"Wat heb jij met je mevrouw, je meneer, je juffrouw uitgevoerd?"--,

sprak de burgemeester, als 'n scherprechter.

"Weet 'k niet," antwoordde Kobus voor de derde maal.

"Dat weet jij wèl," drong de ondervrager aan.

"Nou dan weet 'k 't wel," zei de knecht onbeschaamd: "'k Heb ze

opgevrete--nou hoor je 't!"

Chris plofte van de trapleer in de _aucuba's_-- de agenten knepen

sterker de boeien.

"Hou dien kerel vast tot ik _huisonderzoek_ heb gedaan," gebood

de burgemeester.

Met de revolver in de hand, manhaftig, inderdaad alléén, inspecteerde

hij 't geheele huis, de kasten, de buffetten.

Zelfs ónder de bedden zochten z'n loerende oogen.

In de badkamer was 't water nog aangenaam lauw--in de eetkamer sloeg

bruine damp uit den drooggestookten theepot.

Resoluut blies de burgemeester de spiritusvlam uit, betastte de nog

_warme_ eieren.

Een raadsel, een gruwelijk raadsel.

Er was géén achterdeur.

_Zwaluw_ had destijds.... gelogen.

En nu was-ie misschien dupe vàn die leugens geworden.

Besluiteloos keek de detective uit het zolderraam--er waren

_voetsporen_ in den groenen aanslag.

Dat was ièts,

Op 't dak waagde-die zich niet.

Wie wist wat 't dàk verborg....

Dat zou-ie laten onderzoeken.

Besogne voor agent Stips, die vroeger glazenwasscher geweest was.

Omlaag gaand, trok 'n _vochtige_ plek op het portaal z'n aandacht.

"Voor 't laatst," sprak-ie met hoog-roode kleur: "voor 't láátst

vraag ik je, kerel, wàt 'r met de familie is gebeurd!"

"Ze zitte in me zak," zei Kobus nuchter.

"Waarom heb je de meid met móórd bedreigd?"

"Da's mijn zaak...."

"Hoe komt 'r boven op 't portaal zoo'n vreemde vlek, man?"

"'k Heb de honde niet kenne uitlate.--En verder doe 'k geen bek

meer ope."

"In naam der wet--arresteer 'k je," zei de burgemeester: "breng dien

man naar den post, agenten!"

"Langs 't làddertje?"--, vroeg die van de spataeren.

"Natuurlijk," zei de chef: "de deur is op de grendels...."

Het werd een lugubere stoet.

't Heele dorp liep uit....

NEGENDE KAPITTEL.

ANGSTEN EN VREDE.

"_Come what come may_--_time and the hour run through the roughest

day_...."

(Longfellow).

"Het had heel wat moeite gekost...."

(Eenzamen, Willem Gerard van Nouhuys).

Geradbraakt ontwaakte de heer Pieter Zwaluw voor de twééde maal op

den toren.

Als een fletse streep kwijnde aan den horizon de zorgen-zwangere

dageraad.

Het verre landschap traagde in 'n nevel, die de landen besloop....

Pijnlijk-kreunend, z'n tintel-kloppend been dat aan het lichaam

gestorven leek, masseerend, keek-ie met de grimmigheid eens geboeiden

leeuws naar het gemelijk-onlekkere van 't bovenaardsch zitje.

Dan, op-strompelend, moeilijk van sleepas, kruiste hij de armen over

de verkleumde borst, stond eene wijle onbeweeglijk, als Napoléon op

de rotsen van St. Helena.

Een uil, reeds gewend aan de buurschap der nieuwe wezens, bepeinsde

hem studieus.

"Verdraaid--verdraaid!"--, sprak de heer Zwaluw tot zichzelven

en hernam zijne zwijgenis, daar een mensch in zulke gefolterde

omstandigheden zelfs den lust verliest met het eigen ik te confereeren.

Een leege maag pompt de láátste energie uit het hersenweefsel, een

leege maag maakt den blij-moedigste tot gallig pessimist.

Er was géén redding mogelijk. Vandaag niet.

Toen zij, zij de vrouw die met 'm _verhongerde_, gister van den beambte

der gasfabriek sprak, die elken tweeden _Zaterdag_ van de maand kwam,

had-ie noch haar, noch Amélie willen ontrusten met de mathemathische

berekening dat elke Zaterdag een _Zondag_ voor schaduw heeft--en op

Zondag werd geenszins, in geen _beschaafd_ land _begraven_.

