ZAMENGESTELDE WONINGEN.

Twee of meer Dzierzon'sche woningen kunnen tot een geheel vereenigd

worden, hetgeen bouwstoffen bespaart en warmteverlies voorkomt. De

zamengestelde woningen, die men daardoor verkrijgt, zullen wij thans

nader beschouwen, beginnende met de dubbele.

De dubbele, zoowel liggende als staande woningen, worden eveneens

vervaardigd als de enkelvoudige, doch men maakt de binnenwijdte een

duim grooter, dan tweemaal die der enkelvoudige, en dus 20 duim. Door

een tusschenschot, van één duim dik, dat aan beide zijden groeven

heeft, die met die der zijwanden overeenkomen, wordt de woning nu in

twee volkomen gelijke deelen verdeeld, die elk weder 9 1/2 duim breed

zijn. Bij de liggende woning maakt men, in het midden der breedte van

elk der zijwanden, een vlieggat; bij de staande daarentegen komt wel

in elken zijwand een vlieggat, maar dit wordt zoo digt mogelijk naar

den voorwand gebragt.

De dubbele heeft met vele zamengestelde woningen het voordeel, dat

de vereeniging der zwermen tegen den winter en hunne scheiding in het

voorjaar, zeer gemakkelijk geschiedt. Men maakt daartoe eene opening

in den tusschenwand, van 2 à 3 duim breed en 1 duim hoog, die juist

tegenover de beide vlieggaten ligt, zoodat men er doorheen kan zien. De

opening wordt met eene houten stop gesloten en deze goed bevestigd.

Wanneer men nu in het najaar de in beide afdeelingen der woning

geplaatste zwermen wil vereenigen, omdat het een van hen of wel beide

aan voldoenden voorraad ontbreekt, dan ontneemt men den geheelen

bouw aan dien stok, welken men met den anderen wil vereenigen en

voegt dezen nog zoovele, met honig en broed gevulde, tafels toe,

als de vereenigde zwerm zal behoeven. In de ledig gemaakte afdeeling

der woning, wordt de opening in den tusschenwand, na er de stop te

hebben uitgenomen, in verbinding gebragt met het vlieggat, door er een

doorgang in te plaatsen, gemaakt van een plankje, waarop aan beide

kanten latjes bevestigd zijn. De breedte en hoogte van den doorgang

moeten overeenkomen met die van het vlieggat, terwijl hij in de lengte

juist in de woning moet sluiten. Alle bijen worden nu uit dit gedeelte

der woning gejaagd, waarna het met hooi of stroo aangevuld en gesloten

wordt. De terugkeerende bijen zullen, haar eigen vlieggat ingaande,

toch bij hare buren komen. Om het vechten te voorkomen moet men de

bijen, van beide stokken, met muscuswater besprenkelen en de moederbij

uit dien stok vangen, dien men met den anderen wil vereenigen. Beide

vlieggaten moet men nu geopend laten; want elke bij blijft door haar

eigen vlieggat invliegen; het andere leert zij niet kennen. Het zou

daarom niet baten, wanneer men beide stokken in eene afdeeling der

woning plaatste; want elke bij zou weder naar haar eigen vlieggat

terugkeeren en die het gesloten vonden zouden of op andere stokken

vervliegen en daar groote schade aanrigten, of omkomen.

Even gemakkelijk als men nu de vereeniging bewerkstelligd heeft,

kan men in het voorjaar de bijen weder scheiden. Die in het voorjaar

uitgebroeid zijn, vliegen gedeeltelijk door het eene, gedeeltelijk door

het andere vlieggat, maar elke bij kent er slechts één. Neemt men dus

den doorgang weder weg en sluit men de opening in den tusschenwand,

na den bouw over beide afdeelingen der woning verdeeld te hebben,

dan is de scheiding volbragt. Den nieuwen stok geeft men het meeste,

en vooral al het gesloten broed, maar zorgt ook hem eene tafel met

ongedekt broed te geven; want geene moederbij hebbende, moet hij

hulpcellen aanzetten en hij zal dit den eerstvolgenden nacht doen. Had

de oude stok reeds moederwiegen aangezet, dan geeft men den nieuwen

eene tafel, waarin er zich eene bevindt; de bijen, aan deze gewoon

zijnde, zullen haar blijven bebroeijen en in weinige dagen weder eene

koningin hebben. Wegens de jonge moederbij zal de stok dat jaar niet

zwermen, doch hij kan daarentegen een goede honigstok worden. Het is

ook omdat er geruimen tijd verloopt, eer dat de moederbij bevrucht

kan zijn en dus met de eijerlage begint, dat men den nieuwen stok

het op het uitkomen staande broed moet geven, en het is ook goed

hem van tijd tot tijd eene tafel met broed toe te voegen, totdat

men overtuigd is dat de jonge koningin bevrucht is. In den anderen,

die de bevruchte moederbij behoudt, gaat de eijerlage geregeld voort.

