Alle zwermen, die na het af vliegen van den voorzwerm afkomen, worden
nazwermen genoemd en naar de volgorde, waarin zij afvliegen, heeten zij
de eerste nazwerm, de tweede enz. Zij zijn gewoonlijk minder sterk dan
de voorzwermen en worden steeds zwakker, zoodat ten laatste zwermen
afvliegen, die naauwelijks 1000 werkbijen tellen. Naar evenredigheid
is het aantal hommels altijd grooter dan bij de voorzwermen.
Wanneer men het thuten der jonge moederbijen 's morgens of 's avonds in
een stok gehoord heeft, dan kan men, denzelfden of den volgenden dag,
bijna met zekerheid een nazwerm verwachten, wanneer het weder niet al
te ongunstig is. Soms komen zij zelfs af bij koud regenachtig weder,
dat men geheel ongeschikt voor het zwermen zou rekenen; wanneer de
zon maar een oogenblik doorbreekt, dan maken zij van die gelegenheid
gebruik om de woning te verlaten. Men moet dus in den tijd van het
nazwermen, ook bij minder gunstig weder, en van 's morgens tot 's
avonds, de stokken blijven bewaken.
Er is reeds opgemerkt dat de nazwermen altijd van mindere waarde zijn
dan de voorzwermen; het kleiner getal bijen, het later afkomen, en het
onbevrucht zijn der moederbij zijn daar oorzaak van. Het laatste is
vooral van beteekenis, omdat de koningin op hare bevruchtings-uitvlugt
aan vele gevaren is blootgesteld: een vogel kan haar verslinden,
de wind kan haar in het water slaan, of zij kan op een vreemden
stok verdwalen en daar terstond gedood worden. Komt zij om, dan
moet ook de zwerm te gronde gaan. In het gunstigste geval, dat is,
wanneer de koningin behoorlijk bevrucht tot haar stok terugkeert,
duurt het toch nog ruim drie weken, eer dat in dezen stok jonge
bijen kunnen uitloopen, terwijl het reeds klein getal dergene, die
in den zwerm aanwezig waren, gedurende dien tijd nog veel verminderd
is. De voornaamste honigoogst is dan ook veelal reeds geëindigd,
zoodat het niet zelden gebeurt, dat zij haar wasbouw niet behoorlijk
kunnen optrekken, noch haar wintervoorraad verzamelen.
Het nazwermen is eene der redenen, waarom de bijenteelt soms zoo
weinig voordeel aanbrengt, en kan meestal als eene plaag voor den
eigenaar beschouwd worden. Wanneer de bijen zeer zwermlustig zijn,
is het gewoonlijk een slecht honigjaar; want zoolang de moederstok
het zwermen niet heeft opgegeven, dat hij niet doet, voordat er maar
ééne moederbij in teruggebleven is, wordt er weinig ingezameld en ook
geen broed aangezet, omdat geene koningin hare bevruchtings-uitvlugt
houdt, voordat zij van de alleenheerschappij verzekerd is. Gedurende
dien tusschentijd, die gewoonlijk veertien dagen duurt, is meest al
het aanwezige broed uitgeloopen en grootendeels met de nazwermen
afgevlogen, zoodat, wanneer het zwermen eindelijk ophoudt, de
moederstok overblijft, met weinig volk en van zijn grootsten voorraad
beroofd; want elke zwerm neemt hiervan een gedeelte mede. Dan moet
de jonge moederbij hare bevruchtings-uitvlugt houden en, zoo deze
gelukkig afloopt, duurt het toch nog ruim drie weken voordat het
eerste broed de cel verlaat. Men kan aannemen dat er gewoonlijk zes
weken verloopen zullen, tusschen het afvliegen van den voorzwerm en het
uitloopen der eerste bijen, van de jonge koningin. In dit tijdsverloop
zijn, op weinige uitzonderingen na, de hoofddragten voorbij, zoodat
de moederstok, zoowel als de nazwermen, wel vermeerdering van volk
konden aanbrengen, doch zonder zich van leeftogt te hebben voorzien,
en dus allen den hongerdood moeten sterven of gevoêrd worden.
