Deze tweede afdeeling, waarin meer bepaald de teelt der bijen zal
behandeld worden, wil ik aanvangen met het beschrijven der woningen. Ik
zal mij daarbij bepalen tot de Dzierzon'sche; want wilde ik, van
alle vroeger en thans nog in gebruik zijnde woningen, de inrigting
opgeven, dan zou ik mijn bestek ver te buiten gaan; daarenboven zou
dit nutteloos zijn, daar er in onze taal verscheidene werken zijn,
waarin zij goed beschreven worden. [11]
Men heeft reeds sedert eeuwen ingezien, dat de gewone bijenkorven
veel te wenschen overlaten: in den bouw kan men niet zien en meest
alles is van het toeval afhankelijk; de willekeur der bijen kan men
niet behoorlijk tegengaan en aan zijn wil onderwerpen. Men trachtte
daarom steeds betere en meer geschikte woningen uit te denken,
maar die, welke men te voorschijn bragt, beantwoordden niet aan het
oogmerk. Zij waren zeer zamengesteld, hoog in prijs en moeijelijk
en omslagtig in de behandeling: men stelde haar daarom ter zijde en
gebruikte weder strookorven.
De oude Grieken gebruikten reeds woningen met lossen bouw, doch zij
waren ondoelmatig en vonden geene navolging. De eerste, die er in
geslaagd is om de bijenteelt met eenig goed gevolg in zulke woningen te
beoefenen, was Frans Huber, een Fransch bijenvriend, die in de tweede
helft der vorige eeuw leefde. Hij werd op eene zeer eenvoudige wijze
tot hare zamenstelling gebragt. Voor zijne waarnemingen omtrent het
leven der bijen, gebruikte hij zeer ondiepe kasten, die slechts eene
tafel konden bevatten, en waarin hij dus de bijen aan beide kanten,
in al haar doen kon bespieden. Van deze kasten, welke ieder een los
raampje bevatteden, waarin de tafels gebouwd moesten worden, plaatste
hij er eenige tegen elkander, vereenigde die door ijzeren stangen met
schroeven, en verkreeg daardoor eene woning, uit kleinere te zamen
gevoegd, die naar willekeur kon worden uit elkander genomen. Hij
noemde haar blad- of boek-woning, omdat men haar, even als een boek,
kon openen en bezien. Al gaf zij gelegenheid om den bouw uiteen te
nemen en weder zamen te voegen, waarvan men het nut erkende, voor
algemeen gebruik was zij te kostbaar en te omslagtig, en werd daarom
bijna geheel der vergetelheid prijs gegeven.
Aan Dzierzon komt de eer toe de teelt der bijen, in woningen met lossen
bouw, gemakkelijk en voor iedereen uitvoerbaar gemaakt te hebben,
en hoewel zijne woningen nog wel voor verbetering vatbaar zullen
zijn, vergeten zullen zij nooit worden. Het eerst maakte hij die
bekend in de Bienenzeitung voor 1845, No. 12, na haar reeds geruimen
tijd, onder toepassing van zijne theorie, op zijn stand gebruikt te
hebben. Later maakte hij haar, door verscheidene afzonderlijke werken,
meer algemeen, zooals in zijne: "Theorie und Praxis," "Nachtrage zur
Theorie und Praxis" en "Bienenfreund aus Schlesiën."
Bij de vervaardiging zijner woningen, ging hij van het beginsel
uit, dat zij slechts uit ééne kast moesten bestaan, waarin de bouw
gemakkelijk uiteen genomen, en zonder hem te beschadigen, weder in
elkander gevoegd of in eene andere woning overgeplaatst kon worden. Dit
doel heeft hij volkomen bereikt, en zijne woningen bevelen zich als
van zelven aan, aan allen, die slechts willen zien en met oordeel
nadenken. Zij vinden dan ook, niet slechts in geheel Duitschland,
maar ook in vele andere landen, meer en meer navolging, en op vele
bijenstanden hebben zij alle andere woningen geheel verdrongen.
Deze woningen en de toevallige invoering der Italiaansche bijen,
hebben in de laatste tien jaren meer omtrent de huishouding der bijen
aan het licht gebragt, dan alle vroegere eeuwen te zamen, en tevens
doen zien, dat een aantal der vroeger als goed erkende leerstellingen,
slechts fabels waren.
