Voor de zijwanden der liggende woning maakt men, op boven gezegde
wijze, twee bladen, die, bij eene lengte van 15 1/2 duim, eene
breedte van 30 duim bezitten. Men moet zorgen dat eene der zijden
van elk derzelve, die de binnenwanden der woning moeten vormen, goed
vlak geschaafd zijn, daar deze wanden evenwijdig wezen moeten. Aan
die zijden schaaft men aan weêrskanten eene sponning, van 1 1/2 duim
breed en ruim 1/4 duim diep, waarin de deuren moeten rusten. Bij e,
f, g en h, fig. 3, ziet men de deuren i en k in doorsnede, in die
sponningen rustende, terwijl dat eene daarvan gezien wordt bij ik,
fig. 4, en eene bij rs, fig. 5.
Vervolgens maakt men, aan dezelfde zijden dezer bladen, 12 1/4 duim van
den onderkant, eene groef, van 1/4 duim diep en ruim 1/4 duim breed,
(zie lm, fig. 4 en tu, fig. 5,) zoodat zij, de bladen op elkander
liggende, elkander volkomen bedekken. Die groeven moeten dienen om
er de staafjes in te schuiven.
In het midden, van een dezer zijstukken, wordt nu, 1 1/4 duim van den
onderkant, eene opening voor het vlieggat, (no, fig. 4) gemaakt. Voor
het gemak en de netheid maak ik voor deze gaten kokertjes, door
tusschen twee plankjes van 5 duim breed en 1/2 duim dik, aan beide
zijden latjes te spijkeren, van 1/2 duim breed en 3/8 duim dik,
waardoor dan een koker (fig. 6) ontstaat, die inwendig 4 duim breed
en 3/8 duim hoog is, waar ik nu stukjes afzaag, welker lengte gelijk
is aan de dikte van den zijwand. Deze kokertjes moeten aldus in het
zijstuk gebragt worden, dat de opening in het midden der breedte en
haar onderkant 1 1/4 duim boven den onderrand komt te liggen.
Voor de boven- en onderwanden maakt men bladen, van 17 1/2 duim lang
en 30 duim breed, schaaft aan de zijden, die de binnenkanten moeten
vormen, op gelijke afstanden van de uiteinden, groeven van 1/4 duim
diep en 3/4 duim breed, welker binnenranden juist 9 1/2 duim van
elkander verwijderd moeten zijn. In fig. 4 zijn deze groeven aangeduid
door de letters p, q, r en s en in fig. 5 door v, w, x en y.
De zijwanden worden nu in deze groeven van de boven- en onderwanden
geschoven en met spijkers daarin bevestigd. Aan de kanten, waar
de deuren moeten komen, zet ik, voor het afwijken, gewoonlijk eene
houtschroef. Men vult daarna de zijwanden op de vroeger omschreven
wijze en maakt in de onderste lijst, die het vulsel bedekt,
eene opening, waardoor het kokertje voor het vlieggat, gestoken
kan worden; maakt dit er in vast en brengt aan de buitenzijde een
zinken schuifje voor hetzelve. Nu wordt onder het vlieggat nog een
vliegplankje gemaakt, dat 2 duim breed en 6 duim lang is. Het moet
zoo aangebragt worden, dat de bovenkant gelijk komt met de onderzijde
van het vlieggat, opdat de te huis komende bijen, na zich op dit
plankje nedergezet te hebben, ongehinderd kunnen binnengaan en niet
behoeven te klimmen. Naar buiten moet het eenigzins afhangen om den
regen te doen afloopen. Bij het vervoeren is het zeer gemakkelijk,
als de vliegplankjes van de woningen genomen kunnen worden. Zij
nemen daardoor minder plaats in, en het gebeurt ook dikwijls, dat
deze plankjes er afbreken. Een vliegplankje ziet men bij t, fig. 4,
een zinken schuifje bij z, fig. 5.