Nu, de armen gekruist, 's morgens om drieën, dacht-ie met onvaste,

door maagweeïng doorvreten gedachten, dat straks de gemeenten _in de

kerk_ geen vermoeden zou hebben van de zwervers _op een toren_.

Hij hield 't niet uit.

De dood, dàdelijk, scheen verkieslijk.

Een sprong omlaag en hij lag op de plek, die 'm toch ééns moest

ontvangen.

Maar dan de vrouwen! Die zouden zelfs geen _fatsoenlijke_ begrafenis

hebben.

O, gruwel--misschien zou 't na wéken de aandacht trekken, dat zooveel

raven om de ruïne saamschoolden.

Huilerig-grommend keek de heer Zwaluw naar het huisgezin op de planken,

en ineens bukkend raapte hij 't miniatuur-ommeletje der uitgebrande

kaars, proefde er met de voortanden van--gelijk-ie als knaap had

gedaan van 'n tablet chocola.

Het wàs te eten.

Van honger krankzinnige zeelieden hadden _mekaar_ wel geslacht en

verslonden.

Bij dàt vergeleken was _stéarine_ eene delicatesse, een versnapering,

'n greep uit 'n _bon-bonnière_.

Gulzig kauwend op 't eindje kous, voorzichtig stappend om de vrouwen

niet te wekken--wie wist waarvan ze _droomden_?--herinnerde-die

zich niet van de Hoogere-Burgerschool 't nooit begrepen spreekwoord:

"_qui dort dine_...."?--, nam-ie de vliegmachines in z'n handen.

Als je ze aan mekaar hechtte, kregen de stangen 'n lengte van vier

meter zeker. Te kort voor den afgrond. Op een _doodensprong_ maakte

vier meter geen verschil.

Toch passend en wikkend--pruimend op 't pitje der kaars--bleef-ie

in berekening--tot-ie bijna van verrassing _gilde_. Z'n knutselende

vingers hadden den knop van Amélie's parachute aangeraakt. Nagenoeg

gaaf veerde de parachute uit de stang. 't Leek niet te gelooven.

Eergisteravond was-ie 'n kuiken geweest, 'n logisch-redeneerend

_kuiken_.

Want toen-ie na 't vlammen-onheil en na de bekoeling der

aluminium-latten de twee bóvenste parachutes onderzocht had en in

de stangen verkoold bevonden, had-ie de moeite gespaard ook Amélie's

onderste vliegmachine te aanschouwen, die in 't felste van 't brandje

geweest was.

Dit was een wonder.

En 'n domheid.

Had-ie tòen gekeken, dan was er een glim van redding geweest, 'n glim,

want héélemaal gaaf was de parachute niet.

Bij één balein was de zijde 'n tikje geschroeid. Dat tikje maakte een

nederdaling tot een gevaarlijke historie. Als de parachute scheurde

of kantelde, kwam je _ontzield neer_.

Pieter Zwaluw, verheugd dat-ie niet _voorbarig_ gegild had, hurkte

als een Indiaan bij het vredesvuur.

Er waren eenige kansen ter overweging:--verhongeren (wat géén kans

kon heeten)--vrouw en dochter wekken, voor haar angstig-jammerende

oogen mooglijk dood neerstorten--vrouw en kind niét wekken en de reis

naar de _Lethe_ op eigen gevaar, zonder getuigen ondernemen.

Met zware rimpels in 't voorhoofd en saamklittende wenkbrauwen,

stak hij z'n laatste sigaar op, deed 'n paar trekken.

Anders fleurde 'n sigaar 'm op--in dat bar-vroege ochtenduur miste ze

'r inspireerende werking.

Licht-duizelig lei-ie haar neer, toch reeds duizelig door de

voor-voeling van den val--de zuiging--'t houvast-verlorene.

Dieper boog z'n hoofd naar de doorweekte knieën, striemender groeven

de rimpels in 't voorhoofdsvel, ruiger sloten de wenkbrauwen aaneen.

Dan vàst-besloten, met 'n cynisme, waarvan de herinnering 'm nog

in later jaren pleizierig aandeed, gespte hij de riemen vast,

lei z'n notitieboek aan de voeten zijner ega en met een van 'r op

't plat zwemmende haarspelden, hechtte hij zich een naamkaartje in

't knoopsgat, waarin zoo dikwerf in genoeglijker situatie, bij diner

of wandeling, _'n bouton de rose_ had gegeurd.

