Tot het zuiveren van het was van den honig en de onreinheden, die nog
in de koeken zijn teruggebleven, kan men zich, zoo de hoeveelheid
gering is, van een ronden blikken ketel (zie fig. 25), van 11
duim wijd en 12 duim hoog, bedienen. Hij heeft twee handvatsels,
waarvan er hier een bij a gezien wordt. Aan den binnenkant wordt,
7 duim boven den bodem, een rand van 1/8 duim breed gesoldeerd,
waarop eene blikken schijf b komt te liggen, die juist in den
ketel past en die zooveel mogelijk doorboord is, met gaatjes ter
grootte van eene gierstkorrel. Op deze schijf worden twee stangen,
van 1 duim breed en 4 1/2 duim lang gesoldeerd, waarvan er hier eene
bij c wordt gezien. Aan de bovenzijde worden deze stangen door een
legger de verbonden, die aan de uiteinden van ijzeren grendeltjes
voorzien is, welke in gaatjes schuiven, die daartoe in den wand van
den ketel zijn aangebragt. De doorboorde blikken plaat wordt daardoor
vastgezet. De legger en de beide stangen worden van zwaar blik gemaakt,
en daarenboven moeten voor de sterkte in de randen ijzerdraden gelegd
worden. Om in den ketel te kunnen roeren, wordt regthoekig aan het
uiteinde van een rond stokje, van 3/4 duim dik en 16 duim lang, een
latje bevestigd, van 10 duim lang, 1 duim dik en bovenop 1 duim breed,
doch naar de onderzijde schuins bijloopende. In het midden van den
doorboorden bodem en van den daarop gebragten legger, worden ronde
gaten gemaakt, welke ruim 3/4 duim wijd zijn, en waardoor de steel
fg van het roerstokje gestoken wordt.
Er moet nu, 1 duim boven den doorboorden bodem, nog een rond pijpje
h op den buitenkant van den ketel gesoldeerd worden. Het moet 1 1/2
duim lang en 3/4 duim wijd zijn, en wordt met eene kurk gesloten. Aan
den buitenkant wordt om het pijpje een randje gelegd, om een touw
te kunnen tegenhouden, waarmede men de kurk vastbindt, hetgeen ter
voorkoming van ongelukken noodzakelijk is.
Bij het gebruik doet men onder in den ketel zoo veel waskoek, als men
denkt dat 1 of 1 1/2 Ned. pond was zal opleveren; deed men er meer
in, dan liep men gevaar van aanbranden. Nu wordt de roerstok door den
doorboorden bodem gestoken, waarna deze in den ketel gelegd, en met
de grendeltjes vastgezet wordt. In den ketel giet men nu zooveel
kokend water, dat het ruim 1 duim boven het pijpje h staat. Op
een zacht vuur wordt het water nu aan het koken gebragt; waarbij
men beurtelings over den bodem, en door den roerstok op te ligten,
vlak langs den doorboorden bodem roert. Na 1/2 uur koken, zal het was
bijna zuiver bovenop drijven. De ketel wordt dan van het vuur genomen,
en na een weinig stil gestaan te hebben, laat men het was door het
pijpje h afloopen in een pot, die gedeeltelijk met heet water gevuld
is. Na het pijpje gesloten en water in den ketel gedaan te hebben,
laat men dit nog 1/4 uur koken en giet het boven drijvende was weder
af. De nu nog overblijvende vezels kunnen gerust weggeworpen worden;
zij zullen geen spoor van was meer bevatten.
Sedert drie jaar maak ik van dezen ketel gebruik, en hij bevalt
mij uitmuntend. Het was wordt behoorlijk afgezonderd en men heeft
niet het minste gemors. In de Bienen-Zeitung wordt hij bij herhaling
aanbevolen. Eens heeft iemand daarin berigt dat hij er een ongeluk mede
gehad heeft, daarin bestaande dat de ketel, toen hij te vuur stond,
uit een sprong en de kokende massa in het rond spatte. Dit kan zeer
ligt waar zijn, doch die persoon zal dan ook wel verzuimd hebben,
langs den onderkant van den doorboorden bodem te roeren; misschien
heeft hij daarenboven een sterk vuur gebruikt. Het laat zich goed
hooren dat er, wanneer men door aanhoudend te roeren niet zorgt,
dat de gaatjes in den doorboorden bodem open blijven, stoom gevormd
wordt, welks spanning, zoo de hitte wat groot is, den ketel uit een
doet slaan. Indien men maar aanhoudend, nu hooger, dan lager in den
ketel roert, en het vuur niet te sterk neemt, zal men niet bevreesd
voor ongelukken behoeven te zijn.