeit;

terwijl men dan den eenen bak gebruikt, wordt de andere weder gewarmd,

zoodat het was er goed vloeibaar in blijft. Om de waskoeken goed uit te

kunnen persen, moet men hen dun maken en liever een keer meer persen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 87 / 109 题