Dzierzon geeft twee soorten van woningen op, te weten: liggende,
waarbij de lengte grooter is dan de hoogte, en staande, waarbij in
tegendeel de hoogte de lengte overtreft. De ondervinding heeft geleerd
dat de liggende het honigwinnen meer bevorderen, terwijl de staande
het broedaanzetten meer begunstigen, daar er eene meer gelijkmatige
warmte in heerscht.
Wegens de ruimere honigopbrengst zou dus de liggende woning te
verkiezen zijn; doch in eene andere, zeer belangrijke zaak, staan zij
weder ver achter de staande: de overwintering is toch in deze veel
gemakkelijker; want in de liggende woningen hebben de bijen te weinig
honig boven zich, zoodat zij in strenge winters de meer afgelegen
tafels niet kunnen bereiken. Thans geeft men vrij algemeen de voorkeur
aan woningen, die tusschen de liggende en de staande invallen.
Voor ik tot de beschrijving der woningen, van welke thans reeds zoo
vele soorten bestaan, dat ik slechts de voornaamste behandelen kan,
overga, moet ik de opmerking maken dat, welke afmetingen men zijne
woningen ook geven wil, de breedte van allen volkomen dezelfde moet
zijn. Voor den inwendigen afstand der zijwanden moet men dus eene
bestendige maat kiezen. Deed men dit niet, men zou woningen met lossen
bouw hebben, en de voornaamste van hare voordeelen missen! De staafjes,
waaraan de bouw hangt, zouden verschillende lengten moeten hebben,
en konden dus niet uit de eene woning in de andere geplaatst worden.
De ondervinding heeft mij geleerd, dat breede woningen moeijelijk te
behandelen zijn. Den inwendigen afstand der zijwanden van allen, die ik
beschrijven zal, stel ik op 9 1/2 Rhijnl. duim. De staafjes, waaraan de
tafels gebouwd moeten worden, zullen dan 9 7/8 duim lang moeten zijn,
omdat zij in de zijwanden in groeven, van 1/4 duim diep, gemakkelijk
geschoven moeten kunnen worden, zonder dat zij daarin kunnen klemmen
of er uit vallen. Eene afbeelding van een staafje ziet men in fig. 1.
Men maakt hen van eene soort van hout, dat niet splinterachtig
is; ik neem er olmen voor. In een latje, van ruim 1/4 duim dik,
bij eene lengte ab, van 9 7/8 en eene breedte ac, van 1 1/2 duim,
worden, 1 duim van de uiteinden, bij e, f, g en h, insnijdingen,
van 1/4 duim diep, gemaakt, en het hout daar tusschen weggestoken,
zoodat het gedeelte efgh van het staafje 1 duim breed is, terwijl de
verbreeding aan de uiteinden, aan weêrskanten 1/4 duim zijnde, er bij
het tegen elkander schuiven der staafjes in het midden eene ruimte
van 1/2 duim vrij blijft; (zie fig. 3, die eene woning voorstelt,
waar men bovenin ziet, nadat de bovenwand er afgenomen is).
Het is een bepaald vereischte dat de staafjes de afmetingen hebben,
die ik hier opgeef; want de bijen geven de wastafels eene breedte
van 1 duim, en laten tusschen elke twee tafels eene ruimte van 1/2
duim vrij (zie bladz. 46); was de tusschenruimte der staafjes te
klein, zij zouden de tafels aan elkander bouwen; was zij te groot,
zij zouden er kleine tafels tusschen brengen, en de uitneembaarheid
van den bouw zou in beide gevallen verloren gaan. Op de staafjes en
hare plaatsing berust de geheele Dzierzon'sche methode.
Om de staafjes spoedig en goed te maken, zaagt men van eene olmen
plank, van 1 1/2 duim dik, stukken af, fig. 2, die de lengte ab der
staafjes hebben; 1 duim van de uiteinden maakt men, aan eene der
zijden, zaagsneden gi en hk, van 1/4 duim diep, schaaft het hout
tusschen deze zaagsneden vlak weg, en bewerkt daarna de andere zijde
der plank eveneens. Men zaagt er nu plaatjes van 3/8 duim dik af, die,
opgeschaafd zijnde, dus ruim 1/4 duim dik en allen van gelijken vorm
zijn zullen. Men moet hen slechts aan eene zijde glad schaven; want
de aanhechting der wastafels geschiedt gemakkelijker en beter aan eene
ruwe oppervlakte: zij worden dus aan de ongeschaafde zijde bevestigd.
