Bloemenstof of stuifmeel noemt men het fijne stof, dat zich aan de
meeldraden der bloemen bevindt. Dit stof is voor de bijen onmisbaar,
niet alleen tot haar eigen voedsel, maar nog veel meer ter bereiding
van den voederbrij voor het broed; men noemt het daarom ook wel
bijenbrood. Zelf kunnen zij wel eenigen tijd van enkel honig leven;
doch het broed kunnen zij zonder bloemenstof niet tot ontwikkeling
brengen. Of zij gedurende den winter ook bloemenstof gebruiken of dan
alleen van honig leven, is nog niet bekend. Ik houd het er voor dat
zij, bij strenge koude, wanneer zij in een digten tros op elkander
moeten zitten om de noodige warmte te ontwikkelen, het niet eten, doch
dat zij het weder gebruiken, zoodra het zachtere weder haar uiteengaan
gedoogt. Hare uitwerpselen schijnen een voortdurend gebruik, wanneer
het slechts te bekomen is, te bewijzen; want zij vertoonen duidelijke
sporen van de overblijfselen er van. In den druksten tijd, zoowel van
het broeijen als de dragt, hebben zij het volstrekt noodig om hare
levenskrachten te onderhouden; want het is het eenig stikstofhoudend
voedsel, dat zij gebruiken.
Bij het verzamelen van bloemenstof komt haar behaard ligchaam haar zeer
te stade. Zij verrigten dit meestal door het stof van de meeldraden
af te bijten, of door zich eenige malen in de bloem om te rollen, het
dan met de borsteltjes der achterbeenen af te borstelen en daarna, tot
kleine balletjes gekneed, in de schopjes der achterbeenen naar huis te
dragen. Bij droog weder, wanneer het stof zich niet tot balletjes laat
kneden, of ook wanneer zij zich daartoe den tijd niet gunnen, komen zij
geheel bepoederd te huis, waar zij het dan afborstelen en in de cellen
leggen; zij worden hierin veeltijds door de te huis zijnde geholpen.
In het voorjaar, wanneer het broedzetten sterk begint toe te nemen,
zijn zij het ijverigst in het verzamelen van dit stof. Ook nieuw
opgezette zwermen zijn hierin zeer vlijtig, omdat zij in hunne nieuwe
woning niets vinden, en de voortteeling zonder dat stof geen plaats
kan hebben.
Tegen den winter zamelen zij er nog zooveel mogelijk van in, en leggen
het in die tafels, die het naast aan het broednest zijn aangelegd,
waardoor zij toonen te weten, dat het bij het aanzetten van het eerste
broed, dat in volkrijke stokken, bij zachte winters, reeds in Januarij
begint, nog niet in de natuur voorhanden is.
Het bloemenstof heeft voor de bijen meer waarde dan de honig; want het
verzamelen van een pond bloemenstof kost haar veel meer inspanning,
dan dat van een pond honig, en terwijl zij zich met het eerste
bezighouden, kunnen zij zich niet geheel aan het laatste wijden. Het
is dus van zeer veel belang om, bij het uitbreken van stokken, dit
stof niet onder het was of den honig te werpen, daar het dan alleen
dient om deze te verontreinigen; maar het veeleer aan late zwermen
toe te voegen, die meestal geen tijd gehad hebben om er genoeg van te
verzamelen. Ook door het aan oude stokken of vroege zwermen te geven,
zal het goede rente opbrengen, daar het in de eerste maanden van het
jaar maar zeer zelden in de natuur te vinden is.
Velen zijn nog onbekend met het belang van dit stof voor de bijenteelt,
ja meenen er zelfs een nadeel in te zien, wanneer zij het in de
stokken vinden, werpen het, even als het hommelbroed, als schadelijk
en overtollig uit, en bestempelen het wel eens met den naam van
valsch broed.
Vroeger meende men, dat het meel van graansoorten voor de bijen
nadeelig was; omdat het met den honig tot verzuring zou overgaan en
de bijen den loop doen krijgen. Daar men echter had opgemerkt dat de
bijen, wanneer het vliegbaar weder is, zonder dat er nog bloemenstof te
vinden is, en inzonderheid die, welke in de nabijheid van graanmolens
geplaatst waren, toch met vlijt vlogen en balletjes meel te huis
bragten, zoo plaatste men tarwen- of roggenmeel voor den bijenstand,
en zag er de bijen terstond van in de woningen dragen, zonder er de
minste nadeelige gevolgen van te ondervinden. Tegenwoordig plaatst
men daarom op mooije vliegbare dagen, in het laatst van Februarij,
meel op eene windstille plaats vóór den bijenstand. Om het voor
verstuiven te behoeden, vult men er oude, ledige wastafels mede, of
strooit het op ongeschaafde planken, wanneer de bijen het gemakkelijk
verzamelen kunnen. Bij ongunstig weder, is het ook goed om met meel
gevulde wastafels in de woningen te plaatsen; want de bijen maken
gaarne van dit hulpmiddel gebruik, wanneer zij geen bloemenstof in
de natuur kunnen verzamelen, doch zij laten het, zoodra zij hiertoe
weder gelegenheid hebben, onaangeroerd.