In de schouwburgen moesten de vestiaires vergroot worden ter bewaring

der vliegmachines.

Deze tak van _Kunstnijverheid_, die zoolang op slechte recettes

geteerd had, leefde plotseling wonderlijk op.

Uit de vele ontberende provincieplaatsjes vloog het 's avonds storm.

Wat in geen eeuwen gebeurd was, gebeurde thans: er kwam gebrek aan

theaters, directeuren, raad-van-beheeren, adviseurs, critici en wat

verder tot het Vak behoort.

De tjingeltjangels en café-concerts verliepen geleidelijk.

Althans het groote publiek, nu zèlf gewend aan _parforce-toeren_

in de open lucht, juichte het gezwaai aan trapezes minder toe.

Na veelbewogen tochten over rivieren, zeeën, daken, deed zich de

behoefte aan _intellectueele_ zaken gevoelen.

De geozoniseerde Menschheid herkreeg haar ouwe liefde en gelaatskleur.

Stukken die men doodgespeeld waande, als _De Roode Brug_ en _De twee

Weezen_ maakten series met verscheiden nullen.

Acteurs, die zich uit broodsgebrek in het burgerbestaan hadden

teruggetrokken, werden weer _artist_.

De auteurs verdienden zonder hoog te vliegen betuinde villa's bij

de vleet.

De aandrang naar de schouwburgen werd zóo hevig en het gedrang bij de

toegangsdeuren (op de eerste étage) soms zoo vinnig, dat een listig

ondernemer op een weiland buiten (afstanden bestonden niet langer)

een openlucht-theater met _dertig duizend_ zitplaatsen liet bouwen.

Men vloog vóór acht naar zijn plaats. De ondernemer had voortreffelijk

gezien. Bij droog weer hing elken avond het verlicht transparant

_Uitverkocht_ aan een ballon captif boven het arena. Ook de literatuur

kwam meer _en vogue_.

Er was waarlijk niets genotrijkers dan op een eenzaam plekje in de

wolken rond te drijven met een boek op de stuurstang.

In de meest sereene stilte lééfde men met z'n _lievelingsdichter_.

Verheven boven het gewoel beneden, benaderde men met teer gebaar de

verheven stemming van den poëet.

Realisme en naturalisme kregen een _knauw_.

Peddelend-droomend begréép men eerst, _dat kunst hooger moet heffen

dan aardsche vleuglen gedoogen_, en uitblazend op een lastigen

telephoon-paal of op een torenkruis, schaamde men zich voor z'n

vroegere verblinding, z'n vroegere genegenheid voor _modder-goden

en riool-ontleders_.

Ook de volks-spelen verkuischten, vermannelijkten.

In plaats van kuit-wedstrijden op wielerbanen, schaatsenrijden,

Grieksch-Romeinsch geworstel (met het doelloos nut twee schouders

op een _nuchteren grond_ te drukken--_à quoi bon?_--,) ontstonden

verrukkelijke vlugheids-spelen om een duif in haar vlucht te

grijpen--om door hoepels te parachuteeren--om in verblindende vaart

een appel met een _speer_ te doorsteken.

De zeden werden in zooverre verzacht en verteederd dat niemand er

meer aan dacht _vliegend_ gedierte te kwellen of te mishandelen.

Wist men niet aan z'n eigen lijf van de gevaren?

Er kwam een "Bond tot bescherming van insecten bij _brandende lampen_".

Zelfs geen jongen kreeg het meer in 't hoofd nestjes uit te halen.

Zoo zeer steeg dit sentiment voor alle bevleugelden, dat er eene

neiging groeide den Hollandschen Leeuw op de vele wapens door

een _minder achterlijk_, minder aan de aarde vastgebakken dier,

te vervangen.

Behoeft aan dit beknopt en schuchter overzicht van eene geweldige

evolutie te worden toegevoegd, dat de verschillende mogendheden,

geschokt en ontdaan, eene spoed-conferentie in Den Haag belegden.

Reeds lagen de eerste heipalen voor het Vredes-Gebouw gereed.

