"Kom, burgemeester--wat doet u nou?"--, gromde de oudste wethouder

in het duister van het gat. Hij geraakte in de verdrukking, zóó als

ze opdrongen om van de plechtigheid getuige te zijn.

Toen zette het hoofd der gemeente, der politie en der brandweer door,

doch confuus en onhandig, _beglimlachte_ hij het plateau, om het

onvertogene te mijden.

"Kom u binnen, kom u binnen," sprak mevrouw de hoofden in de

luikopening toe.

Ze had weer haar ouwe tegenwoordigheid van geest, als gastvrouw van

_Casa Cara_.

Het werd een kort, levendig gedrang.

Al de dorpsnotabelen, de gemeenteraad, het bestuur der harmonie,

het bestuur der rederijkskamer, de notaris, de dokter, allen waren

present en _ontroerd_, toen de heer Zwaluw met een omzwachtelden voet

omhoog kwakkelde en z'n vrouw en dochter 'n broodje en 'n zoen gaf.

Benee speelde de harmonie de marschen en ouvertures, die ze kènde.

"Ophouen! Ophouen!"--riep de inspecteur van politie.

Er kwam stilte.

De burgemeester trad in het midden van den kring en eerst onvast, dan

zekerder--dit was z'n dèrde speech in het openbaar: den eersten keer

nà z'n benoeming had-ie de eerewacht toegesproken--den tweeden keer de

brandweer bij de overreiking der nieuwe spuit--zei hij, met verheffing

en aangedaanheid: "Dames en heeren--mevrouw Zwaluw--mejuffrouw

Zwaluw--mijnheer Zwaluw--als hoofd der gemeente neem ik met gretigheid

het woord om u geluk te wenschen met uw redding. Wij achten het een

eer voor onze gemeente, dat hièr het eerst de vliegmachine in practijk

is gebracht. De heer Zwaluw heeft mij, na zijn herstel, de geheele

toedracht verteld, uw avonturen, uw lijden beschreven. Gelooft mij,

dames, dat, wanneer we in de historie van ons geliefd vaderland met

eerbied den naam noemen van .... van .... van"--transpireerend in de

stékend-heete zon, bleef ook hij stéken.

"Van .... De Ruyter" ...., soufleerde de oudste wethouder op goed

geluk.

"Néé," beet de burgemeester af--en nog den naam niet te grazen nemend,

vervolgde hij "....van.... van de vrouw die bij Leiden's ontzet..."

"Kenau Hasselaar!--riepen een paar gemeenteraadsleden.

".... Juist mijne heeren--wat ìk zeggen wou--van Kenau Simons

Hasselaar--wanneer we met eerbied dien naam gedenken, dan zullen onze

nazaten met misschien even grooten eerbied van de dames Zwaluw spreken,

die met haar man en vader voor het eerst in ons land gevlogen hebben

en manmoedig dit avontuur doorstaan...."

Even zwaaide de arm van den politie-inspecteur over de borstwering,

even tetterden fanfares.

"Mag ik de aanwezigen uitnoodigen," vervolgde de burgemeester:

"driemaal aan te heffen: Lang leve de _vliegende familie Zwaluw_!"

Geestdriftig wèrd het geroepen, geestdriftig brulde de menigte benee,

die door de politie op een afstand werd gehouden.

Amélie at haar tweede broodje--ook mevrouw _kauwde_. De mensch deed

zich gelden.

Toen kwam de president der rederijkerskamer, die in verscheiden

gemeenten den roep had een uitnemend fuist- en feestdichter te

zijn, naar voren, las een làng gedicht, dat hij in het rijtuig had

geschreven. Het eindigde aldus:

Wij zullen aan het nakroost overbrengen

Hoe gij gevleugeld naar deez' toren kwaamt,

Hoe 't noodlot uwe wieken deed verzengen.

Faalt niet een mensch in wat hij soms beraamt?

O Zwaluwen, o Man, Vrouwe en Dochters [2]

Gij hebt het hóógste in dit land volbracht,

Wij noemen UEd. de hemelruime-tochters,

Dit hadden nimmer wij verwacht.