Voor de schuifjes neemt men stukjes zink, van 7 duim lang en 1 1/4
duim breed; maakt 3/4 duim van de uiteinden, bij a', b', c' en d',
fig. 5, insnijdingen van 3/16 duim diep en vouwt de gedeelten a'b'
en c'd' om. Wil men dit netjes doen, zonder gevaar van scheuren te
hebben, dan moet men het zink warm maken; het laat zich dan nagenoeg
even gemakkelijk buigen als lood. Men maakt nu tusschen de omgevouwen
randen eene opening, van 4 duim lang en 3/8 duim hoog, en maakt twee
schuifjes, l' en m', om deze te sluiten. Hiervoor zijn twee schuifjes
noodig, omdat, bij het vergrooten en verkleinen van het vlieggat,
de opening steeds in het midden moet blijven. De schuifjes moeten aan
het uiteinde, bij l' en m', kokervormig opgerold worden; behalve voor
het aanvatten bij het openen en sluiten, dient dat kokertje nog om,
bij het vervoeren der woning, de schuifjes aan elkander te binden,
om het openvallen te beletten.
Aan de woning ontbreken nu nog maar de deuren. Deze ziet men in
doorsnede bij i en k, fig. 3; terwijl dat in fig. 5 de deur e'f',
op eenigen afstand der woning, afgebeeld is. Zij worden gemaakt van
dwars over elkander liggende plankjes, waardoor het krom trekken
voorkomen wordt. Op de omschreven wijze maakt men twee bladen,
het eene lang 10 en breed 15 duim, het andere omgekeerd lang 15 en
breed 10 duim, en lijmt en spijkert, terwijl de lijm nog versch is,
deze bladen op elkander.
Het is goed eene opening, van 4 duim breed en 10 à 12 duim hoog, in
het midden der deuren te maken. Men zaagt deze openingen dan in de
bladen, voor dat zij op elkander gebragt worden en legt daar tusschen
een traliewerk van dun ijzerdraad, dat haar overspant, waarna zij
aaneen gehecht worden. Het traliewerk moet dan aan beide zijden door
blindjes, g'h' fig. 5, van 3/4 duim dik, gesloten worden, om er de
bijen en de buitenlucht af te houden. De blindjes moeten goed sluiten,
zoodat er geene reten open blijven, waardoor licht in de woning zou
kunnen vallen. Door vier wervels worden deze blindjes vastgezet; die
aan de binnenzijde der deur worden van bandijzer gemaakt; zij zijn dan
plat en staan dus niet in den weg; de buitenste kunnen van hout zijn.
Deze luchtgaten zijn zeer gemakkelijk voor hen, die met de bijen
reizen. Men neemt het binnenste blindje weg en sluit, nadat de bijen
te huis gekomen zijn, het vlieggat, bindt dit toe en neemt nu ook
het buitenste blindje weg; de woning kan dan vervoerd worden, zonder
dat er eenig gevaar bestaat dat de bijen stikken. Op de plaats zijner
bestemming aangekomen, opent men het vlieggat en zet, nadat de bijen
een paar uren gevlogen hebben, de blindjes weder in de deuren; alles
is nu weder in den gewonen toestand.
Al trekt men niet met zijne bijen, toch zijn de luchtgaten zeer nuttig
om haar, bij zeer heet weder, versche lucht te doen bekomen. Men
zet die gedurende den nacht open en kan dit, op zeer heete dagen,
ook overdag doen, wanneer men er maar een kleedje voor hangt, om
het licht buiten te sluiten; er zal dan een weldadige trek op het
vlieggat ontstaan. Door het aanbrengen van verkoeling, bewijst men dan
de bijen eene groote dienst, en zij worden er tevens ijveriger door.
De ringen i' en k', fig. 5, dienen om de deur gemakkelijk te kunnen
aanvatten. Maakt men er geene luchtgaten in, dan is het voldoende één
ring, in het midden der breedte en op 2/3 der hoogte, aan te brengen.