Den moederstok het veel nazwermen te beletten werd door de bijenhouders
steeds beproefd, doch men trof zelden het beoogde doel. Men zette
den afgevlogen voorzwerm op de plaats van den moederstok en plaatste
dezen elders, na er het koninklijke broed en het hommelbroed te
hebben uitgesneden. Het volk van den moederstok gaat, bij zijne eerste
uitvlugt, naar zijne oude plaats terug en versterkt den voorzwerm. De
moederstok daarentegen wordt er bijna geheel door ontvolkt; want
hij verliest al die bijen, die reeds van de vroegere standplaats
waren uitgevlogen, zoodat het broed, bij ongunstig weder, gevaar
loopt geheel af te sterven, omdat het noodige volk, ter verzorging
daarvan, ontbreekt: de geheele ondergang van den stok kon hiervan
het gevolg zijn.
Beter zou het zijn om den voorzwerm op de plaats van een moederstok te
zetten, waarvan de voorzwerm reeds eene week te voren is afgevlogen. De
vrees voor het afsterven van het broed behoeft dan zoo groot niet te
zijn, omdat het hierin reeds bedekt zal zijn en gewoonlijk zonder
eenige zorg zal uitkomen. Hoewel de bij den zwerm vliegende bijen
vreemd zijn, zoo zal de moederbij nu geen gevaar loopen door haar
aangevallen te worden; want, daar zij eene onbevruchte moederbij of
slechts koninklijk broed achter lieten, zijn zij zeer verheugd nu eene
bevruchte moederbij te vinden. De zwerm zal ook de vreemde bijen niet
aanvallen; want in den zwermtijd zijn de bijen het verdraagzaamst
jegens vreemde, ja zij nemen dan zelfs gaarne hulp aan, om den bouw
des te spoediger te kunnen optrekken.
Eene andere handelwijze, om het nazwermen tegen te gaan, bestaat
daarin, dat men den moederstok, na het afvliegen van den voorzwerm,
omkeert en er de moederwiegen op eene na en het hommelbroed geheel
uitsnijdt, en hem dan weder op zijne plaats stelt. Tien dagen later
moet men dan nog eens zien of de bijen, om aan haar zwermlust te
voldoen, ook hulpcellen hebben aangezet en ook deze vernietigen. Nu
kunnen zij die niet meer aanzetten; want tien dagen na het afvliegen
van den voorzwerm, is al het broed reeds gedekt en dus ongeschikt om er
moederbijen uit aan te kweeken. Aldus handelende zal men het nazwermen
geheel beletten, wanneer men maar zorgt geene moederwiegen over het
hoofd te zien, hetgeen in gewone korven en alle andere woningen met
vasten bouw, bijna altijd geschiedt, omdat de moederwiegen veeltijds op
de onzigtbaarste en ongenaakbaarste plaatsen hangen. De schrijvers over
de bijenteelt, die zeggen: "men moet de korven niet laten zwermen",
alsof men dit geheel in zijne magt had, bewijzen daardoor dat zij
zich niet aan de bijenstokken zelve geoefend hebben; zij zouden anders
toch inzien dat dit bijna onmogelijk is. Bij woningen met lossen bouw
daarentegen, zal het altijd aan de onoplettendheid van den bijenhouder
zijn toe te schrijven, indien hij het nazwermen niet geheel belet,
en hij is daardoor in staat gesteld om, ook in ongunstige jaren,
nog eenigen honig te winnen. Den dag, na dien waarop de voorzwerm is
afgevlogen, neemt hij alle tafels uit de woningen, vernietigt, zoo
er nog geene jonge moederbij was uitgeloopen, alle moederwiegen tot
op eene na, (had echter reeds eene jonge koningin de cel verlaten,
dan vernietigt hij haar allen) en hangt den geheelen bouw weder zoo
als hij gehangen heeft. Of er reeds eene moederbij is uitgeloopen kan
ontdekt worden, hetzij door dat men haar gedurende de behandeling in
