Om de bijenwoningen voor den onmiddellijken invloed van de
weêrsgesteldheid te beveiligen, plaatst men haar in zoogenaamde
bijenstanden of stallen.
Bij de Dzierzon'sche woningen zouden zij geheel gemist kunnen
worden. Men kan deze toch gemakkelijk voor den regen bewaren; terwijl
dat die, welke uit zes of meer tot een geheel vereenigde afdeelingen
bestaan, in geen stal geplaatst kunnen worden. Heeft men een doelmatig
lokaal beschikbaar, waarin men de enkelvoudige en dubbele woningen
gedurende den winter kan plaatsen, dan acht ik het bezit van een
stand niet eens bijzonder wenschelijk. Het is toch, voor het goed
slagen der bijenteelt, van zeer veel belang, dat de woningen ver van
elkander verwijderd zijn. Groote bijenstallen, waarin twee of drie
rijen korven boven elkander staan, mogen voor het oog schoon zijn,
vooral wanneer zij geheel bezet zijn, omdat men alle stokken met een
oogopslag kan zien vliegen; zij zijn echter zeer nadeelig. Er heerscht
toch in den omtrek dezer stallen meestal een zeer sterke honigreuk,
die niet zelden rooverij uitlokt, en de bijen uit de bovenste woningen
vervliegen veelal op de onderste; vooral zwakke stokken worden er
gewoonlijk nog zwakker; wanneer b. v. de jonge bijen uit een zwakken
stok haar eerste voorspel houden, terwijl ook de bijen van sterkere
stokken, in hare nabijheid voorspelen, dan verlokken deze door haar
sterker gezang de eersten om zich bij haar te voegen.
Bij het zwermen zijn groote bijenstanden ook zeer nadeelig. Wanneer
toch de moederbij door eenig gebrek niet vliegen kan, of om eene
andere reden door de bijen gemist wordt, dan zullen zij weder op den
moederstok terug willen vliegen, maar in de verwarring zullen velen op
de in de nabijheid staande stokken vallen en daar òf worden afgestoken,
òf de haar onbekende moederbij voor eene vreemde indringster houden
en haar afmaken. Ook is het digt bij elkander staan der woningen
gevaarlijk voor jonge moederbijen, die van hare bevruchtings-uitvlugt
terugkeeren, daar zij niet zelden op naburige stokken verdwalen
en daar een zekeren dood vinden. De beide laatste bezwaren zijn
zeker hoofdoorzaken, dat men op groote bijenstanden zooveel over
moederloosheid klaagt, terwijl dat deze, bij vrij staande woningen,
zelden voorkomt.
De stallen, die men het meest bij de bijenhouders aantreft, bestaan uit
lage afdakken, welke aan de voorzijde 4 en aan de achterzijde 3 à 3 1/2
voet hoog zijn, terwijl de diepte 3 voet bedraagt. Van boven worden zij
met pannen gedekt, en de zij- en achterwanden worden met planken, stroo
of riet digtgemaakt; de voorzijde blijft geheel open. In deze stallen
plaatst men de woningen naast elkander op een planken vloer, die 1 voet
boven den grond ligt. Zij zijn zeer eenvoudig, maar hebben tegen zich,
dat men de stokken, alleen vóór den stand staande, kan behandelen,
hetgeen om verschillende redenen nadeelig is; bij de zamenstelling
wordt ook niet gezorgd, dat de voorzijde in den winter gesloten kan
worden, en het geheel is meestal ook niet volkomen digt gemaakt.
Mijne stallen zijn wel kostbaarder, doch zij beantwoorden ook veel
beter aan hunne bestemming. Zij zijn 30 voet lang, 3 1/2 voet diep, aan
de voorzijde 3 1/2 en aan de achterzijde 4 1/2 voet hoog, zoodat zij
vooraan, in eene daar aangebragte goot, afwateren. Voor den voorwand
neemt men als onderlegger eene rib van 4 duim breed en dik, en als
bovenlegger eene rib van 4 duim breed en 6 duim dik. Deze leggers
worden door zeven staande stijlen, van 4 duim breed en dik, met pen
en gat aan elkander verbonden. De stijlen worden op gelijke afstanden
van elkander geplaatst, zoodat men in den voorwand nu zes vakken
heeft, die met deuren gesloten worden. De sponningen, waarin deze
deuren rusten, verkrijgt men door aan de binnenzijde tegen de leggers
doorloopende latten, van 2 duim breed en 1 duim dik, te spijkeren,
die er 1 duim opliggen en er even zooveel overheen steken. Tusschen
deze latten worden op de stijlen strooken, van 6 duim breed en 1 duim
dik, bevestigd, zoodat zij er aan beide zijden 1 duim buiten komen;
(voor den eersten en den laatsten stijl, behoeft het maar eene lat
te zijn, als op de leggers, want zij moet daar maar aan een kant over
den stijl komen). Voor de deuren maakt men ramen, die in deze vakken
passen, van strooken duims hout, van 2 1/2 duim breed. Deze ramen
worden met stroo gevuld. Hiervoor spijkert men op de eene zijde, aan
weêrskanten strooken, van 3 duim breed en 3/4 duim dik, en tusschen
deze met gelijke tusschenruimten nog drie latten, die ook 3/4 duim
dik moeten zijn. Het raam wordt nu met stroo gevuld, dat bevestigd
wordt door de andere zijde evenzoo te bespijkeren, als met de eerste
geschied is. Daarna bepleistert men het stroo, tusschen de strooken,
met een mengsel van kalk, leem, zaagsel en koemest. De deuren zijn
aan de kanten nu 4 duim dik, en sluiten dus juist in de sponningen;
door vier wervels, die op de stijlen bevestigd zijn, zet men haar vast.