Bij de drievoudige woning wordt de binnenafstand der zijwanden 30 1/2

duim genomen, welke ruimte nu door twee tusschenschotten, van 1 duim

dik, in drie vakken, elk van 9 1/2 duim breed, verdeeld wordt. Het

vlieggat der middelste afdeeling komt midden in den voorwand;

die der buitenste worden in de zijwanden, zoo na mogelijk bij den

voorwand gemaakt.

Als algemeene regel, voor de plaatsing der vlieggaten, moet men in

het oog houden dat zij, zoo wel onderling als van de deur, zoo ver

mogelijk verwijderd moeten zijn.

Indien men, bij den voornoemden afstand der zijwanden, den inwendigen

afstand, tusschen den bodem en den bovenwand, 54 duim neemt en de

ingesloten ruimte door eene plank, van een duim dik, in twee gelijke

deelen verdeelt, die elk 26 1/2 duim hoog zijn zullen, dan verkrijgt

men, na deze in de breedte elk weder, door tusschenschotten, in drie

gelijke deelen verdeeld te hebben, de zesvoudige woning. Bij deze

komen nu in den voorwand en in elk der zijwanden twee vlieggaten

boven elkander.

Maakt men de woning nog eene verdieping hooger, dan ontstaat de

negenvoudige woning, die van alle zamengestelde het meest aan te

bevelen is, wegens de geregelde verdeeling der vlieggaten. Het volk

van elken stok heeft daarbij eene vrije vlugt en kan niet gemakkelijk

vervliegen, hetgeen, wanneer de vlieggaten in dezelfde rigting en

digt bij elkander geplaatst zijn, niet zelden tot verwarring en groot

verlies aanleiding geeft.

Worden drie zesvoudige, staande woningen, zoo geplaatst, dat hare

voorwanden tegen het zuiden, het oosten en het westen staan, terwijl

zij, met de kanten der zij- en achterwanden, elkander aanraken, dan

zal er tegenover het noorden eene ruimte door haar worden ingesloten,

welker breedte en diepte gelijk is aan de breedte der woningen. Sluit

men deze opening nu met eene deur, en overdekt men haar en de woningen

met één dak, dan heeft men, op eene zeer kleine ruimte, achttien

bijenkoloniën geplaatst, van welke er, naar het zuiden zes, en naar

elk der drie overige windstreken vier, zullen uitvliegen. Wanneer men

nu tegen den winter de hoeken, waar de woningen tegen elkander staan,

en ook die, tusschen de onderzijde van het dak en de bovenwanden der

woningen, met stroo vult, en tegen de deur stroomatten stelt of, wat

nog beter is, eene dubbele deur aanbrengt, dan zal in de ruimte, door

de woningen ingesloten, de koude niet gemakkelijk doordringen, terwijl

het er volkomen donker in zijn zal. Men behoeft nu de achterzijde

der woningen niet met mos te vullen, doch hangt in de ledige ruimte

wastafels. Maakt men nu in de deuren ook vlieggaten, dan kan men de

buitenste sluiten; want door de achterste zullen zij voldoende van

versche lucht voorzien worden; kwamen zij zelf eens aan het vlieggat,

dan zouden zij, meenende dat het nacht was, terstond weder terugkeeren.

Beter en gemakkelijker kan men zijne stokken niet doen overwinteren;

men moet slechts zorgen, door een paar togtgaten, versche lucht in

de afgesloten ruimte te kunnen brengen. Wanneer eens een schoone dag

invalt, dan is het openen van de buitenste vlieggaten voldoende, om

de bijen te doen uitvliegen; terwijl men er die, welker vlieggaten

niet door de zon beschenen worden, toe kan opwekken, door haar

met een weinig laauwen, verdunden honig te besprenkelen, dat het

gemakkelijkst geschiedt met eene spuit, waarvan de pijp gebogen is;

deze door het vlieggat stekende, en den straal naar boven rigtende,

treft men zeker de bijen. Na eenige oogenblikken zullen nu alle stokken

voorspelen en zich reinigen. Sluit men des avonds de vlieggaten weder,

dan zijn de stokken in hun wintertoestand teruggebragt.

