DE WASBEREIDING EN DE CELLENBOUW.

Vroeger merkte ik reeds met een enkel woord aan, dat de bijen het was

uitzweeten, nadat dit in de washuidjes, tusschen de buikringen, bereid

is. Zij hebben hiertoe eene ruime hoeveelheid honig en bloemenstof

en een verhoogden warmtegraad noodig. Om de vereischte warmte te

ontwikkelen, leggen zij zich, even als een ketting, in trossen over

elkander. Na aldus eenige uren te hebben gehangen, waarbij zij het

aanzien hebben van geheel werkeloos te zijn, beginnen de wasblaadjes

zich te vormen bij diegenen, welke zich in het midden van den tros

bevinden en die, door de buiten aanhangenden, als met een kleed

overdekt zijn. Van den aanvang en den voortgang der wasbereiding is

weinig met zekerheid te zeggen, daar zij alleen in het midden van den

tros plaats heeft, en dus niet bespied kan worden. Deze wasblaadjes

zijn vijfhoekig en worden door de bijen met de tanden verwerkt. Men

vindt er meest altijd op den bodem der woningen, die door nieuwe

zwermen bezet zijn, en die zij zeker bij het bouwen laten vallen.

Uit enkel honig kunnen de bijen wel eenig was bereiden, maar zij

kunnen dit niet lang volhouden. Daar het was geen stikstof bevat,

en het bloemenstof haar eenig stikstofhoudend voedsel uitmaakt, zoo

is het waarschijnlijk dat zij dit niet direct voor de wasbereiding,

als eene grondstof daartoe, behoeven, maar dat het dienen moet

om haar de noodige krachten te geven, voor de groote inspanning,

die zij vereischt. Proeven hebben bewezen dat de bijen, alléén honig

gebruikende, daarvan twintig pond behoeven ter bereiding van één pond

was, terwijl zij, ook van bloemenstof voorzien zijnde, slechts elf

à vijftien pond honig daartoe noodig hebben.

De groote hoeveelheid honig, die zij voor de wasbereiding moeten

gebruiken, en den tijd en de inspanning, die zij vereischt, doen de

schade duidelijk in het oog vallen, die men zich berokkent, door de

bijen de ledige wastafels te ontnemen; heeft men deze toevallig,

dan is het goed haar zorgvuldig te bewaren en aan nieuw opgezette

zwermen toe te voegen, wanneer deze terstond het ingezamelde kunnen

afleggen en met de eijerlage beginnen. Ieder, die slechts eenigzins

met de bijenteelt bekend is, zal inzien welke voordeelen dit geven

kan; want, hoewel een Ned. pond was in den handel van f 1.50 tot f

2.--geldt en een Ned. pond honig slechts 40 à 50 cts. waard is, zoo

zal het ingezamelde was duur te staan komen: rekent men toch dat er

ter bereiding van een pond was, vijftien pond honig vereischt wordt,

die gemiddeld 45 cts. kan opbrengen, dan zal het Ned. pond was, behalve

het tijdverlies, f 6.75 kosten. Men moet daarom geen was verzamelen dan

dat met honig gevuld is. De houder van bijen in de gewone strookorven

zal mij toeroepen: "eene schoone les, voorwaar! maar hoe zult gij dit

ten uitvoer brengen?" Ik moet hem toestemmen dat hij het niet kan doen;

maar wie zich met de Dzierzon'sche wijze heeft gemeenzaam gemaakt,

zal mij de hooge waarde van goede ledige wastafels niet betwisten. In

het practische gedeelte zal ik hier nog op terugkomen.