den stok ziet, hetzij door al de moederwiegen zorgvuldig te bezien:
is er eene bij, die van haar wasdeksel beroofd is, dan wordt daardoor
aangetoond dat er reeds eene koningin is uitgeloopen. Had men door
deze bewerking den stok soms moederloos gemaakt, dan heeft dit, in
het hier gestelde geval, niet het minste bezwaar. De bijen zullen
haar toestand terstond bemerken, zich onrustig betoonen, maar zich
ook in haar lot schikken, den eerstvolgenden nacht hulpcellen uit
het voorhanden broed aanzetten en weder aan hare gewone bezigheden
gaan. Tien dagen later moet men den bouw nogmaals uiteen nemen. Ontdekt
men nu geene hulpcellen, dan kan men verzekerd wezen dat er, bij de
eerste uitneming, reeds eene koningin was uitgeloopen, (soms wordt dit
bewezen, door dat men reeds eijeren van haar ziet) of dat de bijen,
uit de haar gelaten moedercel, eene koningin bekomen hadden. Vindt
men integendeel hulpcellen, dan laat men eene der grootste hangen en
neemt alle andere weg. De stok zal nu weder eene moederbij bekomen,
en loopt hare bevruchtings-uitvlugt gelukkig af, dan zal hij in allen
deele gezond, en tegen den winter meestal ruim van voorraad voorzien
zijn, en dus een goede stok wezen, met eene jonge moederbij. Mogt door
deze behandeling een stok geheel moederloos worden, dan helpt men hem,
door uit eene andere woning eene tafel, met eene gesloten moederwieg
of met ongedekt werkbijenbroed, in te hangen.
Had men tegen alle verwachting nog eene uitgeloopen moederbij of eene
moedercel over het hoofd gezien, zoodat er nog een zwerm afvloog,
dan behoeft men dezen slechts op te vangen en, met een weinig water
besprenkeld, op een witten doek uit te storten en in een ledigen
korf te laten trekken, intusschen acht gevende op de koningin, en
deze ziende, haar met een glas te bedekken en te dooden, of haar,
in een moederhuisje besloten, tusschen de staafjes te hangen, waar
de bijen haar gewoonlijk voedsel zullen toereiken. Men kan haar
aldus tot een ander doel bewaren. De bijen, in den ledigen korf
hare moederloosheid ontdekkende, zullen hem weder verlaten en op den
moederstok terugvliegen.
De hier beschreven handelwijze volgt men ook wel, om in gewone
strookorven de afgevlogen zwermen weder te doen terugkeeren. Men kan
er dan echter lang mede aan den gang blijven; want de zwerm komt bij
herhaling, wanneer weder eene moederbij is uitgeloopen, terug. Op een
goed bezetten bijenstand kan men haar dan ook in het geheel niet ten
uitvoer brengen.
Met een afgevlogen zwerm, dien men weder met den moederstok vereenigen
wil, kan men nog op de volgende wijze te werk gaan. Men stelt den
zwerm, in een ledigen korf, op de plaats van den moederstok en zet
dezen, op een paar voet afstands er voor. De meeste bijen van den
moederstok vliegen nu bij den zwerm, waardoor gene zóó ontvolkt
wordt, dat hij verder allen lust tot zwermen zal opgeven, en de
overtollige moederwiegen vernietigen. Indien er nog te veel bijen in
waren gebleven, dan moet men hem bij het verzetten nog wat uitkloppen,
opdat hij zooveel mogelijk verzwakt zou worden. Zoodra men bespeurt
dat hij de moederwiegen vernietigd heeft, hetgeen gewoonlijk den
tweeden dag reeds zal geschied zijn, stoot men er den zwerm weder
op en zet hem weder op zijne oude plaats.--Op deze wijze bereikt men
veelal zijn doel, hoewel er niet met zekerheid op gerekend kan worden.