Slaat in de toekomst uit uw breede vlerken!

Vliegt jaren nog tot in 't zesd' geslacht!

Vliegt zonder grens en zonder perken!

Wij hebben eeuwen lang naar UEd. vleugelen gesmàcht!

Weer vielen fanfares in--toen na handdrukken zonder feestlijken

wijn--zóó hoog werd het moeilijk kurken te doen ploffen--begon de

daling naar den _beganen grond_.

O, de vreugde bij de eerste stappen, op 't grintpad, terwijl de politie

salueerde, de vaandels bogen, de muziek fanfaarde, de menschen met

hoeden en zakdoeken wuifden.

Voetstaps, in de landouwers, ging het dorpwaarts. Mevrouw zat naast

Pieter--over hen Amélie.

In het tweede rijtuig kranigde het Dagelijksch Bestuur.

Overal groetten de bewoners.

Het was een Droom--eene ongedachte héérlijkheid.

"Pa--hoe éénig dat u 'r zóó is afgekomen! Hoe heeft u 't dùrven wagen

met 'n kapotte parachute!", zei Amélie, toen ze alles gehoord hadden.

Mevrouw zat zwijgend.

Nu ze hem weer had, hèm dien ze 'n uur geleden als 'n lief,

_ónvleeschelijk_ wezen gezien--nu ze z'n verzakt boord, ongeschoren

kin, bevuilde kleeding, in rauwe werkelijkheid aanschouwde, nu ze zich

zelf ten spot voelde in _zijn_ pantalon, nu kregelde in haar de rijpe

verdrietigheid, dat 't per slot van rekening alles _zijn_ schuld was,

eene schuld niet te zoenen door 'n speech van den burgemeester.

"Piet," zei ze met aanzwellende kribbigheid, "hier heb je je zakboekje

met je laatsten wil."

"Dank je, kind."

"Pièt, 't is goed dat 'r niks van gekomen is."

"Dat is 't, kind."

"Nee, dàt bedoel 'k niet! Hoe kwam je zoo gek om alles an de _gemeente_

na te laten?"

"Ik kreeg zoo die inval, kind."

"En me zuster en 'r kinderen?"

"Die hebben 't niet noodig."

"Zoo," zei ze vinnig, tegelijk glimlachend-groetend: "zóó--je doet

die gekheden geen twééden keer!"

"Dat weet 'k nog niet," verweerde hij zich.

"Piet!"--, dreigde ze.

"Begin je weer kwesties te zóéken?"

"Dat was geen testament--dat was pure onzin--en ijdelheid--om je naam

in de kranten te krijgen ...."

"Daar spring ik voor van 'n toren," zeide hij geprikkeld.

Zoo tòch gezelligjes in den ouden lévenden toon kibbelend, reden ze

het dorpje in, beminnelijk naar alle zijden de kennissen en dorpenaren

toeknikkend.

Katterig hielden ze 's middags receptie bij port, sherry, advocaat.

Kobus liep grunnekend in de gangen en ouwe Chris, bewegend zonder

lichaamsweten, smoorde in den oven met _gehypnotiseerde gebaren_, een

malsch stuk lenden, dat de slager bij uitzondering op Zondag leverde.

Meneer zat met z'n verzwikten voet in ijscompressen.

Mevrouw wrokte over 'n man, die z'n hebben en houen aan z'n familie

_ontstal_.

TIENDE KAPITTEL.

HOLLAND IN DE WOLKEN EN ZEGEPRAAL [3].

"Sedert de heer D. Bolle eigenaar werd van _Ten Brink's

Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe eeuw_,

was het werk in prijs verminderd en spoedig uitverkocht."

(Taco H. de Beer.)

"Een lichtvlucht vlangt mijn schip met blijde mare

En helm-zwaan na, wiens zilver wiekgesprei

Mijn spoor vlingt langs 't azuur."

(J. K. Rensburg.)

In geen járen was _Casa Cara_ zulk een honnig, huiselijk _nestje_

geweest.

Na regen pleegt zonneschijn te komen (zij 't woord niet voor Holland

bestemd)--na storm windstilte--na wanhoop òp een toren: idylle in

'n binnenkamer.