Elke zwerm, die eene nieuwe woning betrokken heeft, begint terstond

aan de wasbereiding: hoewel men meenen zou dat hij geheel werkeloos

was, moet men den tweeden dag verbaasd staan over den bouw, dien hij

reeds opgetrokken heeft. Hij heeft dan ook terstond groote behoefte

aan berging voor den medegevoerden en reeds ingezamelden honig. Hij

verlaat den moederstok niet, dan na zich van eene ruime hoeveelheid

honig voorzien te hebben, die bij een sterken zwerm wel twee tot

drie Ned. pond bedragen kan. Deden zij dit niet, dan konden zij niet

alleen niet terstond met den cellenbouw beginnen, maar zouden ook,

bij ongunstig weder, van gebrek moeten omkomen. Zoodra een zwerm

eene nieuwe woning betrokken heeft, gaan er bij vliegbaar weder

reeds op de inzameling uit, en het is dus hiervoor, zoowel als ter

bevordering van de broedaanzetting, van belang, dat er spoedig cellen

worden aangebouwd.

De bijen bouwen de wastafels in den regel van boven naar beneden,

en kiezen voor begin van den bouw het hoogste gedeelte van de

woning. Een middelmatige zwerm kan, van eene voldoende hoeveelheid

honig en bloemenstof voorzien, in 24 uren eene tafel bouwen van een

Rhijnl. voet lang en half zoo breed, die dan ongeveer 3600 cellen

bevat. Bij den aanvang van eene tafel, leggen zij een grond tegen het

bovenste gedeelte van de woning, door daar eene genoegzame hoeveelheid

was op te hoopen en te bevestigen. Dit stukje was vergrooten zij

naderhand, zoodat het den vorm van eene linze verkrijgt, welker

scherpe rand later den tusschenwand vormt, die de aan beide zijden

gebouwde cellen van elkander scheidt. De tafel behoudt den vorm van

eene linze, zoolang zij vrij hangt, zoodat de cellen in het midden het

langst zijn en naar de randen korter worden. Raakt de tafel echter,

bij het aanbouwen, den wand van de woning of eene andere tafel aan,

dan worden ook de kortere cellen verlengd en de linzevorm is verdwenen.

De dwars-doorsnede in het midden der cellen is een regelmatige zeshoek,

doch van daar naar den tusschenwand worden de hoeken minder scherp,

zoodat zij achteraan bijna rond zijn. Voorop gezien, schijnen de

cellen geheel rond te zijn; want de bijen leggen er daar een rand

om. Hierdoor wordt hare sterkte veel vermeerderd, en voorkomen dat

de maden of jonge bijen haar uit elkander drukken of dat het druk

heen en weder loopen haar beschadigt. Heeft er eenige beschadiging

aan eene tafel plaats, dan wordt zij terstond hersteld.

De zeshoekige vorm der cellen maakt dat er geen ruimte verloren gaat,

en dat er tevens zoo weinig mogelijk was wordt verbruikt; want elke

der zes zijden van eene cel dient weder tot zijde voor eene andere.

Hoe volkrijker een zwerm is, des te meer tafels worden er te gelijk

begonnen. Die, welke in ééne lijn worden aangezet, worden, bij het

tegen elkander stooten, tot een geheel vereenigd; die, welke naast

elkander worden gebouwd, loopen steeds evenwijdig, en zóó dat er eene

ruimte van een halven Rhijnl. duim tusschen open blijft, welke zij

juist noodig hebben, om, over de tafels loopende, voorbij elkander

te kunnen gaan en waaraan men den naam van straat geeft.

Eene tafel kan uit verschillende cellen bestaan, die, naar haar

verschil in grootte, vorm en bestemming, in de vijf volgende soorten

onderscheiden worden:

1o. Moedercellen of moederwiegen. Bij de behandeling der moederbij is

over deze reeds gesproken. Zij zijn rond en naar beneden afhangend. Zij

dienen dan ook nooit ter bewaring van honig, en staan meestal op zich

zelve aan de randen der wastafels; men kan haar hierdoor gemakkelijk

van de overige cellen onderscheiden.

