DE STOMMEKNECHT.

De uit de woning genomen tafels, voor beschadiging bewaard moetende

blijven, zoo bezigt men een opzettelijk daartoe vervaardigd kastje, om

haar tijdelijk daarin te hangen; het wordt stommeknecht genoemd. Dit

kastje moet zoo lang zijn, dat alle tafels, die in eene woning

voorhanden zijn, daarin kunnen hangen. De breedte moet 1/4 duim grooter

zijn dan de lengte der staafjes, en de hoogte dient 2 duim meer te

bedragen, dan de diepte, waartoe de tafels gebouwd worden. Aan den

binnenkant der zijwanden wordt, 1 duim van den bovenrand, een latje

van 1/2 duim dik gespijkerd. Tusschen deze latjes hangt de tafel,

wanneer het staafje met de uiteinden er op rust. Op dit kastje wordt

een deksel gemaakt, waarin een gat van 6 duim in het vierkant gezaagd

is; dat gat wordt gesloten met een ijzeren traliewerk, dat minstens

9 traliën op elken duim bevat; er wordt eene schuif over gemaakt,

waarin een plankje geschoven kan worden, om het te sluiten.

Wanneer men nu den bouw uit eene woning neemt, dan hangt men de

uitgenomen tafels, waar honderden bijen opzitten, een voor een in

dit kastje; ontdekt men dat vreemde bijen er op willen rooven, dan

legt men er het deksel op, en geeft de opgesloten bijen lucht, door

het schuifje een weinig te openen. Mogt het noodzakelijk zijn haar

lang in dit kastje besloten te houden, dan zet men het op eene koele,

donkere plaats en opent de schuif geheel.

Des noods kan deze stommeknecht ook dienen, om de bijen naar een

anderen stand over te brengen, doch men doet beter zich daartoe van

de later te beschrijven transportkastjes te bedienen.

Indien men de tafels weder in de woning hangen wil, dan moet men

opletten dat dit in dezelfde volgorde geschiedt, als waarin zij

gehangen hebben. De bijen, welke, nadat alle tafels zijn ingehangen,

op den bodem van het kastje terugblijven, worden op een hoop gestooten,

door het een schok te geven; daarna schept men haar in de woning. Het

is niet goed om, gelijk sommigen doen, deze bijen in de zon op een doek

te storten, in de veronderstelling dat zij weder op haar stok zullen

terugvliegen. Met velen zal dit het geval niet zijn, omdat er zich vele

jongen onder bevinden, die, nog nooit hare woning verlaten hebbende,

haar niet kennen. Ook de moederbij kon aldus wel eens verloren gaan,

wanneer zij zich onder de van de tafels gevallen bijen bevond. Met

het opscheppen moet men dan ook altijd zeer voorzigtig zijn om haar,

in geval zij in het kastje teruggebleven was, niet te kwetsen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 79 / 109 题