Om het krom trekken der deuren nog meer tegen te gaan, maak ik daarvoor
een raam van vier strooken, dat buitenwerks 15 duim hoog en 10 duim
breed is. Aan eene zijde worden hierop dunne plankjes gespijkerd, die
de binnenzijde der deur vormen, waarna de ingesloten ruimte met stroo
wordt gevuld, dat met drie lijsten bevestigd en daarna bepleisterd
wordt, zooals dit voor de zijwanden is gezegd. Luchtgaten worden er
niet in gemaakt. De breedte der strooken wordt zoo groot genomen,
dat zij, nadat de plankjes er opgespijkerd zijn, de deur eene dikte
van 1 1/2 duim geven.
Door vier wervels, u, v, w en x fig. 4, wordt de deur in de woning
bevestigd; al weder om haar vlak te doen blijven.
Wij hebben nu de zamenstelling van eene woning leeren kennen, en willen
haar van binnen bezien. Zij zal daar eene hoogte van 15, eene breedte
van 9 1/2 en eene diepte van 27 duim hebben; 12 duim boven den bodem
zal aan weêrskanten in den zijwand eene groef, van 1/4 duim diep en
ruim zoo breed zijn, waarin dus 18 staafjes kunnen geschoven worden
(zie fig. 3, 4 en 5). Wilde men er nu een zwerm in plaatsen, de woning
zou veel te groot zijn; hij kon haar in het eerste jaar onmogelijk
vol bouwen en zou er dus geen geschikt verblijf in hebben. Men moet
haar dus kunnen verkleinen. Hiervoor bezigt men een verkleinplankje
(fig. 7) dat, zonder groote reten open te laten, gemakkelijk in
de woning geschoven moet kunnen worden. In dit plankje boort men
vier ronde gaten, a, b, f en g, van 1 duim middellijn, waarvan de
middelpunten 2 duim van de zijwanden verwijderd zijn, terwijl zij
voor de beide onderste, a en b, 3 en voor de beide bovenste, f en g,
10 duim boven den onderkant moeten liggen. Over deze gaten brengt
men strookjes, cd en hi, van 1 1/2 duim breed en bevestigt deze in
hun midden, bij e en k, met een spijker, waarom zij, als een wervel
draaijen kunnen. De gaten kunnen dan gesloten of zoo ver geopend
worden, als men verlangt. De lengte der strooken moet zoo groot zijn,
dat de gaten gesloten zijnde, de beide uiteinden tegen de wanden der
woning klemmen, waardoor het plankje vast staat.
Men schuift het verkleinplankje tot eene diepte van 9 duim in de woning
en bevestigt het zoo, dat het niet kan omvallen, maar toch gemakkelijk
kan worden uitgenomen. Daar de wervels geopend moeten worden, zet
men het voor de zekerheid met een paar wiggen vast. De openingen, die
aan weêrskanten daarvan door de groeven, die het vrijlaat, ontstaan,
worden met mos digt gestopt, om de afgesloten ruimte voor de bijen
vooreerst ontoegankelijk te maken. Dit afgezonderd gedeelte der
woning heet honig-kamer of magazijn. In het eerste jaar hebben zij
het niet noodig en men kan het dan geheel met mos vullen; doch in het
tweede jaar, wanneer het andere gedeelte der woning volgebouwd is en
de dragt nog niet heeft opgehouden, geeft men haar den toegang tot
de honig-kamer, door de wervels zoover om te draaijen, dat van elk
der gaten een gedeelte vrij wordt, waar juist ééne werkbij door kan,
doch dat te klein is, om de moederbij of de hommels door te laten. Men
schuift er dan zes staafjes, waaraan wastafels bevestigd zijn, in. De
bijen zullen de haar aangeboden ruimte dadelijk in bezit nemen en er,
indien de dragt blijft aanhouden, den zuiversten honig opleggen;
want zij dragen er geen bloemenstof in, en er zal geen broed in
worden aangezet, wanneer men de koningin belet heeft zich er in
te begeven. Wanneer de dragt zoo ruim is, dat ook dit magazijn is
volgedragen, dan ontneemt men haar eenige volle tafels en hangt er
ledige voor in de plaats. Bij gebrek aan heele, ledige wastafels,
kan men er ook strooken van aan de staafjes bevestigen.