En nog voor de moker zijn slagen mepte, debatteerden de _Délégués_

met onthutste gelaten.

De _Flying Dutchman_, het ding van trappers en aluminium-latten, smeet

geheel Europa in een roes, lachte als een 'n kwajongen om tractaten,

volkerenrecht, oorlogsrecht, internationale bepalingen.

Het evenwicht der beschaafde naties was verbroken.

Een hollandsch minister-president was vliegend gezien, te zamen met

een belgisch, een zwitsersch en een monacoosch _staatsman_.

De kleine landen verbonden zich.

Berlijn, Londen werden overgeleverd aan de willekeur der stoutmoedigen.

"Messieurs," sprak de duitsche afgevaardigde, bezorgd denkend aan de

vergruizelde eenheid van het duitsche rijk en de geruïneerde duitsche

oorlogs-industrie: "Messieurs, indien wij thans den oorlog niet

_kortwieken_, worden wij door den drang der volkeren _overvleugeld_,

zal het in de wereld bloed _regenen_. Ik stel voor elkander lief te

hebben ...."

Voor de vuist sprak hij in dien zin een paar uur.

En na eenige broeiend-optimistische discussie, werd voorloopig

aangenomen dat alle beschaafde landen als _open steden_ zouden worden

beschouwd, noch aangevallen, noch be-bomd mochten worden.

Omdat die besluiten evenwel niet doorgevoerd kònden worden, zonder

_onaangename concessies_ aan _meesmuilende socialisten_, ging men

tot eene zitting met gesloten deuren over.

Hier sluit ook Falkland--nièt meesmuilend--matigheids- en

bezadigdheidshalve de deur.

Het spreekt echter vanzelf dat de heer P. E. Zwaluw dat jaar den

Nobel-prijs verwierf en aangezien het ongepast is een Verhaal van

avonturen als een nachtkaars te doen eindigen, vermeldt de auteur,

ter wille der volledigheid en der stemming zijner nieuwsgierige lezers,

nog dit prettig slot:

ZEGEPRAAL.

Wanneer eene gebeurlijkheid algemeen en gemeen goed wordt, gevoelen

wij geen gretige belangstelling meer voor het wedervaren van kleine

enkelingen.

Zoolang de familie _Zwaluw_, ònbegrepen en eenzaam vloog, trok zij

onze aandacht.

De stormachtige beroering van àlle beschaafde volkeren, de driftige

opeenvolging van incidenten, ongelukken, zegepralen der vliegers,

dwingt ons de helden der historie tot het normaal plan terug te voeren.

De overgang is moeilijk.

"Du sublime au ridicule, il n'y a qu'un pas."

Na al het grootsch-aangeduide te besluiten met de geruststellende

verklaring dat de verzwikte voet des heeren Pieter Zwaluw spoedig

genas, lijkt een sprong in de _bùrgerlijkste_ diepte van 't leven.

Er is gelukkig meer te zeggen.

In de bloeiende opleving der tijden, in die schoonste _Renaissance_,

was Pieter Zwaluw een der eersten om voor te gaan.

Zijn dak-tuin wèrd een der fraaiste en smaakvolste, zijn huis practisch

en comfortable.

Buitengewoon gezien in de plaats, eereburger, eerelid-der-soos, lid

der Leidsche Maatschappij van Letterkunde, het Utrechtsch Provinciaal

Genootschap èn beriddeord (_Oranje-Nassau en Huis-orde_), bleef hij

tot zijn ouden dag in wetenschap liefhebberen.

Het _pootje_ belette hem na een paar jaar in z'n eentje te vliegen.

Toen liet hij--wéér de eerste--een vernuftigen bi-luchtpeddel en een

tri-luchtpeddel maken.

Gesteund door de vleugels van vrouw en dochter, kon-ie zoo nog een

heele poos mede.

Ook dàt nam een einde.

Mevrouw werd een weinig zwaarlijvig en kort-ademig en Amélie geraakte

_verliefd_. Het was te voorzien.

