De honig wordt met een onverzadelijken hartstogt door de bijen
nagejaagd: zij zamelen hem onvermoeid in, waar zij hem ook ontdekken
mogen. Wanneer zij hem in de bloemen op het veld vinden kunnen, en
het weder het slechts eenigzins toelaat, vliegen zij uit en in, en
halen er, zonder zich de minste rust te gunnen, zooveel mogelijk van
in hare woning, zoolang zij daartoe in de gelegenheid zijn. Vinden zij
in de natuur geen honig meer, dan nemen zij ook andere zoete stoffen
aan. Zij zuigen dan het sap wel eens uit zeer rijpe vruchten, doch
doen dit maar zeer zelden; veeleer trachten zij dan haar onleschbaren
dorst naar honig te voldoen, door hem op vreemde stokken te rooven,
tot groot nadeel, zoowel van deze stokken zelven, als van hun
eigenaar. Over dit rooven zal later gesproken worden.
Het is merkwaardig dat elke bij, op het veld honig inzamelende, nooit
verschillende soorten van bloemen bezoekt, maar zich zóó lang bij
ééne soort bepaalt, als deze haar genoegzaam honig oplevert. Men kan
dit zien aan het bloemenstof, dat zij gelijktijdig inzamelt; want zij
brengt van elke vlugt gelijkelijk gekleurde stuifmeel-balletjes mede.
In strijd met wat ik meestal door anderen vermeld heb gevonden, is
het mij gebleken, dat de bijen een bloemveld, dat onmiddellijk bij
den bijenstand gelegen is, minder gaarne bevliegen, dan een, dat iets
meer verwijderd is. Kunnen zij in de buurt geene bloemen vinden, dan
zoeken zij die nog wel tot op een uur afstands. Het zal ieder duidelijk
zijn dat het voordeelig is, indien het bloemveld niet te ver af is,
daar zij dan in denzelfden tijd meer togten kunnen doen. Op dagen
dat de grond, bij een helderen zonneschijn, nu en dan door wolken
afgebroken, het noodige vocht heeft, en vooral bij eene zoele,
onweerachtige lucht, honigen de bloemen gewoonlijk zeer sterk. De
bijen zijn dan buitengewoon naarstig, komen zonder eenig oponthoud
uit het vlieggat en vliegen regelregt naar het honigende bloemveld.
De van het veld terugkomenden laten een eigenaardig geluid hooren en
zijn meestal geheel vermoeid; zij vallen dan, met een opgezwollen en
blinkenden buik en een nederhangend achterlijf, hoorbaar voor het
vlieggat neder en rusten daar een weinig, voordat zij in de woning
gaan. Op zulke, voor de honig-inzameling, bijzonder gunstige dagen,
brengen zij veel minder bloemenstof in dan anders. Volkrijke stokken
kunnen gedurende zulk een dag van twee tot vijf Ned. pond honig
inbrengen. Men kan dit nagaan door de woning 's morgens op eene
bascule te plaatsen en, zoowel dan als 's avonds, het gewigt te
bepalen. Men zou kunnen vreezen dat de bijen zich op zulke drukke
dagen al te veel met de honig-inzameling bezig hielden, en den stok
als het ware ontvolkten; doch dit is geenszins het geval: men ziet
steeds een genoegzaam aantal bijen in de woning, ter verzorging van
het broed en ter verrigting van andere huisselijke bezigheden.
Het uitvliegen en te huis komen geschiedt zeer regelmatig. Er heerscht
aan het vlieggat eene aanhoudende, geregelde drukte: nooit ziet men
er nu eens veel, dan weder weinig in- en uitgaan.
Op dagen dat de bloemen sterk honigen, ziet men gewoonlijk weinig
bijen zich aan het vlieggat ophouden: het ontbreekt haar dan aan tijd
om te rusten; zij gaan uit, komen slechts terug om haar last af te
leggen en gaan weder op nieuwen voorraad uit.