De woningen worden vervaardigd van planken, van 3/4 duim dik, die
behoorlijk aan elkander geploegd en gelijmd moeten worden. Men zaagt
eenige stukken af op de lengte, die de wand hebben moet, zaagt deze
daarna op het hart door, om het krom trekken te voorkomen, en ploegt
van de verkregene plankjes er zoovele aan elkander, dat men een blad
van de vereischte breedte verkrijgt. De voegen moeten, opdat zij niet
open zouden trekken, gelijmd worden. Daartoe moet eene lijm gebezigd
worden, die tegen water bestand is; want vooral in den winter, is in
sterk bevolkte woningen veel waterdamp aanwezig. Men gebruikt daarvoor
versch gestremde melk, met gestampte en gezifte, ongebluschte kalk
vermengd, welk mengsel eene taaije pap zal vormen; hiermede worden
de voegen aan een gelijmd, waarna men het blad, gedurende een paar
dagen, tegen elkander geklemd, te droogen legt. Is de lijm goed droog,
dan wordt het blad vlak geschaafd.
De bodem en bovenwand der woning (zie fig. 4) worden zoo lang genomen,
dat de uiteinden aan weêrskanten 3 à 4 duim over den zijwand uitsteken;
in onze figuur ziet men de stukken ae, bf, cg en dh. Op de kanten der
zijwanden worden dan stukken abfe en cdhg, welker breedte gelijk is
aan de buiten uitstekende gedeelten van den bodem en den bovenwand,
bevestigd. Aan de achterzijde der woning, die hier onzigtbaar is,
worden eveneens dergelijke strooken aangebragt. In fig. 3 ziet men
haar in doorsnede; a, b, c en d zijn de vier strooken, ef en gh
de zijwanden.
Aan de buitenzijde der woning verkrijgt men nu eene ingesloten ruimte,
die boven- en onderaan begrensd wordt door de uitstekende gedeelten
van den boven- en onderwand, aan de zijden door de daar aangebragte
strooken en achter-aan door den zijwand. Die ruimte wordt opgevuld
met stroo of mos, dat voor de netheid nog met riet bedekt kan worden,
waarna men het vulsel bevestigt, door drie of vier houten lijsten,
(efgh, iklm en nopq, fig. 5,) die op de zijwanden gespijkerd worden;
om het opbuigen te voorkomen, vereenigt men haar in het midden door
een enkelen spijker met den binnenwand.
Het opvulsel moet niet te los zijn, doch ook niet met geweld aangedrukt
worden; de lijsten moeten het behoorlijk kunnen tegenhouden.
Men verkrijgt op deze wijze zijwanden, die de warmte zeer moeijelijk
geleiden en die daarom, in den winter, het ontwijken der inwendige
warmte en, in den zomer, eene te sterke verhitting tegengaan.
Ter voorkoming van het vezelen van het riet en het indringen van
muizen, wordt het vulsel, nadat de woning voltooid is, tusschen de
houten lijsten bepleisterd, met een mengsel, bestaande uit koemest
en gezifte asch. Het aanzien verbetert hierdoor ook.
Om het opvullen gemakkelijker te maken, bedient men zich van stroo-
of riet-matjes, die men eveneens vervaardigt, als de dekmatten der
tuinlieden. Het onderste gedeelte der op te vullen ruimte wordt dan
met los stroo gevuld, hierop een matje gelegd en dit met de lijsten
nedergedrukt.
Wanneer men het uiterlijk aanzien der woningen bevallig wil maken,
en zich daarvoor eene kleine verhooging in prijs getroosten, dan kan
men het opvulsel ook bedekken met over elkander gespijkerde, dunne
plankjes (zie fig. 4). Dit is ook goed voor het behoud der woning,
omdat alle regen goed kan afloopen, waardoor het vulsel geheel droog
blijft. Eigenlijk wordt de geringe prijsverhooging aanmerkelijk
opgewogen, door het voordeel dezer bekleeding; ik heb haar daarom
dit jaar bij al mijne nieuw gemaakte woningen aangebragt.