Het ligt in den aard der zaak, dat zamengestelde woningen moeijelijk

zijn voor hen, die met de bijen reizen; wanneer zij met honig gevuld

zijn, wordt het vervoeren moeijelijk, wegens hare zwaarte. Daartoe

gebruikt men dan ook alleen dubbele woningen, waarvan men er twee of

drie op elkander plaatst en met één dak bedekt. Verplaatst men deze

nu, dan zullen de bijen zich terstond te huis gevoelen, wanneer de

woningen weder zoo op elkander gesteld en met het dak gedekt zijn,

als zij dit vroeger waren. Maar ook het vervoeren der dubbele woningen

wordt nog zeer lastig door hare zwaarte, waarom men meestal de voorkeur

schenkt aan enkelvoudige, liggende woningen, die zoo ingerigt zijn,

dat zij op elkander geplaatst kunnen worden.

Het is hier de plaats om nog eene woning te beschrijven, welker

zamenstelling ik zelf bedacht heb, en die mij, zoowel wegens haar

gemak, als om haar bevallig aanzien, zeer voldoet. Zij is ook zeer

geschikt voor hen, die met de bijen trekken, doch zij moet even

als de korven in een stal geplaatst worden, daar de eigenschap

haar ontbreekt, dat er eenige op elkander geplaatst en met één dak

overdekt kunnen worden. Wil men haar echter afzonderlijk plaatsen,

dan kan dit ook geschieden, wanneer men haar met een los houten of

zinken dak overdekt, en haar alzoo voor den regen beschermt. Men ziet

haar in fig. 9 afgebeeld.

Voor de beide zijwanden maakt men van strooken, ter breedte van 3 en

ter dikte van 3/4 duim, ramen, die buitenwerks 20 duim hoog en 24 duim

lang zijn. De eene zijde van elk dier ramen wordt bekleed met een,

op de vroeger vermelde wijze, geploegd en gelijmd blad, van gelijke

hoogte en lengte als het raam, bij eene dikte van 3/4 duim. In deze

bladen worden twee groeven gemaakt, waarin de staafjes geschoven moeten

worden. De onderkanten dezer groeven neemt men 8 1/2 en 16 3/4 duim

boven den onderrand der bladen. Ook de sponningen, die tot aanslag der

deuren moeten dienen, worden in deze bladen geschaafd. Men maakt haar

beide ruim 1/4 duim diep; de voorsten, waarvan er hier eene gezien

wordt bij abcd, geeft men eene breedte ab van 4 duim, terwijl die

der achtersten slechts 1 1/2 duim wordt genomen. In het midden van

het raam brengt men, op de buitenzijde van het blad, een klamp aan,

van 1 duim dik. Zijne bestemming is het vasthouden der spijkers,

die, na de opvulling, de beide lijsten ef en gh in het midden het

doorbuigen moeten beletten; hij behoeft dus niet breed te zijn.

Zijn nu de wanden zoover gereed, dan worden zij met stroo gevuld,

waarover een stroomatje gelegd wordt, dat door vier lijsten, lm, ef,

gh en ik wordt neergedrukt. Men neemt deze lijsten 2 duim breed en

1/2 duim dik. Zij worden staande aangebragt, twee gelijk met de voor-

en achterkanten van het raam en de beide anderen op onderling gelijke

afstanden daar tusschen.

Tegen de nu voltooide zijwanden wordt een, te voren behoorlijk aan een

geploegde en gelijmde bodem, van 1 duim dik, gespijkerd. De afstand

der zijwanden wordt weder 9 1/2 duim genomen, waartoe de bodem 16

1/2 duim breed zal moeten zijn, wil men de lijsten lm, ef, gh en ik,

in één vlak met de kanten van den bodem doen vallen, gelijk dat in

de figuur geteekend is.

Aan de voor- en de achterzijde wordt nu, boven op de zijstukken,

eene strook, van 4 duim breed bij 1/2 duim dik, gebragt, die met

de buitenkanten gelijk komt. Deze strooken, waarvan men er eene bij

no voorop ziet, houden, met den bodem, de zijwanden 9 1/2 duim van

elkander verwijderd.