Op een _flatroof-party_ leerde ze hèm kennen.

Binnen een maand, geheel bekoord door haar eleganten vleugelslag,

deklareerde hij zich op diezelfde ruïne van _Koepelsteyn_, die

eenmaal vermaard geworden, tot een gemeentelijk toren-plateau-café

was ingericht.

En daar noch mama noch papa op dat tijdstip als _facheux troisième_

konden meepeddelen en een saamvliegend paartje ook in de wòlken over

de tong ging, volgde bijzonder snel de bruiloft.

O, het geluk van Mevrouw Zwaluw, toen Amélie haar na maanden op het

dak, in het oor fluisterde: "Mama--ik hoop _moeder_ te worden ...."

"Wat maak je ons blij," snikte mevrouw.

"Ik zal al héél gauw niet meer kunnen vliegen, mama ...."

"Dat is niets," sprak mevrouw innig: "de _ooievaar_ zal 't voor jóú

doen, kind."

Het werd een zoete tijd van verwachting.

Vrienden, vriendinnen vlogen in en uit, lieve verrassinkjes aandragend

voor de luiermand.

Ouwe Chris merkte met 'r stevige handen de honderd luiers en

't kindergoed.

Dat verstond ze. Dáár had ze schik in. Dat was en bleef mèt de

amsterdamsche lootjes van den _goeien_ ouwen tijd.

Sinds 't _spektakel_ in de wolken gaande was, kéék ze niet meer naar

den Hemel.

Een wurm in de aarde was 'n heilige, zei ze, vergeleken bij de dolle

menschen van den tijd.

En toen de jonge moeder weer zoover hersteld was, dat ze 'r eerste

tochtje na máánden kon doen, bleef Chris trouw en plechtig op den

knolligen jongen passen, die z'n duim bezoog en van god-verzoekende

malligheden geen besef had.

De jongen heette _Pieter_ naar z'n grootvader--_Sperwer_ als symbool

van 'n krachtigen vlieger--_Bakker_ naar z'n vader: _Pieter Sperwer

Bakker_.

Het was een voorspoedig kind.

Binnen 't jaar begon-ie te babbelen.

't Schoonste uur voor de heele familie was 't oogenblik, toen-ie in

z'n handjes klapte bij 't kippenhok, waar de haan gekraaid had en

z'n grootvader aanriep met den zinnebeeldigsten naam.

".... _Opa-kukelu!_"

"Wàt zeg je daar?"--, vroeg grootvader verrast.

"_Opa-kukelu!_"--, herhaalde het ventje.

De heer P. E. Zwaluw kreeg tranen in de oogen.

"Wat 'n _goddelijk_ verstand," zei-ie met dik-aangedane stem [4].

[Illustratie: Pentekening van vogel met eikenbladeren in bek op een

stapel boeken door S. Falkland.]

EINDE.

AANTEEKENINGEN

[1] De lezeres, gewend aan de uitdrukkingen: "liep te bepeinzen" of

"zat te bepeinzen", dient zich aan de nieuwe woordvoeging van het

geval te onderwerpen.

[2] De s eene dichterlijke vrijheid.

[3] Niet te verwarren met de _Quérido'sche_.

