Bij gunstig weder en ruime honigdragt, kan het gebeuren dat een vroege
en volkrijke voorzwerm zooveel gebouwd heeft, en door de vruchtbare
moederbij zoo volkrijk wordt, dat de woning te klein en te warm voor
hem wordt, en hij dus behoefte gevoelt om zich te deelen. Hij zet
dan moedercellen aan en geeft een, soms meer zwermen.
Men noemt deze zwermen oneigenlijk maagdezwermen; want, hoewel zij
van een zwerm van hetzelfde jaar afkomen, toch komt de oude moederbij
weder het eerst af.
Hier te lande komen deze zwermen in het algemeen minder voor, en
bijna nooit komt er een nazwerm van een stok van hetzelfde jaar. Er
zijn intusschen enkele voorbeelden van.
Deze zwermen komen altijd laat in het jaar, wanneer meest alle
honigdragt voorbij is en de stok, waarvan zij afkomen, wordt er
gewoonlijk door ontvolkt en verliest een groot gedeelte van zijn
voorraad. Van beiden komt dan ook gewoonlijk niets teregt; zoodat
men dit zwermen zoo mogelijk moet tegengaan, door dergelijke stokken
tegen minder bevolkte over te zetten, en te trachten er de moedercellen
uit te nemen.
Bij woningen met lossen bouw vangt men de moederbij uit den stok,
en vernietigt daarna al de moederwiegen op eene na. Deze blijven de
bijen bebroeijen, en men zal dus in den stok eene jonge moederbij
verkrijgen, waarna hij niet meer zwermen kan. Tien dagen na het
wegnemen der moederbij, moet men den bouw nogmaals uiteen nemen, om
te zien of er ook hulpcellen zijn aangezet; zoo ja, dan neemt men die
op eene na weg; het aanzetten van hulpcellen zou toch een bewijs zijn,
dat de vroeger gespaarde moederwieg was verongelukt.