Boven aan de zijwanden worden nu lijsten pq en rs, van 3 duim breed

en 3/4 duim dik, gebragt, die 1 duim op den wand liggen en daar dus 2

duim boven uitsteken, terwijl zij voor en achter gelijk met de voor-

en achterwanden komen. Tusschen deze beide lijsten brengt men nu voor

en achter, op de kanten der strooken waardoor de zijwanden aaneen

gehouden worden, latten tu en vw, van 3/4 duim dik en 1 1/2 duim hoog,

waarvan de bovenkanten, met die der op de zijden aangebragte lijsten,

in één vlak zullen liggen. Op de zijwanden legt men, tusschen de beide

strooken, die hen bijeen houden, plankjes, van 1/2 duim dik, die de

opening geheel sluiten. Boven deze plankjes is nu, tusschen de lijsten,

eene ruimte van 1 1/2 duim hoog, waarin eene stroomat gelegd wordt.

Voor de voorste deur maakt men van strooken, van 3 1/2 duim breed

en 3/4 duim dik, een raam, dat juist in de opening sluit, en dus

buitenwerks 10 duim breed en 20 duim hoog is. Den eenen kant er van

bekleedt men met plankjes, van 1/2 duim dik, die den binnenkant der

deur moeten vormen. Daarna wordt het met stroo gevuld, en dit met

drie lijsten neêrgedrukt. In deze deur wordt het vlieggat aangebragt,

zooals dat op bl. 86 is opgegeven.

De achterdeur wordt van dwars over elkander liggende planken, van

3/4 duim dik gemaakt, zooals op bl. 87 voor de liggende woning is

gezegd. Door vier wervels x, ij, z en a' worden de deuren gesloten.

De honigkamer vervalt in deze woningen. Ik schuif ten minste in elke

groef 8 staafjes en zet daar tegen een verkleinplankje als boven

beschreven werd. In de ruimte tusschen dit en de deur, laat ik den

honig dragen.

Bij zeer ruime honigdragt, kan men een gedeelte van het dek wegnemen

en door de opening een van onderen open, met wastafels gevuld kastje,

van dunne plankjes gemaakt, op de bovenste rij staafjes plaatsen: de

bijen zullen deze tafels voldragen. Als de dragt geëindigd is neemt men

het kastje weder weg. Ook kan men op de bovenste rij staafjes kleine

gevlochten korfjes of groote bierglazen, waarin wastafels bevestigd

zijn, plaatsen; ook deze zullen zij voldragen. Het spreekt van zelf

dat, wat men er ook op plaatsen mag, voor eene goede afsluiting der

gemaakte opening gezorgd moet worden; de bijen zouden er anders toch

een uitgang door hebben en, wat veel erger zijn zou, men zou een vrijen

toegang voor roovers openen! Wanneer men glazen op de staafjes zet,

dan moeten deze voor het licht bedekt worden; het eenvoudigst is er

een bloempot over te zetten.

Met de Dzierzon'sche woningen nu bekend geworden zijnde, vraagt men

zichzelven af: "verdienen deze woningen nu werkelijk, boven alle

vroeger in gebruik zijnde, de voorkeur, of moet men hen gelooven, die

beweren dat zij meer aardig dan nuttig zijn."--Mogt deze twijfel ook

bij enkele van mijne lezers ontstaan zijn, de opsomming van eenige

voorregten der woningen met lossen bouw zal dien, hoop ik, terstond

weder wegnemen.

Bij deze woningen kan men zich overtuigen of er eene moederbij aanwezig

is, en zoo ja, of zij die eigenschappen bezit, die voor de welvaart van

den stok noodig zijn: of zij vruchtbaar is en het broed geregeld afzet,

zonder er ledige plaatsen tusschen te laten of, wat nog erger is,

hommelbroed onder het werkbijenbroed aan te zetten. Men kan er zich

van verzekeren dat eene jonge moederbij geen gebrek aan de vleugels

heeft, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt zou beletten;