Op 't punt òp de tinnen te stappen en den sprong te wagen, waarvoor

ze in 'n goed-georganiseerd circus goud zouden hebben betaald, nam-ie

z'n vulpenhouder en schreef in 't notitieboekje: "Houd moed--dood

of levend bezorg ik u redding"--, toen trok-ie het visitekaartje uit

z'n knoopsgat, noteerde daarop met kloeke letters:

[Illustratie: Visitekaartje van Pieter E. Zwaluw met tekst: "Mijn vrouw en dochter

zijn levend of dood!! op den toren."]

Blééf-ie liggen in de struiken beneden, dan zouden ze 'm bij de éérste

begrafenis vinden en 't spoor der andere verdwenenen speuren--dan

zouden ze alle drie _hereenigd_ worden in den familie-grafkelder,

waarin ook Zwaluw Senior en zijn _moeder_ lagen.

Even werden z'n oogen vochtig bij die deernis-zwáre ziening--dan,

zonder om te kijken, beëtiketteerde-die zich opnieuw met visitekaart en

haarspeld, stapte op de borstwering, verjoeg den wijsgeerigen uil, die

wat van 'm leek te moeten hebben, zóó als-ie 'm ankeek--en bestaarde

voor 't laatst het landschap, 't kleur-vattend groen, de boomtoppen,

de grafzerken.

De zon, nog ònder den horizon, belichtte de nevellijn achter de velden,

alsof een stofwolk door verre karossen gewenteld werd.

"Het is _zuur_," peinsde hij zeer kort: "het is in élk opzicht

zuur--de levensverzekering-maatschappij zal chicaneeren--de

ongevallen-maatschappij dito. Vooruit, Jan van Schaffelaar--een màn

aarzelt niet!"

Toch, ofschoon màn, aarzelde hij.

Zelfs mèt een leege maag heeft 't leven z'n aangename zijden.

Welk eene gaping tusschen eergister en heden.

Toen ingezetene met 'n charmant huis en alle geneugten--vandaag

'n desperaat mensch boven 'n afgrond.

Wreeder kon 't niet--acuter leerde 't nauwlijks de wereldhistorie.

't Geritsel van den uil _dreef_ hem in de diepte.

Als ze ontwaakten kreeg je 'n hartverscheurend afscheid.

Stevig de vingers klemmend om de gekwetste plek der parachute liet-ie

zich gaan, de oogen gesloten.

De wind zoog als 'n blaasbalg in z'n neusgaten, builde z'n jas open,

bolde z'n broekspijpen.

Het ging eerst met stooten en rukken, dan maag-van-streek-makend snel.

Niet zoo snel als z'n gedachten die de eeuwigheid doorstormden.

Met 'n smak bonsde-die neer en kreunde van pijn. Hij had z'n enkel

verzwikt, lei languit op den beganen grond van 't kerkhof.

"God zij gedankt," zei Pieter Zwaluw, aanzienlijk opgelucht: "'r liggen

'r hier in minder goede conditie," en met 'n opgeruimdheid die 'm de

pijn bijna deed vergeten, floot-ie omhoog om zijn vrouw en Amélie te

waarschuwen dat-ie _behouden_ gearriveerd was.

Ze hoorden 'm niet.

"Vrouw! Amélie!"--, schreeuwde hij, de handen als 'n roeper om den

mond. 't Bleef boven stil.

Nog 'n paar maal schreeuwde en riep de heer Zwaluw, dan pijnlijk

strompelend, klom-ie over 't puntdradige hek van 't kerkhof, dat

'm zóólang van 't leven en de vrijheid gescheiden had.

'n Kwartier lang, transpireerend, wee van honger en met 'n voet die hoe

langer hoe sterker zwol, kuchte hij den weg af, tot-ie geweldig bofte.

'n Boerensjees reed voorbij.

"Hallo!", riep de heer Zwaluw.

"Waablief?"--, schrikte de boer, wantrouwend het vreemde heer

taxeerend, dat in 'n fatsoenlijk, doch verregend en gescheurd pak en

met 'n gebroken fiets onder den arm, noodseinen wrikte.