Mevrouw en Amélie sliepen na 't gebeurde dikke vier-en-twintig uur,

meneer bleef nòg langer onder de wol, om z'n voet rust te gunnen.

Toen verkneuterden ze zich gezamenlijk in de welbehagelijkheid van

hun _thuis_.

Wat deed alles frisch en nieuw aan na de nachtmerrie bij de wolken!

Mevrouw liet zich door Amélie geklutste eitjes en geroosterde

boterhammetjes met ansjovis voeren.

Ver-zaligd in de mollige breedheid van den leunstoel voor 't raam,

de voeten op 'n bankje, Tutu en Zo op 'r schoot, beglansde ze

de voorbijgaande, nieuwsgierige menschen met zonnig-genoeglijke

groetjes--en las de feuilletons der krant, die ze op _Koepelsteyn_

niet had kunnen bijhouden.

Lieve huiskamer-teederheid omspon haar.

Ze zei wittebroodsweek-achtige dingen tot Pieter, die óver haar

aan 't andre venster, dronken door de meigeuren van zooveel plots

ontluikende huwelijks-bloesems, de gelukkige vette handen over 't

_ontknoopt_ vest gespannen hield en herhaaldelijk in _droom_-toestand,

met vredige kreuntjes-van-kokende-koffie snòrkte.

Jaren, lange jaren had zij hem den droom, den waarachtigen droom, die

zich in snorken verzinnelijkt, door vinnige interrupties gebrijzeld.

Immers, zoo als hij, zoo onbeschaafd, zoo ruw, zoo ex-slagerachtig

òngedistingeerd, gaf niet één man in Holland de brute echo van het

Ontastbare.

Vandaag, prettig-verzadigd, lichaams-evenwichtig als op dien

vèr-geleden Zondag toen ze bij likeurtjes en bemuis-te beschuitjes

kraamontvangdag hield, vandaag eerbiedig begroet door de dorpenaren die

de speech des burgemeesters in _extenso_ in het plaatselijk blad hadden

gelezen--vandaag dùldde ze zijn gesnork, 't robust getremoleer van

'n _robust geweten_--vandaag hoorde ze er geluiden in, die alleen de

_liefde_, de pure, rijpe liefde eener vrouw ook in dàt onaesthetische,

beluistert, verschoont, begrijpt.

Er was in diè uren op _Casa Cara_ het volmaakte, het harmonieuze,

het subtiele.

Af en toe ging de schel over, kuchte een visitekaartje in de bus,

nieuw aandoenlijk bewijs der publieke belangstelling.

De menschen schenen van alle zijden door eene kiesche veneratie

bezeten.

Wildvreemden namen de hoeden af.

Jans, die uit Friesland terug was, Chris, Kobus (plechtiglijk

ontkerkerd na meneer's bewust-wording) werden aangesproken,

befluisterd, _befooid_.

De melkboer gaf 'n scheutje toe, wijdscher dan z'n duim in de pint had

verschalkt--de jongen uit den comestibleswinkel--'n eerbiedsstaaltje

om nimmer te vergeten!--die dagelijks kwam hooren of 'r rookvleesch,

saucisse, blokworst, gelardeerde kalfslever noodig was, stopte Kobus

'n handteekeningen-album in de hand, met het bevend verzoek of meneer

en mevrouw zoo buitengewoon vriendelijk wilden zijn hun _namen_,

elk op 'n blanco bladzijde, te schrijven.

Het wakkere dorp was van eene superbe Amerikaansche onthutsing.

Ten bate der algemeene armen hield de "Vereeniging tot bevordering

van het vreemdelingen-verkeer", gedurende twee dagen, eene

tentoonstelling der beschadigde vliegmachines, der ledige flesch,

't ledig sardineblikje, de portretten der helden en van 't dramatisch,

alles zeggend visitekaartje met haarspeld: "_Mijn vrouw en dochter

zijn levend of dood!! op den toren. P. Z._"

Drie honderd zeven en twintig kwartjes werden ontvangen.

Dat geschiedde in het dorp.