of zij vruchtbaar geworden en met de eijerlage begonnen is, en of

er volk genoeg aanwezig is om de eijeren te bebroeijen en voorraad

op te halen. Met veel meer zekerheid, dan het wegen met de hand dit

leeren kan, ziet men in deze woning, of zij rijk of arm aan volk en

voorraad is, of er veel of weinig broed is aangezet. In geene andere

woning kan men het natuurlijk evenwigt zoo spoedig en gemakkelijk, en

tevens zoo doelmatig herstellen, als dit hier door het inhangen van

tafels, met broed, honig of bloemenstof gevuld, kan geschieden. Is

men van den goeden staat zijner overstanders verzekerd, dan gaat

men den winter gerust te gemoet, en wanneer er met het voorjaar

weder leven en bedrijvigheid in den stok ontstaat, dan kan men

met eene Dzierzon'sche woning handelen, zoo als geene andere dat

toelaat. Zonder het broedaanzetten in het minst te verstoren, kan

men het broednest vernieuwen, het hommelwas geheel verwijderen en

de beschadigde tafels met nieuwe verwisselen. Ingeslopen wasmotten

kunnen weggevangen en de woning kan geheel gereinigd worden. Wanneer

een natuurlijke zwerm of een kunstzwerm wordt opgezet, dan kan men hem

zonder groote onkosten zijne voorraadschuren geven, waardoor men hem

verscheidene dagen van inspanning bespaart, die hij aan de wasbereiding

zou hebben moeten opofferen: de moeite en kosten van deze uitrusting

zal men ruim beloond zien. [12] Het zwermen kan men zoowel bevorderen

als verhinderen, en wanneer men kunstzwermen verlangt te maken, weet

men vooruit dat het oogmerk bereikt zal worden. Onvolbouwde stokken

kunnen in den herfst zeer gemakkelijk met elkander vereenigd worden en

in geene woning geschiedt de honigoogst zoo gemakkelijk als in die van

Dzierzon. Maar waar zou ik eindigen, indien ik alles wilde opsommen,

waartoe deze woningen ons in staat stellen? Ieder bijenkweeker, die

behoorlijk nadenkt, zal moeten erkennen, dat hare inrigting hoogst

doelmatig is en dat er bij haar gebruik geene sprake van aardigheid

zijn kan, maar dat het eene nieuwe leerwijze geldt, die de bijenteelt

op eene hoogte zal brengen, waaraan men vroeger niet kon denken.

Is het dan ook waar dat Dzierzon's woningen geen honig zweeten kunnen;

dat er geen honig kan worden ingezameld, wanneer de natuur hem niet

oplevert; niet minder waar is het, dat zij van het grootste gewigt

zijn, vooral in die streken, waar de honig slechts spaarzaam en

gedurende een korten tijd kan verzameld worden, terwijl zij, ook in

honigrijke streken, met het meeste voordeel worden aangewend.

Wie nu Dzierzon's leerwijze volgen wil, zorge dat zijne woningen

zoo volkomen mogelijk zijn. Waren zij toch onnaauwkeurig gemaakt,

zoodat de staafjes, of in de groeven klemden, of er uit konden

vallen, in beide gevallen zou men de woningen veroordeelen en gevaar

loopen om zijn tegenspoed aan de leerwijze te wijten, terwijl de

slechte zamenstelling der woningen er de schuld van droeg. Bij eene

naauwkeurige bewerking is, om haar nut niet verloren te doen gaan,

stevigheid een hoofdvereischte; zij moeten haar vorm behouden en geene

scheuren of openingen verkrijgen. Bij de zamengestelde woningen moet

men er ook vooral op letten, de tusschenwanden zoo aan te brengen,

dat de bijen van verschillende stokken niet bij elkander kunnen komen,

want dit zou haar te zamen doen omkomen.

Wil men nu een zwerm in eene woning plaatsen, dan moeten vooraf

wastafels aan de staafjes gehangen worden. Hierdoor geeft men hem

de aanwijzing hoe er gebouwd moet worden. Liet men dit geheel aan de

willekeur der bijen over, in de meeste gevallen zouden zij den bouw

dwars aan de staafjes hangen, waardoor zijne uitneembaarheid geheel

vervallen zou. Is haar eene aanwijzing gegeven, dan onderwerpen

zij zich onvoorwaardelijk, den bouw met eene bewonderenswaardige

gelijkmatigheid vervolgende in die rigting, die men haar aangegeven

heeft. Men moet voor deze aanwijzing wastafels hebben, die men uit

zijne eigene stokken nemen kan, en, zoo deze die niet missen kunnen,

is men verpligt haar te koopen. De kleinste stukjes dezer tafels

moet men met zorg bewaren, want veelal heeft men er groote behoefte

aan. Aanvankelijk moeten in de woning niet meer dan acht of hoogstens

tien staafjes, waaraan wastafels of gedeelten daarvan zijn bevestigd,

worden gehangen. De bijen willen haar allen bezetten, en zouden,

zoo het getal grooter was, hare krachten te veel verdeelen, en de

voor den wasbouw vereischte warmte niet kunnen ontwikkelen. Zijn

deze tafels volbouwd en met broed en voorraad gevuld, dan voegt men

er weder een paar bij, maar nooit te veel in eens.

