DUBBELZWERMEN.

Dubbelzwermen noemt men die, welke door vereeniging van twee of

meer zwermen zijn ontstaan. Die vereeniging kan vrijwillig zijn;

want op een sterk bezetten bijenstand kan het dikwijls gebeuren,

dat van twee of meer stokken gelijktijdig zwermen afvliegen, en dat

deze afzonderlijke zwermen zich, al vliegende, bij elkander voegen

en zich als één zwerm aanleggen.

Heeft er eene vereeniging van nazwermen plaats, dan is dat eene

gewenschte zaak; zijn het daarentegen voorzwermen, die zich bij

elkander voegen, dan moet men hen weder van elkander scheiden, omdat

elke moederbij met haar volk dan een goeden stok kan vormen.

Dit afscheiden geschiedt door, op eene beschaduwde plaats, een witten

doek uit te spreiden en daarop zoo veel ledige korven te plaatsen, als

men denkt dat er zwermen zijn, onder elken korf een steentje of iets

dergelijks leggende, zoodat hij aan den eenen kant op den doek rust,

terwijl er aan den anderen eene opening, ter breedte van een vinger,

tusschen hem en den doek blijft. Nu maakt men de in een korf geschepte

zwermen, een weinig nat en stort hen op den doek uit. De bijen zullen

hierover beginnen te loopen en men leidt haar daarbij naar een der

korven: deze rigting eenmaal aangenomen hebbende, zullen zij elkander

als eene kudde schapen volgen en den korf binnen trekken. Men geeft nu

acht of men ook moederbijen ziet, en deze bemerkende, plaatst men er

terstond een glas overheen, steekt een blikken plaatje tusschen den

doek en het glas en zet dit ter zijde. Zoodra men denkt dat in een

korf genoeg bijen zijn gegaan, neemt men hem weg en leidt de bijen

naar een anderen, steeds acht gevende op de moederbijen. Heeft men

op deze wijze de moederbijen afgevangen, dan verdeelt men de bijen

in zoovele korven als er koninginnen zijn en plaatst deze elk in een

moederhuisje. Het zou kunnen gebeuren dat men eene of meer moederbijen

over het hoofd gezien had, en deze dus met de bijen in de korven

waren getrokken. Dit zal men spoedig ontdekken aan de rustige houding,

die de bijen in zulk een korf zullen aannemen, in tegenstelling van

die, welke moederloos zijn. Men kan verzekerd zijn dat een zwerm van

eene moederbij voorzien is, wanneer de bijen, na een half uur in den

korf geweest te zijn, rustig blijven en zich boven in tot een digten

tros vereenigen. Die, welke moederloos zijn, zullen onrustig worden,

heen en weder loopen en den korf weder beginnen te verlaten. Aan

deze geeft men, zoo spoedig mogelijk, eene der koninginnen (doch

laat haar in het huisje besloten) waarna zij zich terstond bevredigd

zullen toonen, door de gevangen moederbij te omringen, zich als een

tros er om heen verzamelende. Men moet zooveel mogelijk zorgen dat

er geen twee koninginnen in een korf komen, want eene derzelve zou

zeker worden afgestoken, terwijl ook de andere gevaar zou loopen

van te worden beschadigd en men dus beide kon verliezen. Heeft men

eene of meer moederbijen overgehouden, dan moet men uit elken korf

wat bijen scheppen, zoodat men voor elk van haar nog eene voldoende

hoeveelheid bijen bekomt. Voor het geval, dat dit terugscheppen

noodig was, is het dat men de koninginnen in de moederhuisjes moet

laten blijven; men zou toch anders gevaar loopen ook de moederbij

terug te nemen. Wanneer eindelijk alle korven in orde zijn, dan zet

men hen op de bestemde plaats of doet de bijen aldaar in die woning,

waarin men haar wenscht te houden, en laat daarna de koninginnen los.

Op sterk bezette bijenstanden vliegen soms, van tien tot twintig

stokken te gelijk, zwermen af, die allen ondereen op één hoop

vallen. In zulk een geval is het ondoenlijk hen op de voorgaande

wijze te scheiden. Men schept dan de bijen in eenige korven, zoodat

elk daarvan een genoegzaam aantal krijgt, en zet deze op eenigen

afstand van elkander neder. Die korven, waarin geene moederbij is,

zullen de bijen spoedig verlaten en zich dan gewoonlijk over de andere

verdeelen; terwijl dat in die korven, waar er meer dan ééne in gekomen

is, de overtollige gedood zullen worden. [9]

Men kan ook de geheele bijenmassa in eene groote kuip scheppen, in

deze eenige houten staven in het rond zetten, haar dan met een luchtig

kleed goed digt dekken, en tot den volgenden morgen rustig laten

staan. Gedurende den nacht zullen de zwermen zich grootendeels van

elkander gescheiden, en zich ieder om eene staaf gehangen hebben. Men

neemt nu elken zwerm, aan de staaf gehecht, uit de kuip en doet hem

in de voor hem bestemde woning.

De vereeniging van zwermen kan ook door den eigenaar bewerkstelligd

worden, om van eenige kleine nazwermen, een volkrijken daar te

stellen. Men moet intusschen wel in aanmerking nemen, dat men voor-

en na-zwermen slechts met groot gevaar met elkander vereenigen kan;

want zwermen met bevruchte en onbevruchte moederbijen zijn elkanders

doodsvijanden. Bij de vereeniging zou juist de bevruchte moederbij,

de traagste zijnde, het meest gevaar loopen om te komen. Ook zouden

de werkbijen elkander bij duizenden afsteken. Wilde men hen daarom

volstrekt bij elkander plaatsen, dan zou men de jonge moederbij uit

den nazwerm moeten vangen, en de bijen zeer sterk met muskuswater

[10] moeten besprenkelen.

Handboek voor Bijenhouders · 第 65 / 109 题