De zingende voorzwermen zou men als eene tusschensoort, tusschen de
voor- en nazwermen, kunnen beschouwen. Zij komen toch als eerste
zwermen van de stokken, en zijn gewoonlijk zoo volkrijk als de
voorzwermen, terwijl zij, even als de nazwermen, eene onbevruchte
moederbij hebben. Zij ontstaan meestal doordat de oude moederbij is
gestorven, of op eenige andere wijze verloren gegaan. Gewoonlijk
is uitputting door de overmatige eijerlage, of hoogen ouderdom
de oorzaak van haar dood. Zij kon echter ook door vreemde bijen
zijn afgestoken of op eene andere wijze zijn omgekomen. Welke ook
de oorzaak van haar verlies zijn mag, de bijen zijn er moederloos
door geworden en zetten, wanneer zij haar toestand ontdekt hebben,
hulpcellen aan uit het voorhanden, ongedekt broed. De nu eerst
uitloopende, jonge moederbij beantwoordt het qua! qua! der nog in
de cellen beslotene, met de gewone thu-toonen en verlaat de woning,
met den bereids verkregen aanhang. Somtijds verkrijgt men ook zulke
zwermen, wanneer het ongunstige weder het afvliegen van den voorzwerm
eenige dagen verhindert en de bijen de in de cellen besloten, jonge
koninginnen niet willen vernietigen. Verlaat nu eene jonge moederbij
de cel, terwijl de oude nog in den stok aanwezig is, dan zal, in
den strijd die nu volgen moet, gewoonlijk de oude vallen; want door
haar met eijeren bezwangerd ligchaam, is zij veel trager in hare
bewegingen dan hare tegenpartij. De stok heeft nu eene jonge koningin
en de eerste zwerm, die van dezen afkomt, is dus, zoowel als die van
een in het boven beschreven geval verkeerenden stok, een voorzwerm,
met eene onbevruchte moederbij en wordt daarom zingende of thutende
voorzwerm genoemd.
De ophanden zijnde verschijning van deze zwermen kondigt zich, even
als die der nazwermen, het zekerst aan, door het thuten der jonge
moederbij. Hoort men het 's morgens of 's avonds in een stok, dan kan
men er bijna zeker op rekenen dat hij of dien, of den volgenden dag,
wanneer het weder niet al te ongunstig is, zwermen zal.
Omdat deze zwermen gewoonlijk eenige dagen later komen dan de
voorzwermen, en het onbevrucht zijn der moederbij het broedaanzetten
nog eenige dagen vertraagt, zou men hen van mindere waarde moeten
beschouwen dan de voorzwermen; komt de bevruchting echter gelukkig
tot stand dan hebben zij, wegens de jonge koningin, weder eene
grootere waarde.