Er buiten steeg de ontroering in gelijke of versnelde mate.

Verschillende bladen wijdden hoofdartikelen aan het nieuwe middel

van vervoer.

Men doorzocht de vaderlandsche historie, stelde vergelijkingen tusschen

de uitvinding der boekdrukkunst, het haringkaken en dàt.

De ruïne van _Koepelsteyn_ en alweer de heer en mevrouw Pieter Zwaluw

met _gezin_ vulden de geïllustreerde tijdschriften.

Het _land der trekschuit_ had het eerst in Europa gèvlógen.

Er waren er die het niet geloofden, die van een _canard_--vlóóg 'n

canard niet?--spraken, die zich wilden overtuigen. Ze zouden spoedig

in een hoekje gedrongen worden.

De eerste fietsers hadden bekijks, werden gesteenigd, gebeten (door

honden), de eerste luchtpeddelaars, die den Nacht boven den Dag

verkozen, zouden nà hun lijden volgers vinden, volgers bij honderd-

en duizendtallen.

Wanneer ge, vooruitstrevenden, in later jaren, als schrijver dezes

'n eerbiedwaardig grijsaard zal zijn--der Sport ontvallen--dit

Boek van avonturen doorbladert--moge de _tand des tijds_ en het

gruwzaam gebit der critiek het tot dien datum (1950) sparen!--welk

een phantastisch-heerlijke droom voor den uitgever en mijzelven

(eind der interruptie)--wanneer ge in negentienhonderd vijftig,

om man en paard te noemen, dit thans schijnbaar topzwaar _episch_

verhaal herleest, of er uw kleinkinderen mede rustig houdt, bedenkt

dan dat ònze voorvaderen geen vermoeden noch begrip hadden van doosjes

_Säkerhets Tandstickor_ (Zweedsche lucifers, _made in Holland_),

van naaimachines, van waterleiding of linnen zakdoeken, om te zwijgen

van zoo overdonderende zaken als eene electrische tram, telegraphie

zonder draad en W. C.'s in _treinen_. Bedenkt, vooruitstrevenden,

hoe onze kinderen thans, als eene vredige kalmte des tijds, auto's,

tuffen, X-stralen, hondsdolheid-serum, bestuurbare luchtballons,

gepasteuriseerde moedermelk _aanvaarden_--bedenkt dat de vliegmachine

der familie _Zwaluw_ geen Mop doch een voorhoofd-rimplende _Ernst_ is.

Nog vóór de verzwikte voet in _Casa Cara_ tot beleidvol gepeddel in

staat was, had de Amerikaansche firma uit Holland reuze-bestellingen

gekregen.

De eenvoudige machine, waarop de vleugel-lam-geslagen Menschheid zoo

innig gewacht had, werd de sensatie van den dag.

Binnen eene maand na de eerste levering was er reeds een fabriek

bij Amsterdam opgericht, die de toestellen namaakte en ze goedkooper

fabriceerde.

Ter eere der eerste vliegers heette het merk _De Zwaluw_.

Oudbakken zaken als dépôts, vliegscholen etc. terzijde latend, ook

de nuchtere verbazing in de straten bij het zien der luchtpeddelaars

in vol dàglicht, vermeldt de geschiedschrijver uitsluitend de meer

gedecideerde lijnen van opschudding en verkeers-verbouwereerdheid.

In de eerste maanden ontstond er inderdaad eenige Anarchie.

Wat de heer P. E. Zwaluw voorspeld had, toen hij het geval

_theoretisch_ bepeinsde, geschiedde in verrassend-juisten zin.

Daar niet alle vliegers begrip hadden van de regelen der samenleving,

elke vogel zingt zooals hij gebekt is, elke omwenteling andere manieren

en wetten noodig maakt, veroorzaakten de plotseling opduikende,

neerschietende, op de kozijnen rustende luchtpeddelaars stoornis in

zeden en gebruiken.

Vrijages bij zoldervensters vervingen het gekeuvel aan voor- en

achterdeuren.

Menigmaal, nadat op soliede wijze gesloten was, verlieten lichtzinnige

zoons de ouderlijke woning, om nièt-controleerbaar weder terug

te keeren.