[4] Als 'n beminnaar van schoone kunsten eene serie

tentoonstellings-zalen betreedt, en links portières speurend, ook

daarheen zijne gretige schreden richt, dan zal hij wellicht ontstemd

zijn, wanneer hij àchter die portières eene vestiaire, met hoeden,

wandelstokken, parapluies, aanschouwt. Op analoge wijze stel ik

mij de ontnuchtering voor van de bewonderaarster mijner schoone

teekeningen, die nà pag. 113 vruchteloos hare vingers bevochtigd

heeft, huiverig-verlangend naar verdere fantastische _scheppingen_,

alsnog onzeker wèlke dier gewrochten zij zou uitknippen, om in een

_passe-partout_ te doen _encadreerenen_--en tot op deze pag.... 188

nièts meer vindend. Ik bevroed de _pijnlijke_ teleurstelling. Verwijs

de verbolgenen naar den uitgever, _ergens in Bussum_. Ik ben

onschuldig. Zoo puur van geweten als 'n knaap van twee jaar. Reeds lang

had het tusschen mij en dien heer _gemot_. Ik kan wel _kunstzinnig_

samenwerken met iemand, die mij _begrijpt_, maar als men me kwelt

en spijkers op laag water zoekt, stuif 'k in breede verwoedheid

op en smijt _Neelmeyer_ tegen de vlakte. De littéraire lezeres, in

deze bewogen tijden gewend aan de donderkoppen des letterkundigen

hemels, gevolgd door mokerslagen en inslaande bliksemstralen,

mede door afzichtlijk-verminkte lijken van literatoren-van-naam,

heeft de donderkoppen tusschen mij en den Bussumschen uitgever

natuurlijk al lang in de spiezen gehad. Of de littéraire lezeres is

door al het rumoer en gemoord reeds _geïmmuniseerd_. Om te betoogen,

hoe goddelijk 'k verongelijkt ben, heb 'k slechts dit _overzicht_

te geven: _a_) Ofschoon genoemde heer mij in de qualiteit van

_verluchter_ inderdaad _ontdekte_, en ik hem tot zóóver hulde breng,

werd ik reeds bij de tweede teekening verplicht te vermelden, dat

"de beknibbelende uitgever finantieële en technische bezwaren had", om

die teekening in kleurtinten te reproduceeren. In die dagen kwam onze

botsing evenwel niet tot _uiting_, daar zooals ik op pag. 35 schreef:

"bij een herdruk deze bezwaren mogelijk opgeheven zouden worden." De

verkoeling wàs er echter. Wanneer men nachten op den _steen_ arbeidt,

met aanduiding van terra-cotta, crême, karmijnrood, dan ziet men niet

gaarne zijn _oeuvre_ zincographisch verknoeid. Ik _duldde_ dat.

