Door de meeste bijenhouders wordt aangenomen dat het honigsap der
bloemen eigenlijk nog geen honig is, maar dat het in de maag der bij
daartoe verwerkt wordt. Zij meenen dat de bijen, gedurende den dag, het
ingezamelde honigsap maar in de cellen nederleggen, om dit des nachts
weder op te zuigen en er dan, in digte trossen op elkander zittende,
in hare honigmagen den honig uit te bereiden, dien zij daarna weder
in de cellen zouden uitwerpen, en deze dan van een wasdeksel voorzien.
Proeven, door anderen en ook door mij genomen, hebben aangetoond, dat
het honigsap der bloemen zuivere honig is, die alleen met eenig water
vermengd is, waardoor het zich als eene dunne vloeistof voordoet. De
eenige bewerking, die het dus moet ondergaan, is het verdampen van
het water. Men zal dit bevestigd vinden, wanneer men eene tafel, die
op den dag zelven is volgedragen, uit eene woning neemt; de honig,
dien zij bevat, is waterdun en vloeit, bij het minste schuins houden,
uit de cellen; stelt men haar echter binnenshuis aan eene matige
zonnewarmte bloot, dan zal men, na twee of drie dagen, bevinden dat
er geen verschil is tusschen den honig, dien zij bevat, en dien,
welke in de woning verdikt is; de bijen bereiden dus den honig niet,
maar verzamelen hem slechts.
Waarschijnlijk is de bovengenoemde dwaling ontstaan, doordat men
bevond dat de bijen, na dagen van drukke dragt, gedurende den nacht
weder cellen ledigden, die zij overdag hadden volgedragen, en andere
met honig vulden. Zij doen dan echter niets dan den honig verdragen
naar die cellen, waarin zij hem als voorraad willen opleggen; want
overdag halen zij slechts zooveel mogelijk in de woning en leggen
het ingezamelde in de eerste cel, die zij ledig vinden, neder, zich
geen tijd gunnende om het daar te brengen, waar zij het verlangen
te bewaren.
Wanneer men, in den tijd van de drukste dragt, de bijen in digte
trossen ziet zitten, dan kan men zich verzekerd houden, dat zij zich
met de wasbereiding en de vergrooting van den bouw bezig houden.
De cellen, die ter bewaring het eerst met honig gevuld worden, zijn die
boven het broednest; in deze leggen zij haar eigenlijken wintervoorraad
op; want bij strenge koude kunnen zij zich wel opwaarts, maar niet
zijdelings verplaatsen: zij zouden dus, wanneer zij in den winter
door een ruimen voorraad omringd waren, doch niets boven zich hadden,
den hongerdood moeten sterven. Het is daarom van veel belang om zich,
bij de inwintering van zijne stokken, te overtuigen, dat de bijen
een genoegzamen honigvoorraad boven zich hebben; want men weet niet
hoe lang de koude haar het uiteengaan zal beletten.