De achterwand wordt op dezelfde wijze gemaakt, als voor den voorwand
nu is opgegeven; de hoogte behoeft slechts 1 voet grooter genomen
te worden. Voor den bovenlegger kan men echter volstaan met eene
rib van 4 duim breed en dik; in den voorwand wordt de grootere dikte
vereischt, om plaats voor de goot te bekomen, zonder dat deze het uit-
en inzetten der deuren verhindert.
De zijwanden maakt men van over elkander gerabatteerde planken. Zij
worden aan de voor- en achterwanden bevestigd door middel van zware
ijzeren krammen, die in de uiteinden der leggers geslagen zijn, en
door openingen in de zijwanden zoover naar buiten komen, dat er daar
wiggen in gestoken kunnen worden.
Het dak wordt van planken gemaakt, die aan de achterzijde, voor
het inwateren, 4 duim uitsteken en op de bovenleggers der voor- en
achterwanden zijn bevestigd. Over de naden worden tengels gelegd. Dit
dak wordt nu nog met pannen gedekt, waarna men aan den voorkant eene
zinken goot aanbrengt. In fig. 10 ziet men een gedeelte van zulk een
stand afgebeeld, waarbij de pannen en de goot zijn weggelaten.
In plaats van de stroodeuren, die ik boven opgaf, kan men planken
deuren gebruiken. Deze zijn veel gemakkelijker te maken, doch zij doen
meer warmte verloren gaan, en zijn ook meer aan trekken onderhevig.
Zet men den geheelen stal, zooals hij hier beschreven werd, op eene
rollaag, dan zal de prijsverhooging ruim vergoed worden door de
grootere duurzaamheid, die hij daardoor verkrijgt.
In dezen stal zet ik eene losse stelling, waarop de woningen gezet
worden. Zij wordt gemaakt van twee ribben, van 4 duim breed en 6
duim dik, die op zes paar pooten rusten. Elk paar pooten wordt,
aan de onderzijde der ribben, aan elkander bevestigd, zoodat deze
binnenwerks overal 6 duim van elkander verwijderd zijn. De bovenkant
der stelling moet 1 voet boven den grond komen. Onder elken poot legt
men, voor het rotten en het in den grond zakken, een plaveisteen.
De Dzierzon'sche woningen kunnen onmiddellijk op deze stelling
geplaatst worden, doch de strookorven, die onderaan open zijn,
moeten op planken staan. In plaats van een doorloopenden, planken
vloer hiervoor te nemen, maak ik vierkante bladen, van 18 duim lang
en breed, die uit twee aan elkander geploegde duimsplanken bestaan,
welke aan de onderzijde door een klamp, van 6 duim breed, aan elkander
verbonden zijn. Deze klamp past nu tusschen de leggers der stelling,
zoodat men het blad daarover verschuiven kan, zonder dat het er af kan
vallen. Op de kop-einden der planken spijkert men, voor het trekken
en springen, nog eene duimslat. Iedere korf wordt nu op zulk eene
onderplank geplaatst. Dat elke korf zijne eigene onderplank heeft,
geeft gelegenheid, om den korf opligtende, de plank weg te nemen,
en er eene schoone voor in de plaats te leggen. De weggenomene wordt
nu schoon gemaakt en onder een volgenden korf gelegd; zoo voortgaande
kan men hen allen verschoonen.
De stal moet goed sluitend in elkander gemaakt zijn, zoodat er,
wanneer de deuren gesloten zijn, geen licht binnen kan dringen, al
wordt hij door de zon beschenen. Ook moet de warmte er zooveel mogelijk
in besloten blijven. In het voorjaar en den zomer worden de deuren in
den voorwand geopend. De behandeling der stokken geschiedt aan den
achterkant, waarvoor men dan eene deur uitneemt; van de omvliegende
bijen heeft men dan geen last, en staat haar ook niet in de vlugt. Er
kunnen twaalf Dzierzon'sche woningen of achttien strookorven in dezen
stal geplaatst worden. Zet men er meer in, dan komen de vlieggaten te
digt bijeen. Gedurende den winter kan men evenwel den stal geheel vol
plaatsen, wanneer men de overtollige woningen, bij de eerste vlugt
der bijen in het voorjaar, maar naar hare gewone plaats brengt.