2o. Gewone of werkbijencellen. In gezonde stokken zijn deze cellen

aan meest al de tafels het talrijkst en er zijn er vele, waaraan geene

andere gevonden worden, vooral in het broednest. Zij liggen nagenoeg

horizontaal; de opening is slechts eenigzins naar boven gekeerd om het

uitvloeijen van den ingedragen honig te voorkomen. Zij zijn in eene

schoone, bevallige orde aan beide zijden van de tafels geplaatst. Hare

bestemming is de opname van eijeren, die er tot volkomen werkbijen

in worden uitgebroeid, en de oplegging van den honigvoorraad.

3o. Hommelcellen. Daar deze dienen moeten om er de hommels in uit te

broeijen, die veel grooter zijn dan de werkbijen, zoo zijn zij ook

grooter dan de werkbijencellen, en wel zooveel, dat vier hommelcellen

dezelfde lengte hebben als vijf gewone, dat is een Rhijnl. duim;

de bouworde en de vorm zijn overigens gelijk. Men vindt deze cellen

zelden bovenaan de tafels, doch meestal onderaan en aan de zijden. Soms

vindt men er ook geheele tafels van.

4o. Overgangscellen. Aldus noemt men de cellen, die de bijen optrekken,

wanneer zij van gewone tot hommelcellen willen overgaan. Zij beginnen

dan de cellen langzamerhand te vergrooten, zoodat de overgang bijna

onmerkbaar is. Tusschen de gewone en hommelcellen zijn meestal drie

rijen van deze soort. Vroeger meende men dat deze cellen bestemd

waren, om er de hommelmoeders in te kweeken, dat nog door sommigen

geloofd wordt; daar ik echter aangetoond heb, dat deze hommelmoeders

slechts in de verbeelding bestaan, zoo behoeft deze verkeerde meening

geene verdere wederlegging. Er bestaat veel grond om aan te nemen,

dat in deze cellen die werkbijen ontstaan, welker geslachtsdeelen

meer ontwikkeld zijn, zoodat zij soms, in moederlooze stokken,

eijeren leggen, en over welke vroeger gesproken werd.

5o. Bevestigingscellen. Deze zijn bestemd om de wastafels aan het

boveneinde van de woning te bevestigen. Zij zijn vijfhoekig. Waren

zij even als de andere zeskant, dan zouden zij alleen met een der

scherpe kanten tegen den wand komen, hetgeen eene zwakke verbinding

zou geven, of veel was zou kosten, wanneer de hoek tusschen elke twee

cellen moest worden aangevuld. Nu komen zij, met eene der zijden, vlak

tegen den wand van de woning te liggen, waardoor zij, bij een gebruik

van weinig was, veel sterker bevestigd worden. Wanneer de wastafels

met broed of honig bezwaard zijn, worden zij nogmaals bevestigd.

De benamingen honig- en broedcellen hebben dezelfde beteekenis,

want alle, behalve de moedercellen, dienen voor beide.

Het broed vindt men meestal in het middelste en laagste gedeelte der

tafels, in een kring, waarin de warmte binnen den stok het grootst

is. Den honig brengen zij voornamelijk bovenaan en op zijde, en

verder op alle plaatsen in de woning, die te koel zijn om broed

aan te zetten. Bij sterke dragt en daaruit ontstane behoefte aan

cellen, bouwen zij op alle ledige plaatsen cellen aan, die zij met

honig vullen. Om meer honig te kunnen opleggen, verlengen zij de

cellen ook wel eens, waardoor de zoogenoemde straten naauwer worden

en de tafels soms eene aanzienlijke dikte en zwaarte verkrijgen. In

woningen met lossen bouw kan men dit verlengen der cellen bevorderen,

door de tafeldragers, buiten het broednest, dagelijks een paar

lijnen van elkander te verwijderen; het spreekt van zelf dat er, om

dit te doen gelukken, bij eene ruime dragt, gebrek aan cellen moet

zijn. Wanneer de bijen later deze verlengde cellen, tot het aanzetten

van broed, moeten gebruiken, dan verkorten zij haar weder tot op de

oorspronkelijke lengte.

