De voederbakjes kunnen van potaarde gebakken, of van dunne plankjes
of blik gemaakt worden. Aan blikken geef ik de voorkeur, wanneer
zij tegen het roesten, binnen en buiten geverwd zijn. De lengte ab
(zie fig. 22), wordt 1/4 duim kleiner genomen dan de breedte der
woningen: nadat het deksel er opgelegd is, kan het dan gemakkelijk
daarin geschoven worden, en op de staafjes staande, de plaats van
een dekplankje vervangen. Het wordt 3 à 4 duim breed en 2 duim hoog
gemaakt. In het midden van den bodem moet een buisje c, van 1 1/2
duim hoog en 1 duim wijd, worden gesoldeerd, waardoor de bijen, van
den onderkant, in het bakje kunnen komen, zonder dat het voedsel er
uit kan vloeijen. In dit bakje wordt een plankje de gelegd, dat er
gemakkelijk in op en neder bewegen kan, en in welks midden een gat f
is, waardoor het buisje c heengaat. Dit plankje moet op het voedsel
drijven, opdat de bijen daarin niet zouden verongelukken. Er moeten
of zaagsneden, zoo als in onze figuur, in gemaakt worden, of het moet
zooveel mogelijk doorboord zijn met gaatjes, van omtrent 3/16 duim
middellijn. Door de zaagsneden of de gaatjes kunnen dan de bijen het
voedsel opnemen, zonder het minste gevaar te loopen daarin om te komen.
Het deksel gh moet gemakkelijk op het bakje gelegd en daaraf genomen
kunnen worden, zonder evenwel reten te laten, waar bijen door kunnen
kruipen. In het midden maakt men eene opening i, van 3 duim lang en
2 duim breed, waarin een stuk glas wordt bevestigd, waardoor men,
zonder er het deksel af te nemen, zien kan of er nog voedsel in het
bakje is. Dit glaasje moet goed bedekt worden; want zagen de bijen er
licht door vallen, dan zouden zij het met was bekleeden. Aan het eene
einde van het deksel kan men een pijpje k laten maken, dat met eene
kurk gesloten wordt, en waardoor men, met behulp van een trechter,
het voedsel in het bakje kan brengen, zonder dit te openen. Het plankje
de moet nog voorzien zijn van twee touwtjes l en m, die door de reten
n en o van het deksel heengaan en waarmede men, het bakje gesloten
latende, nadat het voedsel er in gedaan is, het plankje opligt; anders
kon het op den bodem blijven liggen, en dus zijne bestemming missen.
Om in het geheel niet door de bijen gehinderd te worden, kan men,
bij het vullen van het bakje, het buisje c sluiten. Daarvoor moeten
in de zijwanden van het bakje gaatjes p en q gemaakt worden, waardoor
een ijzerdraad rs geschoven kan worden, aan welks midden een blikken
plaatje t bevestigd is, dat vlak langs den bovenrand van het pijpje
c beweegt. In het deksel moeten voor dezen ijzerdraad ook openingen
gemaakt worden, waarvan er hier eene bij u gezien wordt. Ziet men door
het glaasje dat er nog bijen in het voederbakje zijn, dan blaast men
door het pijpje k daarin eenigen rook; zij zullen het dan spoedig
verlaten, waarna men het buisje c sluit. Het deksel kan nu van het
bakje genomen worden. Na het met voedsel gevuld te hebben, sluit men
het weder en trekt het plaatje t van de opening c weg.
Het voêren geschiedt met deze bakjes zeer gemakkelijk; men kan het
gerust zonder kap doen. Ook in strookorven kan men er de bijen mede
voêren, wanneer in den top van den korf een gat is. Op alle uren van
den dag kan men het voedsel geven, zonder dat er vrees voor rooverij
behoeft te zijn, indien men de bakjes bedekt, en de opening, tusschen
den bodem en den korf, goed met klei digt smeert. Moeten de bakjes
alléén voor strookorven dienen, dan is het beter hen rond te maken,
en voor het vaststaan, het pijpje c 1 duim onder door den bodem te doen
uitsteken. In het gat van den korf wordt nu een houten stop gezet, met
eene opening, waarin dit pijpje juist past. Over het bakje zet men een
bloempot en smeert de reet, tusschen dezen en den korf, met klei digt.
De voederbakjes zijn bestemd voor vloeibaar voedsel. Voor verdikten
honig kunnen zij echter ook dienen: men drukt er dezen in en laat het
plankje weg. Wil men alleen met verzegelde honigtafels, of met kandij
voêren, dan heeft men bij Dzierzon's woningen in het geheel geene
bakjes noodig: de honigtafels worden op de gewone wijze ingehangen,
en de stukken kandij legt men op de staafjes; er wordt dan een doek
overgelegd en de ruimte, tusschen dezen en den bovenwand der woning,
met stroo of mos gevuld. Om de bijen in korven met kandij te voêren,
moet men vierkante raampjes, van 3 of 4 duim lang en breed en 4 duim
hoog maken. Zulk een raampje wordt, na het gat van den korf geopend
te hebben, er opgezet. Aan elke zijde er van steekt men in den korf
een spijker, omdat het er niet af zou vallen, en smeert de reet, die
aan den onderkant van het raampje open blijft, met klei digt. De door
het raampje ingesloten ruimte wordt nu met kandij gevuld, waarover men
een nat doekje legt; het raampje wordt nu met een plankje gesloten,
waarop voor het afvallen een steen geplaatst wordt. Men bedekt het
geheel met een bloempot. Deze wijze van voêren is voordeelig, goed
en gemakkelijk. Reeds sedert jaren heb ik er de beste gevolgen van
ondervonden, en ik kan haar daarom gerust aanbevelen. In het voorjaar,
als de bijen zich behoorlijk uiteen kunnen begeven, kan men er met
zekerheid op vertrouwen.