Zoowel voor haar eigen onderhoud, als ter bereiding van den voederbrij
voor het broed, heeft de bij behoefte aan water. In den winter
maakt zij gebruik van den aanslag tegen de wanden van de woning,
veroorzaakt door dat het daarbinnen zoo veel warmer is dan in de
buitenlucht. Des zomers zuigt zij het gewoonlijk, met den honig, uit
de bloemen. Vroeg in het jaar, wanneer er nog geene bloemen zijn,
en in drooge zomers, haalt zij ook water uit slooten en putten of
verzamelt de daauwdruppels.
Zij haalt ook van het vocht, dat steeds uit mestputten vloeit,
waarschijnlijk omdat zij de daarin opgeloste zouten in hare huishouding
behoeft; want al kan zij goed water in overvloed bekomen, toch ziet
men haar op mestvaalten.
Men doet goed de bijen, vooral in het voorjaar, de vele lange en
gevaarlijke togten, tot het halen van water, te besparen, door in de
nabijheid van den bijenstand, op eene windstille plaats, een schotel
water te zetten. Zij hebben er dan toch vooral groote behoefte aan,
omdat zij dan veel honig voor het broed moeten hebben en deze meestal
te dik of te veel versuikerd is, zoodat zij hem eerst moeten verdunnen.
Om haar niet in het water te doen omkomen, moet men er iets in leggen,
waarop zij zich kunnen plaatsen, b. v. gehakt stroo, riet, mos of
iets dergelijks; ook kan men er stukken van ledige wastafels in leggen.
Hoewel de bijen geen water in voorraad in de cellen dragen, zoo nemen
zij het vroeg in het jaar, wanneer zij nog niet kunnen uitvliegen,
toch gretig aan, als men het in ledige wastafels giet, en deze in de
woning plaatst.