Bij de behandeling der bijen is het aanbrengen van rook bijna altijd
noodig, om haar daar te verdrijven, waar men iets te verrigten heeft,
hetzij omdat men gevaar zou loopen door haar gestoken te worden, hetzij
omdat zij, op haar werk zittende, beletten zouden dit goed te bezien,
of omdat men haar zou kunnen kwetsen. Heeft men slechts weinig rook
noodig, dan is eene gewone goudsche pijp of eene sigaar voldoende;
veelal kan men hiermede volstaan, doch wie niet gewoon is te rooken
moet naar andere middelen omzien, en dikwerf kan men ook langs dien weg
niet genoeg rook aanbrengen; men kan zich dan van de volgende rookpijp
bedienen, die door blazen en niet door trekken aangehouden wordende,
ook door niet-rookers kan worden gebruikt. In fig. 11 ziet men haar in
doorsnede afgebeeld. Het gedeelte abcdef wordt van wortelhout gedraaid;
bij be is het uitwendig 1 3/4 duim dik en loopt naar boven taps toe;
van af tot be is de lengte 3 1/2 duim; bij be wordt het afgedraaid,
zoodat bcde bij be 3/4 duim dik is, naar cd taps toeloopt en 1 duim
lang is. Inwendig wordt het 3 duim diep uitgedraaid, ter wijdte van
1 duim, en midden in het stuk bcde wordt nu een gat geboord, van 3/8
duim wijd, dat in de uitgedraaide holte uitloopt. Om het doorbranden
te voorkomen moet deze kop der pijp inwendig bekleed worden. Daartoe
wordt een blikken koker met pijpje vervaardigd, die juist in dezen
kop sluit; bovenaan bij af wordt de rand omgeslagen, opdat het hout
ook daar niet met het vuur in aanraking zou komen. Het pijpje laat
men bij cd een weinig buiten het hout uitsteken. Het gemakkelijkst
zal het wel zijn eerst het blikken bekleedsel te laten maken, en
daarnaar het hout uit te draaijen. Buiten om het houten pijpje bcde
wordt ook een blikken bandje gelegd, om het springen te beletten;
men laat het even ver over het hout uitsteken als het pijpje er door
komt, en vult den rand tusschen beide met soldeersel; hierdoor belet
men dat het hout afwisselend nat en droog wordt, waardoor er, ondanks
het blikken bandje, toch nog scheuren in zouden komen. Uitwendig wordt
het gedeelte abfe met dubbel laken bekleed, dat met enkele koperen
stiftjes op het hout bevestigd wordt, daar het anders spoedig gaat
draaijen. Dit laken overtrekt men nog met kalfsleder. De bekleeding
van den kop dient, zoowel om bij het aanvatten de handen niet te
branden, als om het deksel, dat er opgezet moet worden, luchtdigt te
doen sluiten; dit is toch een vereischte, omdat de tabak door blazen
aangehouden moet worden. Het blikken deksel hgik is van gi tot hk 1
1/2 duim lang en moet goed op den kop sluiten. Midden in den bodem
van het deksel, wordt een mondstuk lm gesoldeerd, van 4 duim lang en
van onder bij l 1/2 duim en van boven bij m 1/8 duim wijd.
Men moet nog drie blikken pijpjes hebben, die op de punt bcde van
den kop gezet worden, om den rook daar heen te leiden, waar men hem
behoeft. Aan het uiteinde moeten zij 1/8 duim wijd zijn. Twee dezer
pijpjes worden regt gemaakt, een van 4 duim lang, dat hier in de
figuur is voorgesteld (zie nop), en het andere van 6 duim lang. Het
derde qr wordt eveneens 6 duim lang gemaakt, doch de punt er van
moet zoo omgebogen zijn, dat de rookstraal regthoekig op de lengte
lijn van den geheelen toestel staat. Van de beide regte pijpjes
gebruikt men het langste of kortste, naardat men den rook verder van,
of digter bij zich behoeft, terwijl dat het gebogen pijpje dient,
om hem onmiddellijk tusschen de wastafels te kunnen brengen. Aan de
beide uiteinden worden om elk pijpje randen gelegd; aan het wijdste
om het verwijden te voorkomen, waardoor het niet meer op den kop zou
sluiten; aan het naauwste om het, zoo noodig, met den mond vast te
kunnen houden.
Opdat het gat in bcde niet verstoppen zou, leggen sommigen in den kop
een doorboord plaatje of een stukje ijzergaas. Deze raken echter ook
wel verstopt; daarom steek ik er een gewonen pijpedop in, zoodat de
punt juist tegen het gaatje komt en bevind mij daarbij uitmuntend.
Wil men de rookpijp gebruiken, dan wordt de kop met tabak gestopt,
hierop een stuk brandend zwam gelegd, en nu het deksel op den kop
gezet. Naarmate men nu door het mondstuk harder of zachter blaast,
zal men meer of minder rook verkrijgen.
Ik heb deze rookpijp al sedert eenige jaren gebruikt, en er altijd
mede kunnen volstaan. Andere rooktoestellen zal ik daarom niet
beschrijven; de meesten zijn voor het gewone gebruik veel te omslagtig
en men kan hen ontberen. Het eenige bezwaar, dat het gebruik der hier
beschreven rookpijp medebrengt, is dat de tabak uitgaat, wanneer men
een oogenblik verzuimt te blazen, zoodat men iemand bij zich dient te
hebben, die voor het aanhouden der pijp zorgt. Wanneer men gedurende
eenigen tijd geen rook behoeft, kan men den tabak ook door trekken,
in plaats van door blazen aanhouden; als men gewoon is te rooken,
dan is dit veel gemakkelijker.