"Mag 'k meerijjen--ik zal 't goed met je maken?"

"Om de weerlicht nie," betoogde de man in de sjees: "jij lijkt wel

erges uit-gebroke te zijn...."

"Dat bèn 'k ook," praatte Pieter Zwaluw; "uit 't kerkhof."

De boer trok de leidsels aan.

"Rij in Godesnaam niet door!", smeekte Pieter, ziek van pijn en

duizeligheid: "ik geef je vijf en twintig gulden as je me na 't

dorp brengt!"

't Bankje, uit z'n vestzak gegrabbeld, had uitwerking.

"Stijg dan maar op," zei de boer het papiertje grijpend en gelijk naar

z'n mes tastend voor 't geval dat de rare sinjeur streken zou uithalen.

De heer Zwaluw, zachtjes kermend, sjorde zich omhoog. En de sjees kreeg

'n zálige beweging dorpwaarts.

"Heb jij je poot bezeerd?", vroeg de boer.

"Ja," zei de heer Zwaluw op 't punt te ònmachtigen.

"Hoe komt dat dan zoo?", hield de boer aan, de leidsels in de eene

hand, 't mes bij de andere.

"Ik ben van den toren gesprongen," lei Pieter uit, lang-gerekt

geeuwend, zwaar-kakend geeuwend als 'n uitgeputte hongerlijder.

"Zoo," antwoordde de boer ongerust--straks had-ie 'n gek, 'n

losgebroken gek naast zich zitten: "Zoo ben jij van 'n tóren

gesprongen? Wel man--da's héél knap."

"Ja," geeuwde Pieter, met dikke geeuwtranen in de oogen: "en 'k heb 'n

razenden honger--'k heb"--even nam-ie rust voor n' nieuwe diep-deinende

geeuwing: "'k heb niks as 'n stukkie kaarsvet gegeten...."

"Wel--wel," grinnekte de boer doodelijk-angstig--nog liever

'n struikroover as 'n krankzinnige naast je!--"wel, wel! Nou

da's héél lekker. Dat eten we thuis ook." Je most ze niet

tegenspreken. "Hurt! Hurt!"

De opgejaagde zweep striemde 't paard, dat 'r vandoor vlóóg:

"En--en--die kapotte fiets--waar hei je die vandaan? ..."

"Nérgens," sprak de heer Zwaluw in 'n flauwte opzij-zakkend.

"Nou--da's 'n geval!", gromde de boer, zoo ver mogelijk af-schuivend,

maar ineens boog-ie dicht 't hoofd naar de borst van den vent, die met

lapjes van vijf en twintig sméét en met 'n verbluffing die 'm de haren

te bergen deed rijzen, las-ie de waanzinnige woorden aan de haarspeld:

"_Mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op den toren. P. Z._"

"Christeneziele!", zei-ie 't paard voortzwiepend: "Hurt! Hurt, Kees!"

't Paard sloeg bijna op hol. De heer Zwaluw bleef in onmacht.

'n Leege maag met 'n eindje stearine-kaars en 'n gemeen-verzwikten

voet maken van den kordaatsten lucht-peddelaar 'n aangespoeld wrak.

De boer, ongezellig-warm, met 'n krijtwit gelaat, joeg de sjees over

de slapende keien van 't dorp.

En voor 't politiebureau hield-ie in met 'n dankbaren ruk. Het paard

beefde op de beenen.

In de stilte van 't straatje ploften twee stevige schoenen van den

bok--en de kloppende vuisten porden zoo stevig als mokerslagen.

"Ja?", vroeg de dienstdoende brigadier, die met 't neuswarmertje in z'n

hand, in de rust van 't accidenten-vrij dorp in slaap was geknikkeld.

"Christeneziele!", bulkte de boer: "wat me daar is overkomme! Ik breng

je 'n gek--een die met 'n kapotte fiets van 'n toren is gespronge,

met enkel 'n kaars in z'n maag en 'n brief op z'n borst!"

"Daar begrijp 'k geen snars van," zei de brigadier; "met gekke mot

je niet hièr weze!"

"Wel gedorie!", vloekte de boer: "as je 'm nie overneemt, zet 'k

'm op 't stoepie!"

"Dat zel jij wel late, man. Dan zou 'k jou leelijk bekeure!"