Nog beter zou het zijn den zwerm niet aan zijn eigen moederstok, maar
aan een anderen, dien men ook het zwermen beletten wil, te geven;
hij komt dan in eene onbekende vlugt en in eene vreemde woning en,
eene eigene huishouding willende beginnen, valt hij de in den stok
aanwezige moedercellen vijandelijk aan, vernietigt haar, en doodt
ook de overtollige moederbij, waardoor dus het zwermen van dezen stok
wordt verhinderd.
Het is mij steeds voorgekomen dat men, volgens de oude leerwijze
werkende, met de laatste behandeling er het best in slaagt om het
zwermen te voorkomen. Met zekerheid kan men er echter niet op rekenen,
maar ziet soms nog wel eens een zwerm afkomen.
Ik moet hier nog doen opmerken dat, bij het gebruik van Dzierzon'sche
woningen, het verschijnen van enkele nazwermen niet als zoo nadeelig
beschouwd moet worden. Door het inhangen van wastafels en tafels met
broed, kan men de zwakste zwermen tot sterke maken. Men komt in het
bezit van jonge, bevruchte moederbijen, die in den herfst kunnen dienen
om de oude, in voorzwermen, te vervangen, en van wastafels met enkel
werkbijencellen; zulke wastafels hebben, bij het volgen der nieuwe
methode, eene groote waarde om haar andere stokken toe te voegen.
Wenscht men van een stok verschillende nazwermen te trekken, en wil
men hem daarbij voor ontvolking bewaren, dan hangt men er aanhoudend
tafels met broed in, die men ontneemt aan sterke stokken, die niet
willen zwermen, hun ledige tafels in de plaats gevende. Voor deze is
die berooving veeltijds eene weldaad, daar er eene veel te groote
warmte in kan heerschen, en het wegnemen van het broed hun eenige
verkoeling schenkt.
Heeft men in het najaar eenige zwermen, welker bouw te klein is of
die te weinig voorraad hebben ingezameld, dan maakt men van twee,
drie of meer stokken er een, naarmate zij sterk bevolkt zijn. Men
verdeelt de tafels dan zoo, dat elke goed bevolkte stok 12 Ned. pond
bedekten honig heeft, dien hij zal behoeven om de voorjaarsweide
te kunnen bereiken. Men moet bij de vereeniging van stokken altijd
wel in aanmerking nemen, dat het slechts geschieden kan met die,
welke onmiddellijk naast elkander hebben gestaan. Den vereenigden
stok zet men dan op de plaats, die het midden houdt tusschen hunne
vroegere standplaatsen; want werden zij in een ander gedeelte van
den bijenstand geplaatst, dan zouden de bijen hare oude plaats weder
opzoeken en, daar geene woning vindende, omkomen of bij anderen ingaan
en daar soms verwarring veroorzaken. Wanneer men er gelegenheid toe
heeft, dan is het echter nog beter den vereenigden stok op een anderen
stand te plaatsen, die ten minste een half uur van hunne oude plaats
verwijderd is; vereenigt men meer dan twee zwermen met elkander, dan
moet dit, om goed te slagen, altijd geschieden. De bijen komen dan
in eene onbekende vlugt, die zij allen moeten leeren en vervliegen
dan niet. Wanneer men de stokken in hun winterverblijf wil plaatsen,
haalt men hen terug, en in het volgende jaar zullen slechts enkele
bijen de vroegere standplaats opzoeken.
De jonge, bevruchte moederbijen, die men door de vereeniging van
nazwermen verkrijgt, kunnen, zoo als reeds vroeger is opgemerkt,
met vrucht worden gebruikt om te oud geworden koninginnen te vervangen.