DE BIJENKAP.

Niet minder noodzakelijk dan de rookpijp is de bijenkap, om het

gezigt en den hals voor den bijensteek te beveiligen. Wél zijn er

bijenhouders, die het belagchelijk vinden, om bij Dzierzon'sche

woningen nog eene kap te gebruiken; wél wordt men langzamerhand

minder vatbaar voor het bijengif, zoodat de steek eindelijk slechts

eene oogenblikkelijke pijn verwekt; maar dit neemt niet weg dat de

steek soms, vooral in het gezigt, sterke zwelling ten gevolge kan

hebben, en dat de bijen, wat veel verontrust wordende, als het ware

steken laten regenen. Het gebruik van eene kap acht ik dan ook altijd

raadzaam; waarom zal men zich aan het gevaar blootstellen, om dagen

achtereen met een gezwollen gezigt te loopen? En had men het ongeluk

dat eene bij in den mond vloog en daar stak, dan konden de gevolgen

zeer noodlottig wezen.

De kap wordt vervaardigd van eene lap grof linnen, aa' bb' (zie

fig. 12), die 26 duim lang en 30 duim breed is. Bij d en d', 12

duim van b en b' verwijderd, begint men de stukken deb en d'e'b'

rond uit te snijden, zoodat be en b'e' 1 duim breed zijn; 6 1/2

duim van het midden h, maakt men aan weêrskanten de insnijdingen gi

en g'i', die 12 duim diep zijn, en van c, 19 duim boven h, snijdt

men naar a en a' het linnen rond weg. Wordt de lap nu om de lijn

ch toegevouwen, dan komt a op a', d op d' enz., te liggen, omdat

de figuur aan weêrskanten der lijn ch symetriek is; ac wordt nu op

a'c' en de op d'e' genaaid. Bij ad blijft er nu eene opening, waarin

een ovaal draadwerk k, dat minstens 9 spijlen op elken duim bevat,

van 9 duim hoog en 7 1/2 duim breed, wordt genaaid. Van i, langs

g en g' tot i' wordt de rand gezoomd; evenzoo van i langs f en f'

(die bij e aaneengenaaid zijn) tot i'. Aan de hoeken f en f' worden

koperen ringen, en aan de hoeken g en g' sterke banden genaaid. Wordt

deze kap nu, met het draadwerk voor het gezigt, op het hoofd gezet,

dan valt het stuk ighg'i' op den rug, terwijl dat ifef'i' de borst

bedekt en de hoeken i en i' op de schouders komen te liggen. Voor het

aansluiten en het inscheuren worden daar kleine, driehoekige stukjes

ingezet. De banden van het achterste stuk worden nu, onder de armen

door, in de ringen van het voorste gedeelte gestoken, en dan weder

onder de armen door naar achter gebragt en om het lijf gebonden. Men

kan, door het aanhalen der banden, de kap nu zoo doen sluiten,

dat er nergens eene bij door kan. Begeeft men zich, aldus gewapend,

naar de stokken, dan is men verzekerd niet het minste letsel van de

steken der bijen te kunnen hebben.

De opening in het draadwerk is bestemd om er het mondstuk van de

rookpijp door te steken; de wijdte moet daarnaar geregeld worden. Naar

verkiezing maakt men haar regts of links. Voor het uitwijken zijn

de traliën daar tusschen twee koperen plaatjes gesoldeerd. Wanneer

men de rookpijp niet gebruikt, moet men deze opening digt stoppen;

kroop er toch eene bij door, dan zou men van haar nog veel meer last

hebben, dan als men zonder kap was.

Handboek voor Bijenhouders · 第 76 / 109 题