"As-die nou toch van z'n zelve leit," raasde de boer: "mot 'k 'n gek

houe die in me sjees klimt? Dan verzoek ik jou die vent uit me wagen

te zette. De wagen is mijn eigendom...."

De brigadier, eindelijk heelemaal wakker, voelde voor die argumenten,

klom op de tree van de sjees en keek onder de kap in 't blauw-bleek

gelaat van een der _geheimzinnig-verdwenenen_.

"Da's léelijk," zei-ie: "da's meneer Zwaluw--en die is dóód. Waar

hei-je 'm gevonden?"

"Hij is nie dood," zei de boer ongerust: "Help 'm maar na binnen

drage...."

In de wachtkamer, op 'n paar stoelen, leien ze 'm neer en daar

met de ontzaglijkste verschrikking las ook de brigadier de

geheimzinnig-gruwelijke woorden--in verband met de moorden van

Kobus-den-huisknecht: "_mijn vrouw en dochter zijn levend of dood op

den toren. P. Z._"

"Dadelijk de burgemeester hale!", gelastte de brigadier: "zoo iets

schrikkelijks is hier nog nooit voorgekome. Je zou die huisknecht

lévend verbrande...."

Op den toren van _Koepelsteyn_ geschiedde inmiddels eene andere

dièp-tragische gebeurtenis.

Amélie, eindelijk ontwaakt, na een heerlijken slaap--de jeugd slaapt

op rozen, zelfs wanneer de doornen der werkelijkheid in weligheid

groeien--welk een scheurkalendervondst! Amélie keek verrast om zich

henen, de plaats der ontwaking nauwlijks herkennend.

Ma sliep nog, 't hoofd op háár knie.

Nee, ze zou zich niet bewegen--ma had 't zoo noodig.

Doch plots draaiden haar oogen naar alle zijden.

En in angst-reflex gilde ze: "Ma! Mòéder!"

"Wat is 'r?"--, vroeg mevrouw dood-van-slaap.

"Pa is wèg!..."

"Wàt zeg je!"--, schreeuwde mevrouw wakker geknoet.

Onbeweeglijk, als in steen gehouwen, keken de twee vrouwen. Er was

geen vergissing mogelijk. 't Plateau wàs te overzien.

"O," zei mevrouw angstig.

"O--O!"--, huilde Amélie: "hij is van den toren gesprongen uit

wanhoop!"

Trillend aan al haar leden, stond mevrouw op, keek over de

borstwering. De struiken bewaarden het geheim van haar schaduwen

en groen.

"Genadige hemel--op zóó'n manier _weduwe_ te worden!"--, snikte

mevrouw.

Amélie had 't zakboekje opgenomen, las de woorden: "Houd moed--dood

of levend bezorg ik u redding!"

"O ma--má--pa heeft zich voor ons opgeofferd--die goeie, beste,

lieve pa--en nutteloos--nutteloos--nou ligt-ie dood in de struiken

benee--en wij kunnen hier óók sterven...."

Snikkend nam mevrouw het boekje uit Amélie's handen en las den

_laatsten wil_, dien Pieter gisteravond bij de acetyleenlamp

geschreven had.

Door 't waas voor 'r oogen, zag ze de lieve, brave, stevige letters

van den doode: "Ik vermaak al mijn hebben en houen aan mijn geliefde

_vrouw_ en mijn _innig-geliefde_ dochter en wensch met haar samen in

den familie-grafkelder _hier omlaag_ te worden bijgezet. Mochten wij

alle driè dood gevonden worden, dan schenk ik dit hebben en houen

aan de gemeente mijner inwoning, die er de vrije beschikking over

zal hebben, mits de naam _Pieter Zwaluw_ aan het fonds verblijve

en onder voorwaarde dat mijn huisknecht Kobus en mijne dienstboden

Chris en Jans een jaargeld van vijfhonderd gulden ieder ontvangen. De

gemeente verbinde zich hier tegenover alle torens in de toekomst

_geopend_ te laten, om onverantwoordelijke opsluitingen, als waarvan

wij het offer zijn, te voorkomen. Onze verbrande vleugels moeten

in het _gemeente-museum_ bewaard blijven, als aandenken aan hen,

die zoo hoog in de wolken een _marteldood_ zijn gestorven. _Pieter

Everhardus Zwaluw_."

"De èngel!", nokte mevrouw voor 't éérst van 'r leven na de

lang-geleden bruidsdagen in de _Charcuterie_.