De ruimte, die men aan de andere zijde der woning nu nog heeft, is
vooreerst voor een zwerm nog te groot, en ook deze moet verkleind
kunnen worden. Men maakt daarvoor een dergelijk plankje als het
andere, doch zooveel lager, dat het slechts tot aan de groef, waarin
de staafjes geschoven worden, reikt. Op de bovenzijde wordt nu een
gewoon staafje zoo bevestigd, dat de uiteinden aan beide zijden even
ver oversteken en dat dus in de groeven sluitende, het plankje belet
om te vallen, en gelegenheid geeft het naar willekeur te verschuiven.
Men is nu in staat de grootte der woning, naar de sterkte van den
zwerm, te wijzigen, doch moet de bijen ook beletten zich naar de
ruimte, boven de staafjes, te begeven. Deze dient alleen om haar te
voêren, om in den winter met mos gevuld te worden en om de behandeling
der staafjes gemakkelijk te maken. De afsluiting dezer ruimte geschiedt
met plankjes, van 1/2 duim dik, 9 1/4 duim lang en 2 7/8 duim breed,
die overlangs en ook dwars op de staafjes gelegd kunnen worden en
in beide gevallen, zonder te klemmen, alle openingen kunnen sluiten;
want de naden, die zij aan de kanten openlaten, worden door de staafjes
zelve gesloten.
In bovenstaande beschrijving heb ik mij, wat vorm en afmetingen
aangaat, geheel aan Dzierzon gehouden. In zulk eene woning worden
tafels gebouwd, die bijna 12 duim hoog zijn, dat door velen en ook door
mij, voor gevaarlijk en moeijelijk in de behandeling wordt gehouden:
met honig of broed gevuld zijnde, verkrijgen zij toch eene aanzienlijke
zwaarte en breken daarom ligt af. Hoewel nu Dzierzon teregt zegt,
dat het minder gunstig is, om op de halve hoogte nog eene tweede
rij staafjes aan te brengen, omdat de bijen, op deze stuitende, een
beletsel ondervinden, dat haar eenigen tijd met bouwen doet ophouden,
toch zijn de meesten er voor, om de tafels minder groot te laten
bouwen. De zamenstelling der woning ondergaat dan eenige wijziging;
De inwendige hoogte wordt 19 duim genomen, terwijl men de buitenlengte
tot 28 duim vermindert; 16 duim boven den bodem wordt nu eene groef
en midden tusschen deze en den bodem eene tweede groef gemaakt,
zoodat nu twee rijen staafjes boven elkander komen, waaraan tafels,
van 9 1/2 duim breed en nog geen 8 duim hoog, gebouwd worden, die
zich bij eenige oplettendheid goed laten behandelen.
De liggende woningen zijn zeer geschikt om tegen, en op elkander
geplaatst te worden, waardoor zij elkander onderling verwarmen. Men
bekleedt dan één der zijwanden niet met stroo, doch maakt hem van
een plank, van 1 duim dik, waarover de boven- en onderwanden niet
moeten uitsteken. Twee dezer woningen worden nu, met deze zijwanden,
tegen elkander geschoven; twee andere worden er dwars op geplaatst,
en op dezelfde wijze zet men er hierop nog twee, die nu weder even
als de onderste staan. Een klein planken dak, zoo laag mogelijk,
kan haar voor den regen bewaren. Op eene zeer kleine ruimte staan nu
zes stokken, die weinig van de winterkoude te lijden hebben. Om den
kouden wind niet tusschen de tegen elkander staande zijwanden te doen
spelen, worden de naden tegen den winter, met mos digt gestopt. In
den zomer daarentegen schuift men de woningen een weinig van elkander,
daar eenige afkoeling dan wenschelijk is. Uit aldus te zamen gevoegde
woningen, vliegen de bijen naar alle windstreken; de ondervinding
heeft mij geleerd dat hiertegen geen bezwaar is.