Vóór de bevestiging der tafels aan de staafjes, moet men zich

overtuigen dat zij regt zijn; waren zij dit niet, dan zouden zij er

aan den eenen kant oversteken en aan de andere zijde niet tot aan

den kant van het staafje reiken. Vervolgden nu de bijen den bouw,

dan zouden zij de tafels aan elkander of ten minste met bogten bouwen,

waarvan de schuld niet bij haar zou liggen. Heeft men slechts kromme

tafels, dan moet men die vooraf regt maken, door haar in de zon of

door eene zachte warmte week te maken, en op een plat vlak, met eene

kleine, gelijkmatige drukking, neder te leggen; ik doe dit tusschen

twee boeken. Na de bekoeling blijven zij regt.

Men snijdt de tafels zoo, dat zij de breedte der woning hebben,

waarin zij geplaatst moeten worden, hare hoogte gelijk nemende aan

die, waartoe men gebouwd wil hebben. Er moet ook op de rigting der

cellen gelet worden; de bijen bouwen deze toch eenigzins schuins

naar boven staande; plaatste men de tafel omgekeerd in de woning,

zij zouden haar moeten verbouwen.

Is men niet ruim van tafels voorzien, dan is het voldoende eene

strook, van 1 duim breed, aan de staafjes te hechten, zoo zij slechts

de geheele lengte van het staafje bedekt; bij groote behoefte kan

men zelfs volstaan met aan elk staafje een paar kleine stukjes van

wastafels te bevestigen.

Hoe helderder de kleur der tafels is, des te beter zijn

zij. Sprokkelige, die bij de minste aanraking kruimelen, kunnen niet

dienen; want de bijen bijten deze af en dragen de stukken buiten de

woning; in plaats van haar eene dienst te bewijzen, zou men haar dus

veel werk bezorgen. Bij groote behoefte kan men ook gebruik maken

van geheel zwart geworden tafels, maar van deze neemt men altijd maar

strooken, die de bijen eerst zuiveren en daardoor voor haar gebruik

geschikt maken.

De aanhechting der tafels geschiedt met was, dat men daartoe langzaam

smelt in een blikken bakje, welks lengte gelijk is aan die der

staafjes. In het gesmolten was doopt men den te voren glad gesneden

kant der tafel en zet haar met spoed op het staafje, zorgende dat zij

er goed regt op staat; met de hand wordt zij nu een weinig aangedrukt

en met de bekoeling van het was is de aanhechting voltooid.

Dit bevestigen met was gaat spoedig, doch het is kostbaar en men

heeft weinig tijd om de tafel de vereischte rigting te geven. Door de

Bienen-Zeitung, voor 1857, heb ik eene andere wijze leeren kennen,

die aanbeveling verdient. Zij bestaat daarin dat men op twee of

drie plaatsen van den regtgesneden kant der tafel, een weinig van

de kalklijm legt, die voor het lijmen der woningen dient, en haar nu

vast op het staafje drukt. Na een paar dagen is deze lijm droog. Nog

gemakkelijker geschiedt de aanhechting met tarwenbloem, die met water

tot eene dikke pap gemaakt is. Deze bevestigt de tafels volkomen,

en de bijen hebben er geen hinder van. Van alle middelen is dit wel

het beste; het kan altijd bij de hand zijn, het is zeer goedkoop en

men heeft behoorlijk tijd om de tafel regt te zetten, terwijl dat

zij na 24 uren stevig bevestigd is.

Het bevestigen der wastafels aan de staafjes kan eenige dagen voor dat

zij gebruikt moeten worden reeds geschieden, wanneer men haar dan maar

in eene ledige woning hangt en deze geheel sluit, ook het vlieggat,

opdat er geene wasmotten binnen kunnen dringen en hare eijeren in de

cellen leggen.

Aan ieder staafje behoeft de aanhechting maar eens te geschieden; want

bij den honigoogst snijdt men de tafels niet geheel van de staafjes af,

maar laat er eene strook van een halven duim aan zitten. Men legt deze

staafjes aldus, gedurende eenige uren, op den bodem van eene bevolkte

woning; de bijen zullen den uit de verbrijzelde cellen vloeijenden

honig oplikken, waarna men de staafjes bewaren kan.

Handboek voor Bijenhouders · 第 72 / 109 题