Mevrouw jammer-kreunde met de gulzigheid eener weduwe, die te _laat_ de

schoone hoedanigheden eens echtgenoots ontdekt--Amélie schreide heftig.

Zoolang de Menschheid bestond, had geen toren-plateau zùlk desperaat

gerucht vernomen--geen toren van Barneveld--geen van Solness--geen

Notre Dame.

Noch Jan van Schaffelaar, noch Solness, noch Quasimodo benaderden dàt.

Een weduwe, een halve wees, uitgeput, hongerig, dorstig--gekerkerd

op een omweerde hoogvlakte, waarvan de man en vader veertig meter

omlaag is gesprongen--'t kon niet benarder, niet opperst-tragischer.

De handen wringend in de buurschap van den uil die _de daad_

had gezien, de beenen in _zijn_ broek--welke deerniswaardige

herinnering!--besnikte mevrouw het Verleden.

Pieter Everhardus Zwaluw--zoo zéér als haar maag ongebonden jeukte

en materie verlangde--gebaarde thans in hare verbeelding, met een

zoetelijk helden-aureool om de grijzende slapen en bakkebaarden.

Al zijn slechte, doch menschelijke hoedanigheden _verzwommen_.

Bleek-hongerig en door smart lam geslagen, onderging ze in die

vrééselijke oogenblikken het zonderling-aangrijpende der gansche

Menschheid, die zich bij een lévende ver-kneutert in spelde-prikken

en geniepige porren en een doode in het zonnetje van zijn _goedheid_

en _voortreffelijkheid_ zet (nadere scheurkalender-vondst).

Hoe dikwijls had ze Pièt (als een dolksteek) met een glimlach (als

een vernietiging) gezegd, hoe menigmaal hadden zij en hij àndere

dingen in mekaars oogen gelezen dan poëten bij maanlicht bezingen....

Hoe had zíj, uit de Jan-van-Loon-straat, hèm uit de Zwaanssteeg, op

't folterbankje der-ik-heb-'t-laatste-woord mishandeld.

Nu lag-ie afschuwelijk verminkt ergens in de struiken, zat zij als

eene legendarische, symbolische smartfiguur naast haar dochter,

de leege wijnflesch en het glimmend sardineblikje.

Antigone, Oedipus leken er kinderspel bij.

Het was een fraaie zomersche dag. De zon, fel-doorgebroken, joeg het

vocht van het plateau in sidderende dampen.

De vogels op 't kerkhof floten, schoten naar de nesten--'t

vol-weelderig groen slurpte het licht in verrukking.

Teer van stemming begon in de onzienlijke verte een klok voor de

vroegmis te luiden.

"Ma," sprak Amélie.

Mevrouw bleef in smartlijke versteening.

"Ma," zei Amélie nog eens: "àrme ma."

"Arm kind," antwoordde de weduwe.

"Misschien is 'r 'n wònder gebeurd, ma."

"Nee," knikte mevrouw.

"Laat u 't hoofd nog niet hangen. We zièn beneden toch niks."

"Als we wat zagen, zou 't nòg schriklijker zijn," snikte mevrouw.

"Heeft u erge honger?", vroeg Amélie na 'n poos om te tróósten.

"Niet meer," zei mevrouw over àlles heen.

"Dat zegt u maar," redeneerde Amélie: "toe, denk an nìks, ma!"

Ma antwoordde niet--Amélie begon _op 'r nagels te bijten_.

Van 'r vroegste jeugd had ze 't gedaan--vandaag dee ze 't hardnekkig in

'r pogingen om 'r moeder af te leiden.

'r Handen had ze laten kappen, om má aan eten te helpen.

'n Gevulde maag was beter tegen verdriet bestand dan zùlk 'n leege.

De zon scheen 'r warm in 't gelaat, stoofde 'r hoofd, kokend en

opgehitst. De benauwende broeiing maakte 'r ongevoelig.

Als 'n beest begon ze den uil te beloeren. 't Was 'n welgevulde

dikkert met vleezige pooten en 'n smaaklijken nek.

Zoo _gedegenereerd_ geraakte ze door de werking van 'r maag en 't

verlangen om 'r moeder 'n troostenden hap te geven, dat ze 'r vader

vergat en met lichtende katte-oogen de zachte bewegingen van den

uil bespiedde.