Mijne verdere motieven zijn: _b_) .... Bij de derde teekening op

pag. 44 beweerde de uitgever, dat hij nooit last had van haartjes,

als-ie 'n nieuwe pen gebruikte. De haartjes om de harige maansikkel,

wilde hij bij ontstentenis van inktstuf met de scherpe punt van

'n voorsnijmes verwijderen. Ik verzette mij tegen dat ingrijpen in

_artistieken arbeid_. Wáár moet het heen met de zelfstandigheid eens

_artiests_, als 'n werkgever hem achter de schermen met de punt van

'n voorsnijmes blameert? Verkoopen wij kunstenaars onze _ziel_? Ik

weerde de punt af, won het pleit mèt krakeel. Motief _c_) .... Bij de

teekening op pag. 50, uitte 'k mijn wrok op bedekte wijze, door te

zinspelen op een "provinciaal deskundige" die beweerd had dat mijn

schoorsteen niét bestond, en gaf ik bizonder scherp te kennen, dat

'k voor zùlke lieden niet teekende. Bij de teekening op pag. 61 moest

'k dit aandikken. Immers aan 't slot der noot achtte ik mij zedelijk

verplicht te melden: "Enfin, de _uitgever_ moet 't weten. Ik houd mij

koel en 'r buiten." Deze toespeling, alsmede de critiek die ik mij

veroorloofde, op de waarlijk _stuitende_ woorden van den auteur, maakte

de Bussumsche heer zóó verbolgen, dat hij alweder wilde snoeien, en

mij eenige keeren in de Kalverstraat te Amsterdam voorbij liep _zonder

den hoed af te nemen_. Te deksel, als wij schrijvers en illustratoren

in het zweet van ons aanschijn, de uitgevers aan hoeden hèlpen--mogen

we dan niet verlangen, dat tegenover ons de burgerlijke beleefdheid

in acht worde genomen? Mag ik als verluchter geen diepgevoelde meening

neerschrijven over den auteur _Falkland_, wiens populariteit een _hoon_

is voor alles wat schoone geschriften produceert? Te deksel.... De

strijd, in het stadium gekomen _van het elkaar niet meer groeten_,

werd er intenser op. Motief _d_) .... Bij de inderdaad _heerlijke_

teekening op pag. 71 schreef mij de tegenpartij: "Wat beteekent

toch, mijnheer, de eierdop waaruit de vlammen slaan?" Om nadere

informaties verzoekend, bleek mij dat de kunstkenner de teekening

_ondersteboven_ had gehouden. Men zwijgt hooghartig bij zulke

enormiteiten. Bij wijze van terechtwijzing, antwoordde 'k (pag. 71)

... "helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over

alles en nog wat publiceeren." "Welk een afschuwelijke samenwerking,

nietwaar lezeres? Ieder teekenaar zou er op die manier de brui aan

geven. Nòg was 't einde niet daar. Motief _e_) .... Op pag. 106,

ter hoogte der _uitnemende_ illustratie van hemd en toren, berichtte

ik reeds de uitspraak: ".... Schei in 's hemels naam uit met dat

_geknoei_, dat mij per vierkanten centimeter cènten kost..." ....,

eene grofheid van zóó ongewoon gehalte, dat men z'n nagels van woede

zou bebijten, zoo men daar aanleg toe had. Ook gaf de vergissing van

het P. Z. 12 tot veel onheusche opmerkingen aanleiding. Ik draag

_frontjes_, vind het derhalve niet zulk een hevige fout, als men

zich in het merk van een _overhemd_ vergist. Vertoornd zeide ik

tot den uitgever: "Fiche moi la paix!".... Toen, bij de teekening

op pag. 113, meende mijn tegenstander _geestig_ te zijn, door een

paar inktmoppen, mijner ontroerde pen ontvallen, mede in het cliché

op te nemen. Men doet zoo iets niet. Het is buiten de perken van het

welvoegelijke. De grootste artisten: Steinlen, Léandre, Ibels, Veth,

Roland Holst, Hoytema, Crane, Whistler enz. hebben wel eens moppen op

't papier laten regenen. Mijn collega Toorop stiet onlangs een kop

waterchocola naast het verrukkelijk portret van een pastoor. Zou in

zulk een geval de uitgever niet _schaamteloos_ gehandeld hebben,

als hij die chocolade-klodders hadde aangebracht? Bevend van

verontwaardiging, onmachtig tegenover _willekeur_, weigerde ik

de achtste en negende kapittels te _verrijken_. Ziehier het

overzicht--vrij van scheldwoorden, uitsluitend gebaseerd op

gezond verstand--van de onverkwikkelijke verhouding tusschen een

_kunstenaar_ en een _zakenman_. En na al de onaangenaamheden mìj

aangedaan--welke vreemde opvattingen hebben onze belagers toch!--had

deze heer nog de vrijmoedigheid, mij een week geleden op dringende

wijze te verzoeken _zijn portret voor dezen bundel te teekenen_. Ik

weigerde meelijdend doch beslist. Het zou te zot worden. Om hem

daaromtrent nog eens goed mijne opinie te zeggen, had ik er zeker

genoegen in, voor slot-teekening _den nièt in mijn geest schrijvenden,

afstootenden auteur van dit boek_ (hoe vindt zoo iets 'n uitgever en

'n lezerskring?) op zinnebeeldige wijze voor te stellen. Klompen-gedoe.

S. F.

Bij den uitgever van dit boek verscheen van

S. FALKLAND (Herm. Heijermans Jr.):

Kleine Verschrikkingen. Ing. f 1,--. Geb. f 1,50.

Van HERMAN HEIJERMANS Jr.:

Tooneelstudies. I ... Ing. f 1,25. Geb. f 1,50

Tooneelstudies. II, III en IV, inhoudende:

"Schakels", "Bloeimaand" en "Allerzielen".

Ing. f 1,--. Geb. f 1,35.

End of Project Gutenberg's Gevleugelde Daden, by Herman Heijermans Jr.

Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers · 第 8 / 8 段