Achtbare gezinnen op deftigste grachten hadden uren dat zij aan

vroeger verachte alkoven en raamlooze kamers de voorkeur gaven, daar

bijzonderlijk op feestdagen rumoerige, brooddronken Zondagsvliegers

de luchten en vensters onveilig maakten.

Vooral de tweede Pinkster-dag van dat jaar was berucht om het

onhebbelijk, weerzinwekkend _dauw-peddelen_.

Wel sloten 's avonds gordijnen allen inkijk af, maar in de wàrme

dagen werd het op die wijze eene marteling.

Noch voor noch achter had men een vrij zitje.

En dikwerf 's avonds, als men te rusten lag, rommelden dakpannen

omlaag onder de _onhandige_ vóéten van een zwerver.

De huizenbouw, al niet meer berekend op modern leven met moderne

eischen, de heele schoone architectuur van muren en raampjes kreeg

een nekslag.

Veiligheid, zedelijkheid, vrij en intiem familieleven eischten òf

het verbod van vliegen òf eene revolutie in revolutiebouw.

De architecten hielden buitengewone vergaderingen.

Men bepraatte de noodzakelijkheid van matglas met luiken.

Men bediscussieerde de mogelijkheid om op vijf-meter-afstand der

woningen rasterwerk te stellen.

Het stuitte af op oneindige bezwaren.

Met lapmiddelen bereikte men niets.

Toen schreef men een prijsvraag uit en bekroonde drie antwoorden.

Het eerste gaf een model-woning ònder den grond, ingericht als een

stoomboot met ventilatoren en licht-reflectors.

Het tweede een huis van enkel muren--en vensters op een overrasterde

_binnenplaats_.

Het derde had een vernuftige samenwerking van lenzen.

Vast stond, onherroepelijk vast, dat de bestaande bouworde om

practische en aesthetische redenen gedoemd was.

Een huis werd niet meer van uit de straat en van de overzij bekeken.

Het dak trok de meeste aandacht.

De rookende schoorsteenen moesten verdwijnen.

Zij belemmerden het verkeer en waren schadelijk voor de gezondheid,

tenzij rookend van tien tot elf 's morgens, op het uur dat kleeden

geklopt werden.

Platte daken, beplant en versierd, werden eene noodzakelijke mode.

De luxe richtte zich naar het dak vóór alles.

De pui, de hoofddeur werden bijzaak.

De lang verwaarloosde bol van het huis kwam onder kappershanden,

werd gefriseerd, gefatsoeneerd.

Men dronk er koffie, thee, ontving er.

De logica bracht vanzelf mede, dat de bovenste verdieping eener woning

voor ontvangzaal werd ingericht.

Bevriende lucht-peddelaars drie, vier verdiepingen te doen afdalen

naar de _suite_, bleek onmogelijk en ongastvrij.

De dienstbodenkamers zakten eerste-étage-waarts.

Benedenwoningen stonden in massa's te huur, bleven leeg of werden

betrokken door ouden van dagen, zieken en gebrekkigen.

Hijschbalken werden onnoodig.

Waartoe lijnen en kabels om meubilair omhoog te brengen, terwijl elk

vliegend kruier de meubelen aan zijn ballasthaak door de vensters

peddelde?

Kortom--een te lange opsomming van normale, alleen in den éérsten groei

vreemde feiten, zou den lezer vermoeien--het heele wezen van het Huis

met z'n inrichting, aspect, bedekking, schoorsteenen etc. onderging

eene wonderlijke verandering.

Waar het oog reikte zag men bebloemde keurig onderhouden dak-tuinen.

De rijke lieden plantten de kostbaarste zaken, de _degelijke_ burgerij

bloemkool, savooiekool, boerekool, boonen, erwten, rhabarber.

Hier en daar, op het dak van kleine burgers, graasde een geitje, liepen

kippen en konijnen, doch nagenoeg overal ontwaarde men waakhonden,

die grimmig de lucht-peddelaars nablaften.

_Garden-parties_ raakten uit de mode. _Flat-roof-parties_ werden

de _topic_.