Behoeft men geene kosten te ontzien dan is het verkieslijk zijne
stallen zoo groot te laten maken, dat men er in kan gaan om de stokken
te behandelen. De voorwand wordt dan eveneens gemaakt als boven gezegd
is, doch 6 voet hoog genomen en bovenaan 2 voet met planken gesloten,
opdat de zon niet op de woningen zou schijnen. De achterwand wordt
8 voet hoog genomen, en, even als de zijwanden, van over elkander
gerabatteerde planken gemaakt. De diepte neemt men zoo groot, dat
er achter de woningen nog eene ruimte van 4 voet vrij blijft, die
voldoende is voor alle werkzaamheden, welke aan de stokken verrigt
moeten worden. In den eenen zijwand maakt men eene deur en in den
achterwand twee of drie ramen, die met blinden gesloten worden. Het
is duidelijk dat deze stallen de voorkeur verdienen. In den winter kan
men een beter toezigt op zijne stokken hebben en naar zijne strengheid
de dekking wijzigen; de muizen worden gemakkelijker weggevangen; de
lucht kan in een oogenblik ververscht worden door 's avonds de deur
te openen; eindelijk kan men 's winters een groot aantal woningen
in de achterste ruimte plaatsen, daar men dan, niets in de stokken
te verrigten hebbende, slechts een gang noodig heeft waar men door
gaan kan.
De kosten, aan eene doelmatige inrigting der stallen besteed, brengen
hunne rente goed op, doordat het leven van een groot aantal bijen
gespaard wordt, die anders, onvoldoende voor de koude beschut,
omkomen. Wie er geen bezwaar in ziet, zijne bijen gedurende den
winter, aan zon en wind bloot te stellen, denkende dat het voldoende
is wanneer zij voor den regen beveiligd zijn, zal er de schouders
wel eens voor ophalen, dat ik zulke kostbare stallen opgeef; maar
hij kent de verliezen niet, die hij jaarlijks lijdt. Bij Dzierzon's
woningen is de invloed van zon en wind minder nadeelig dan bij de
korven, omdat de vlieggaten onder tegen den bodem geplaatst zijn en
door de schuifjes verkleind kunnen worden.
Nog zijn er bijenhouders, die het vroeger algemeen aangenomen gevoelen
voorstaan, dat de bijenstand op het zuiden moet staan. Zij verheugen
er zich over als zij, op het heetst van den dag, de korven geheel
door de zon beschenen zien, en denken dat hunne bijen uitmuntend
geplaatst zijn, terwijl zij, door de onlijdelijkste hitte gekweld,
het niet alleen in hare woningen niet kunnen uithouden, maar ook
veelal te afgemat zijn, om op de inzameling uit te gaan en dus
werkeloos voorliggen.
Het is moeijelijk bepaald aan te geven welke rigting voor den
bijenstand de beste is. Men bepaalt haar naar de plaats, welke
men beschikbaar heeft. Kan men hem alleen op het zuiden plaatsen,
dan moet men zorgen dat ten minste de bovenste helft der woningen,
en zoo mogelijk ook de vlieggaten, door boomen of andere opzettelijk
daartoe aangebragte voorwerpen beschaduwd worden. Men zal, wanneer
de zon midden op den dag boven op de woningen schijnt, vooral in
strookorven, niet zelden den bouw zien instorten.
Wanneer de stand op het zuidoosten staat, dan worden de woningen door
de morgenzon beschenen, waardoor de bijen reeds vroeg tot de vlugt
uitgelokt worden; terwijl de zon haar tegen elf ure grootendeels
verlaten zal hebben, en er dus geene te groote warmte in kan doen
ontstaan.
De in de laatste jaren genomen proeven hebben aangetoond dat eene
plaatsing tegen het noorden, die meestal voor bepaald ongeschikt
gehouden wordt, ook hare voordeelen heeft. Hoewel de stokken later op
den dag uitvliegen, en in het voorjaar ook later tot de broedaanzetting
overgaan, dan wanneer zij op het zuiden staan, en dus later dan in
dit geval, of wel in het geheel niet zwermen, zoo maakt hunne koelere
plaatsing dat de bijen door de drukkende hitte minder gekweld worden,
en dus ijveriger in hare uitvlugten zijn. Op het noorden geplaatste
stokken zijn dan ook in den regel rijker aan honig, dan die op het
zuiden gesteld zijn; terwijl het op een goed bezetten bijenstand eene
gewenschte zaak is, dat eenige stokken niet zwermen. Vreest men dat
zij dit toch, maar te laat, doen zouden, dan kan men, óf den zwerm op
den geschikten tijd kunstmatig afdrijven, óf het zwermen beletten. Ik
heb nu sedert drie jaar eene dubbele woning zoo geplaatst, dat de
eene stok naar het zuiden, de andere naar het noorden vliegt; deze won
het in honigrijkdom jaarlijks van genen en toch is hij in het zwermen
weinig later; bij heet weder is hij altijd moediger dan zijn buurman.
