De ineenvoeging der zamenstellende deelen heeft bij de staande woning
op dezelfde wijze plaats, als voor de liggende is opgegeven. Men
geeft haar slechts ééne deur. In den wand, tegenover de deur gelegen,
wordt het vlieggat aangebragt, en even als de zijwanden, wordt hij
met stroo gevuld.
Inwendig is de staande woning 26 1/2 duim hoog, 9 1/2 duim breed
en 18 duim diep; (er wordt hier verondersteld dat de deur gesloten
is; daar deze 1 1/2 duim dik is, is de geopende woning 19 1/2 duim
diep). Er worden drie rijen staafjes ingeschoven: elke rij bevat er
12. De onderkanten van de groeven, voor de staafjes, liggen 8 1/4,
16 1/2 en 24 3/4 duim boven den bodem. Boven de bovenste rij staafjes
blijft er dus nog eene ruimte, van 1 1/2 duim, die dient om de staafjes
gemakkelijk in de groeven te kunnen schuiven. Eene afbeelding dezer
woning ziet men in fig. 8.
Wil men eene staande woning met een zwerm bezetten, dan schuift men,
in de beide onderste groeven, 5 of 6 staafjes, zet hier tegen een
verkleinplankje, eveneens ingerigt als boven is opgegeven, en legt
dekplankjes op de tweede rij staafjes. In het eerste jaar zal hij
aan deze 10 of 12 staafjes gewoonlijk genoeg hebben.
Wanneer de hem gegeven ruimte volbouwd is, geeft men hem toegang
tot het bovenste gedeelte der woning, de honigkamer. In de bovenste
groef schuift men ook staafjes, waaraan geheele wastafels, of strooken
daarvan zijn gehecht; hierop legt men dekplankjes, want de ruimte boven
deze staafjes mag niet bebouwd worden, daar dit het uitnemen der tafels
zou bemoeijelijken. De dekplankjes der tweede rij staafjes blijven
liggen, maar men stelt de honigkamer met het volbouwde gedeelte der
woning in gemeenschap, door tusschen de deur en het laatste dekplankje
eene reet van 1/2 duim te laten. Hierdoor moeten de bijen opklimmen;
zij zullen dit spoedig doen wanneer men de voorste wastafel, die
in de honigkamer hangt, zoo lang neemt dat zij voor de reet komt,
zonder deze echter te sluiten. In de honigkamer zullen de bijen nu den
zuiversten honig, vrij van bloemenstof, opleggen; ook zal er geen broed
in worden aangezet, daar de moederbij er zich zelden of nooit heen
zal begeven, omdat de toegang te ver van het broednest verwijderd is,
en het haar daar gewoonlijk ook te koud zijn zal. Mogt de koningin
zich echter ook daarheen begeven, dan moet men haar den toegang zoo
veel mogelijk beletten, door den bouw tot aan het broednest uit te
nemen en hiertegen een of twee verzegelde honigtafels te hangen,
daar de moederbij zich over deze tafels niet ligt heen begeven zal om
ledige cellen te zoeken. Voor de zekerheid kan men het verkleinplankje
nog tegen de verzegelde tafels zetten, de gaten in dit plankje een
weinig openende. Het ledige gedeelte der woning wordt nu weder,
tot aan de deur volgehangen. Mogt eene zeer vruchtbare moederbij,
ondanks deze voorzorgen, toch in de honigkamer opklimmen, dan moet
men de broedaanzetting onmogelijk maken, door haar eenigen tijd in
een moederhuisje op te sluiten.
Tegen den winter moet men de honigkamer geheel ledig maken en haar
met stroo, mos of een kussen aanvullen, na de reten naauwkeurig
digtgemaakt te hebben. Deed men dit niet, men zou gevaar loopen dat
de waterdamp, die gedurende den zit der bijen gevormd wordt, naar
boven trok, waardoor zij geen water zouden kunnen bekomen, om haar
te dik voedsel te verdunnen: te midden van haar voorraad moesten zij
dan den hongerdood sterven!
Ook de ruimte, tusschen de deur en het verkleinplankje, wordt tegen
den winter met stroo of mos gevuld. Zij moet ten minste drie duim
diep zijn. Is de bouw te groot, zoodat deze ruimte kleiner is,
dan neemt men een of meer tafels uit elke rij weg, waardoor het
verkleinplankje dieper geschoven kan worden. In het voorjaar geeft
men haar de weggenomen tafels terug.
Men moet het verkleinplankje in den winter niet tegen het broednest
laten staan, maar er gevulde of ledige tafels tusschen hangen, daar
dit den bouw warmer maakt.
Bevindt men in het voorjaar, na de eerste vlugt der bijen, dat de
vulling nat of schimmelachtig is geworden, dan neemt men deze weg
en geeft haar eene nieuwe; had men kussens gebruikt dan laat men
die droogen.