De geheele maatschappij werd in enkle maanden opgejaagd.

Er waren dagen, dat treinen en stoomtrams ganschelijk ledig liepen.

Van Amsterdam naar Leeuwarden, van Den Haag naar Katwijk, van Den

Helder naar Arnhem, bleek thans de eeuwenoude mathematische stelling,

dat de kortste verbinding tusschen twee punten de rèchte lijn is,

inderdaad de kern-ware te zijn.

Riviertjes, noch kanalen, noch zeeën had men te mijden en tegen

accidenten verzekerde al dadelijk de "Eerste Nederlandsche

Vliegverzekering-Maatschappij", die alle ongevallen waarborgde,

behalve zelfmoord en het _moedwillig_ opvliegen tegen telephoon-,

telegraaf- en andere draden.

Een fietser zag men zelden.

Wie een fiets kon koopen, kon zich een _Zwaluw_ aanschaffen, ook

op afbetaling.

Ook de auto's raakten in discrediet.

De wegen, kort geleden onbegaanbaar, door woest gerij en

het afschuwelijk zomersche stof, werden door conservatieven en

reactionnairen bewandeld, evenwel niet zóó sterk of tusschen de keien

en tegels alom weligde gras.

Vele verhoudingen werden zonderling.

Zelden kostte een brand menschenlevens.

Elk huis had 'n uitgang in 't dak en de slangen der brandweer _vlogen_

omhoog eer 'n vuurtje lucht had gehapt.

De politie had het zwaarder te verantwoorden.

Bereden politie was nutteloos. Welke beteekenis had 'n paard? Vliegende

brigades, gestationneerd op de daken der bureau's en posthuizen,

hadden bij dag een wanhopend werk om de menigte links en rechts te

doen houden, daar links en rechts in de ruimte een klànk werd. Bij

avond en in den nacht fladderden de brigades machteloos....

De steden waren niet te overzien--de ruimten niet te belichten. De

vele sterren èn de ontelbare lantaarns der peddelaars stichtten een

onbeschrijflijke verwarring tusschen huishoudelijke en Groote-Beeren,

aberratie, planeten en meteoren. De Keplersche wetten schudden op

haar elliptische grondvesten. In één maand tijds kreeg Jupiter er op

het Lick-observatorium een dozijn foutieve satellieten bij ....

Er werd zeldzaam veel _gevloekt_ (in de hemellagen) in die eerste,

éérste bevleugelde tijden.

Gevloekt óók beneden in de rustige straten, waar eindjes sigaar,

verbruikte pruimen, kousenbanden, haarpennen en verbruikte zolen uit

de Mysterie nedertuimelden.

De vogels sliepen 's nachts in de boomen--boemelende nachtpitten

peddelden tot de ochtendschemering, helaas.

Want het gebeurde toen dikwijls, dat de Dageraad bewusteloozen en

dooden in de telephoonnetwerken aanschouwde.

Had de politie eene bezwaarlijke taak--bedenkt u eens hoe schromelijk

de aanwas van inbrekers, in-sluipers, in-vliegers werd!--de _generale

staf_ scheen een oogenblik met lamheid geslagen.

De verdediging des Vaderlands geraakte van haar stabiele basis.

De plek waar eens de wieg op stond, kon geen úúr langer aan

stompzinnig-_loopende_ soldaten blijven toevertrouwd.

De geheele schoone traditie van rotten-links en rotten-rechts,

stormloop, zwenken, defileeren, tirailleurslinie, sectie, compagnie

enz. lei in de _modder_.

De uitnemende hollandsche _Waterlinie_, met of zonder water (welk

een gelukkig toeval dat er geen vérdere kosten gemaakt waren om

voor heuschelijk wàter _in_ de linie te zorgen!) verschimde tot een

vogelverschrikkend onding.

Een ooievaar zou er vróeger niet voor teruggedeinsd zijn--een vliegend

eskader gierlachte er om.

En het vestingstelsel!

Waarlijk ook in dit opzicht bofte het Land.