Aanvankelijk hebben de tafels eene witte kleur. Spoedig worden zij

geelachtig en, na een paar jaren voor broed gediend te hebben,

zwart. De oorzaak hiervan is dat elke bij, bij het verlaten der

cel, twee nimfenhuidjes achterlaat, waarvan het buitenste een fijn,

zijdeachtig weefsel heeft en zoo vast aan den wand der cel kleeft, dat

de bijen het er bij de reiniging der cellen niet kunnen uittrekken,

en zich moeten tevreden stellen met het van aanhangend vuil te

ontdoen. Het terugblijven van dit huidje, bij ieder broeisel, versterkt

de cellen, die bij den aanleg zeer zwak zijn, veel, doch verkleint haar

ook, zoodat zij eindelijk te klein worden voor de volkomen ontwikkeling

der bijen. In de eerste zes jaren behoeft men zich hierover echter

nog niet te verontrusten, maar het is toch goed, om zoo mogelijk,

om de twee of drie jaren, het broednest te vernieuwen, door er nieuwe

tafels in te hangen, of de bijen te noodzaken die te bouwen.

Indien er reeds zooveel honig is ingedragen, dat verscheidene cellen

daarmede gevuld zijn, en hij er genoegzaam in verdikt is, dan sluiten

zij die met een wasdeksel. Men noemt dit verzegelen. Ook de broedcellen

worden, zoodra de zich daarin bevindende made den nimfentoestand

aanneemt, d. i. zich inspint, verzegeld. Indien de cel te kort is voor

de daarin gevormde made, hetgeen onder anderen plaats heeft, wanneer

hommeleijeren in werkbijencellen gelegd zijn, dat hoog broed heet,

dan maken zij het deksel bol of gewelfd, om daardoor de ruimte te

vergrooten. Daar de hommelcellen echter gewoonlijk wat klein zijn,

zoo worden deze ook met een bol deksel gesloten. Men vindt hierin

een gemakkelijk middel, om het hommelbroed van het werkbijenbroed te

onderkennen. Het laatste is altijd met platte deksels gesloten. Wanneer

de bij hare cel verlaat, stoot zij het wasdeksel weg, en men ziet dan

ook soms eene menigte van die deksels op den bodem der woningen liggen.

De bouw der bijen wordt onderscheiden in een warmen en kouden bouw,

naar de rigting waarin de wastafels zijn aangelegd. Hangen zij

dwars voor het vlieggat, dan heet hij warm, omdat de buitenlucht dan

moeijelijk tusschen de tafels kan dringen; doch daardoor heeft hij ook

het nadeel, dat de bedorven lucht er tusschen blijft hangen, en dat

er in den winter spoedig schimmel ontstaat. Loopen de tafels met den

scherpen kant naar het vlieggat, dan kan de lucht er vrij tusschen

spelen; dit maakt den bouw koud, doch zuivert ook het broednest

van de bedorven lucht. Men is het er niet over eens, welke dezer

bouwwijzen te verkiezen is: beide, zagen wij, hebben hare voor- en

nadeelen. In de gewone korven hangt het geheel van de bijen af, welke

dezer bouwwijzen zij volgen willen, terwijl men in de Dzierzon'sche

woningen het in zijne magt heeft, den bouw koud of warm te doen zijn,

daar dit afhangt van de plaatsing van het vlieggat.

Wanneer het aanleggen der tafels geheel aan de willekeur der bijen

wordt overgelaten, dan kan het soms gebeuren dat zij in verschillende

rigtingen worden aangezet. Dit kan plaats hebben bij volkrijke stokken,

omdat die geene voldoende ruimte hebben om gezamenlijk op dezelfde

plaats te werken; zij verdeelen zich dan in twee groepen, die soms

in verschillende rigtingen beginnen te werken, en ieder haar eigen

werk voltooijen. Men noemt dat kruisbouw.

Handboek voor Bijenhouders · 第 54 / 109 题