Nieuw opgezette zwermen moet men zoo mogelijk altijd op het noorden
plaatsen. Eene plaatsing op het zuiden kan toch zeer lastig zijn omdat
zij, door de hitte geplaagd, de hun aangewezen woning ligt verlaten,
of anders door de warmte te veel worden aangespoord, om zich op de
broedaanzetting toe te leggen, zoodat zij later maagdezwermen zouden
afgeven: dat dit niet wenschelijk is, zagen wij reeds. Men moet daarom
zijne zwermen, zoo zij niet dan op het zuiden geplaatst kunnen worden,
vooral goed beschaduwen.
Daar men uit het westen de meeste regenvlagen en stormwinden te wachten
heeft, zoo is de plaatsing op het westen het minst te verkiezen.
Vóór den bijenstal moet men eene ruimte, van minstens 15 voet,
vrij hebben. Zij moet met zand bestrooid worden, en er mag gras noch
onkruid groeijen, opdat men alles op den grond gemakkelijk zou kunnen
ontdekken; vooral of er ook afgestoken moederbijen uit de woningen
gedragen zijn, dat overtuigend bewijzen zou, dat er een moederlooze
stok was. Als het door de zon beschenen kan worden, dan is het zand
ook goed om de door de koude bevangen bijen, die er op vallen, door
de warmte weder te doen herleven en in hare woningen terugkeeren;
wanneer het niet verwarmd wordt, kan men de bijen toch opzamelen,
dat van een begroeiden grond niet geschieden kan; daarop moet men er
ook onvermijdelijk vele vertrappen.
Aan de zijkanten der stallen moeten rietmatten geplaatst worden,
om de woningen zooveel mogelijk voor den wind te beschutten; anders
konden toch de bijen door den wind nedergeslagen, of op vreemde
stokken geworpen worden.
De grond, waarop de stal staat, mag niet te vochtig zijn, daar
dit aanleiding zou geven tot het beschimmelen van den wasbouw. Het
moet zoo mogelijk vermeden worden, om hem in de nabijheid van een
breed water of van een straatweg te plaatsen. In het water zouden
bij sterken wind vele bijen omkomen, en bij strenge vorst zouden de
dreuningen, door de over den straatweg rijdende wagens veroorzaakt,
haar aanhoudend verontrusten. Daar de bijen een volstrekten afkeer
van rook hebben, mag hij niet in den omtrek van fabrijken, die veel
rook geven, geplaatst worden. Ook moet de nabijheid van hooge boomen
vermeden worden, want daarin zouden de zwermen zich aanleggen en
dus moeijelijk te bereiken zijn. Op een afstand van 20 tot 40 voet,
moeten zich, voor aanlegplaatsen der zwermen, eenige lage boomen en
struiken bevinden, waartoe vruchtboomen en kruisbessen het geschiktst
zijn. Vooral aan de laatsten leggen de zwermen gaarne aan, en in het
vroege voorjaar geven zij de bijen eene gezochte dragt.
Wanneer men zijn stand alleen op een onbeplant terrein kan plaatsen,
dan kan men de bijen toch geschikte aanlegplaatsen, in de nabijheid
der stokken bezorgen, door 20 á 40 voet voor den stand eenige staken,
van 6 tot 8 voet hoog, in den grond te planten en aan deze eenige
stukken eikenschors, van 2 voet lang en 1 voet breed, te hangen. Dit
doet men, door in de hoeken van de stukken schors gaten te maken,
waardoor men touwen steekt, die te zamen gebonden en aan den staak
bevestigd worden. Men moet zorgen dat de buitenzijde der schors naar
boven hangt. De zwermen leggen, bij gebrek van andere voorwerpen
ook daar aan, en men behoeft de stukken schors maar los te maken,
op den korf te leggen en er een slag op te geven, om de bijen daarin
te doen vallen. Maakt men de inrigting zoo, dat men hen kan laten
zakken, dan wordt het opvangen van de zwermen zeer eenvoudig. Ook
kan men op verschillende hoogten eenige oude korven ophangen, waarin
de zwermen gaarne aanleggen. Om hen naar die voorwerpen te lokken,
is het goed de schors van onderen, en de korven van binnen, nu en
dan met wat honig te bestrijken.