De prijzenswaardige Voorzichtigheid om _langzaam_ te voltooien en het

geschut geleidelijk te verplaatsen naarmate de forten _verzakten_,

behoedde de burgerij voor nieuwe uitgaven.

Vestingen, pantserschepen, snelvuurgeschut waren plots zoo verouderd

als harnassen en maliënkolders.

Een 30 c.M. kanon _loodrecht_ te richten, het eischte meer van de

gevaarten dan de _platteland-dronken_ Kruppsche ingenieurs er mee

bedoeld hadden. En zeer terecht groeiden er _aesthetische_ bezwaren

tegen een slagveld, dat met z'n staande kanonnen in dubbelen zin op

een kerkhof met buitenissige zerken geleek.

De _Generale_ staf hijgde voor een berg hindernissen en gevaren. Had

men tot heden voor naburen, met wie direct gerekend moest worden,

twee of drie mogendheden geteld--heden, o nachtmerrie, begon een

lucht-oorlog met Zwitserland of Abessynië tot de èrnstige mogelijkheden

te behooren.

Holland als bufferstaat bestond niet meer.

Tusschen Duitschland en Engeland wijdde de hemel, de vrije, heerlijke

_vechthemel_, de hemel zonder rivieren, bergen, vestingen, mijnen.

Ja, dàt was bij alle slapeloosheid en hoofdbreken eene kostelijke,

blijde verheugenis, dat er op de gansche wereld een _ideale_ Ruimte

was gekomen om mekaar dood te slaan.

't Slag-veld werd legendarisch--de Slaghemel de strategische droom

van elken aanvoerder.

De opperste veldmaarschalk heette opperste hemelmaarschalk.

Een veldheer noemde men kortheidshalve _lucht-chef_.

De dienst-te-velde werd herdoopt in dienst-te-wolken.

De cavalerie verdween--ook de genie.

En om de mobilisatie te bevorderen in den zoo spoedeischenden zin van

den gevleugelden tijd, kreeg elk mannelijk en vrouwelijk ingezetene

boven de achttien jaar een dienst-vliegmachine met speer thuis.

Het bezwaar om ook de vrouwen dienstplichtig te maken hield in de

Ruimte op.

Man en vrouw konden met hetzelfde gemak een bom laten _vallen_.

Laten vallen _op wie beneden vloog, liep, at_.

Een leger van vliegende vijanden te omsingelen, af te snijden, om te

trekken, werd hopeloos gekkenwerk.

De eerste wet van alle zuivere strategie werd het (gevleugeld)

woord _Excelsior_!

Geraakte men _boven_ het vijandelijk heir, dan was dit vernietigd.

Vandaar dat eenige keur-regimenten, de zoogenaamde

_Nuageurs-en-plein-air_, als opvolgers der _grenadiers_ en _jagers_,

voortdurend geoefend werden op duizeling-wekkende hoogten (5000 tot

10000 M.), om zich te gewennen aan de _eigenaardigheden_ der sfeer.

Veel gebruik maakte men ook van den genialen inval van een kapitein der

_nuageurs_, die proefnemingen met gedresseerde arenden en valken nam.

In den nieuwen oorlogstoestand bleken die nagenoeg tot de diergaarden

beperkte soorten zeer wenschelijke bondgenooten.

Zij vielen de geduchtste vijanden aan, _reten hun de hersenpan

vaneen_, rukten oog en uit, of scheurden de zijden vleugelen der

tegenstanders stuk.

Van deze _roode_ afgrijselijkheden afstappend--niet nader uiteenzettend

hóé gemakkelijk oorlogschepen, gewapende luchtballons etc. geënterd

konden worden--eveneens als _welvoegelijk avondkouter_ de gevolgen van

volks-meetings, volks-bewegingen en internationale arbeiders-vlucht

_wijselijk mijdend_--zij het veroorloofd nog een páár opmerklijke

maatschappelijke veranderingen te releveeren.

Het geschiedde dat de brievenbussen aan de daken bevestigd werden en

de rond-zwevende bestellers aangenamer taak kregen.

Schipbreuken waren zeldzaamheid.

Elk zeeman had bevleugelde reddingsgordels.

Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers · 第 7 / 8 段