Ze kreeg 'r 'n kleur bij--'r handen kromden als klauwen--'r rug boog

in sprong.

Nooit in 'r later leven vergat ze die diersituatie, dat rooie,

bestiale gevoel om 'n rustig-slapenden, niets-vermoedenden uil,

terwijl 'n _beschaafd_ mensch naar vegetarisme neigde.

Als ze 'm te pakken had gekregen--zij, die drie dagen geleden nog geen

kanarie in 'r handen durfde te nemen--had ze 'm z'n nek omgedraaid--én

geplukt--èn met 'r nagelschaartje gehalveerd--èn rauw geslokt.

'n Door honger gefolterd mensch werd 'n _ijselijk_ dier.... Gelukkig

kwam het niet tot de euveldaad.

Ma keek op en ongerust over de loerende koortsachtige oogen van

'r dochter, vroeg ze:

"Amélie--wat doe je?"

"Niks ma."

"Wat kijk je dan?"

"Suscht, ma! Suscht! U praat 'm wàkker.'k Had 'm net haast te pakken!"

"Jakkus," zei mevrouw: "hoe kom je op de inval?"

En ze zwegen geslagen.

De kerkklokken rondom luidden nu alle.

Mevrouw vouwde de handen--Amélie keek van den uil naar den eenzamen

landweg.

De zon, hooger aan den hemel, braadde haar rug.

Warmte was ellendiger dan regen--om twaalf uur zou 't niet uit te

houden zijn.

In Godsnaam.

'n Zonnesteek onder de omstandigheden was 'n weldaad.

Uitkomst op Zondag was onmogelijk.

Al 'r idealen te begraven op 'n toren, al 'r droomen en

jeugdverlangens--welk 'n einde.

Toen, wakker geschokt, klaar van denken, botste ze op.

In de verte naderde 'n stoet, 'n stevige menschendrom.

"Ma!"--, gilde ze.

Mevrouw schrikte, keek over de borstwering.

"De hemel zij geprezen--'n begrafenis!"--sprak Amélie

koortsachtig-gejaagd: "o, o, wat 'n geluk--en net te laat om armen

pa ook te redden."

"Stil! Stil!", zeide mevrouw: "misschien gaan ze 'n anderen kant uit!"

Sprakeloos keken ze toe.

De stoet kwam nader, 'n geweldig-lange, stevige stoet. De zon bescheen

't koper van muziek-instrumenten, verguldde letters van vaandels. In

't midden een paar landouwers met heeren in 't zwart--daar achter

spartel-glinstrende brandweerhelmen en een bonte drom mannen en

vrouwen.

"Ma--droomen we?"--, zei Amélie bevend.

"Ik geloof 't," aarzelde mevrouw.

De realiteit van den uil, de leege flesch, 't blikje, 't smerig

plateau stelde haar gerust.

"'n _Wonder_," zei Amélie, zich vasthoudend om niet ineen te zakken.

Benee, in den stoet, begonnen ze met zakdoeken te wuiven--flauw

hoera-geroep zweefde aan.

"Ma--ma--pá zit in 't rijtuig!"--, gilde Amélie en dol van

uitgelatenheid begon ze op het plat te dansen, zoo wild te dansen,

dat de uil 'r beduusd van door ging.

Benee werd het plechtig. Bij de struiken van _Koepelsteyn_ zette de

muziek fanfares in.

Mevrouw, doodsbleek, hing over de tinnen, keek, keek, boog.

Dan 'r man herkennend, die 'n mand etenswaren, eieren, ham,

boterhammenworst en broodjes op z'n schoot hield, hernam ze haar

waardigheid van vóór de groote Ellende en snauwde haar dochter toe:

"Amélie! Amélie! Schei uit met je gedans. De burgemeester, de

wethouders zullen denken, dat je stapel ben!"

"Dat ben 'k ook ma! Eenig! Eenig!"

Voor het eerst sinds zwaar-zure uren hersprak ze dát woord.

"Amélie," zeide mama nog eens gestreng.

De trap benee steunde en kraakte.

Het luik schoof.

Het hoofd van den burgemeester werd zichtbaar.

"Mevrouw--dames," begon hij. Verlegen verdween-ie weer, omdat de

dames Zwaluw in zùlk kostuum een weinig landlooperig deden.

Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers · 第 6 / 8 段