Geen van de slaapkamers gaf antwoord en Kobus' bed was ònbeslapen.

Doodelijk-bleek strompelde Chris de trappen terug, doodelijk-bleek

werd de burgemeester, bij 't angstig vermoeden dat de familie boven

door den rook was _gestikt_.

Zulk een gruwelijk gebeuren had de plaats nog nimmer beleefd.

Bij 'n verbrande koe bij van Galen en 'n dooie kanarie bij Germs--zwak

binnenbrandje, drie jaar geleden--was 't gebleven.

Dit, die zwijgenis in de slaapkamers van drie _notabelen_ en van _een_

ondergeschikte, gaf 'n afschuwelijk vermoeden.

Vergezeld van twee politieagenten, een wethouder en den

gemeente-geneesheer, die spuitmeester van spuit I was, besteeg-ie de

trappen, klopte, nog eens en opende de deuren. Zoet droomleven van

kuischblanke bedden, onbelegde nachtkastjes, geordende stoelen.

"Dan is de familie uit," zei de burgervader met een _ontprangde_ borst.

"Nee," huilde Chris, "de buitendeur is op de grendels...."

"Onmogelijk," sprak het hoofd der gemeente, doch dalend in de gang

beneden, zag-ie met de twee politieagenten, met den wethouder,

met den gemeente-geneesheer dat het Amerikaansch slot was gesloten,

dat de ketting in de haken rustte.

"Vreemd"--, zei de burgemeester, na eene stilte.

"Angstig"--, sprak de dokter.

Nog eens gingen ze gezamenlijk omhoog, elke kamer door-snuffelend,

elke kast openend, tot aan den zolder toe. Daar vonden ze Kobus in

'n hoek op 'n matras.

"Bedwelmd--zònderling," zei de dokter, den pols van den bediende

aanvattend.

Kobus werd wakker.

"Wat is 'r? Wat mot je?"--, zei-ie slaap-verschrikt.

"Wat doe je hièr? Waarom lig je niet te bed?"--, vroeg de burgemeester

gestreng.

"Dat weet 'k niet," zei Kobus onnoozel.

"En waar is de familie?" drong de burgemeester aan: "'r is beneden

_uitslaande brand_ geweest!"

"De Familie," hakkelde Kobus, zich in z'n slaapdronkenheid

verpratend--de afspraak was dat ze tegen 't dakraam zouen klòppen--"de

familie is _gevlogen_..."

"Gevlogen!--," schrikte de burgemeester, "waarom gevlogen?"

"Dat weet 'k niet," zei Kobus nog eens.

"De vent is dronken," veronderstelde de dokter.

"Maar ze moeten toch èrgens zijn," redeneerde de burgemeester: "'t is

'n lamme, vèrdàchte historie--bijzonder verdacht."

Terwijl dit _detective-story_-geraas de rust van _Casa Cara_ benéden

de dak-spinten aan scherven smeet, fladderden de _Zwaluwen_ in wijde

cirkels om 't overrompeld nest.

Meneer peddelde opgewonden-vloekend, de gemeenste scheldwoorden

neerknettrend op de hoofden der Brandweer.

Mevrouw, bek-af, hijgend als in 'n tredmolen, had al 'n paar maal op

't dak van de dorpsschool gerust, maar de wind, lang niet dociel,

maakte 't zitje ongenietlijk en de goten walmden luchtjes om wee van

te worden. 'n Schande zooals overal de goten verwaarloosd waren--de

meiden leegden 'r àlles in--haardotten kleèfden aan je bottines--'n

tiendubbele schànde!

Amélie, die 't geval _éénig_, om te zoenen vond, die wel den heelen

nacht had willen _trainen_, gedragen op de vleuglen van geestdrift

en ambitie, liet pa vloeken en ma blazen.

Kalmpjes achterblijvend of klepperend in 'n andere richting, neuriede

ze sentimenteel-verliefd toepasselijke liedjes.... "Auf Flüglen des

Gesanges, Herzliebchen trag' ich dich fort"--of "Ich wollt' ich wär'

ein Vögelein...."--of "Klein vogelijn op groenen tak...."

"Hou op met je gezeur!"--, gromde meneer, "zing als we in hùis

terug zijn!"

Dan zweeg ze even, tot 'r 'n nieuw Hemel-ruim-gezang inviel en ze

plots tot 'r allerprettigste verbazing hèt Lied voor de situatie te

pakken kreeg.

Langzaam, op de maat peddelend, bleef ze in één dreun voortneuriën:

"Zwaluw, hóóg in de lucht--waarheen is uw vlùùùùùcht!".... Ad-rem-mer

kon 't niet. 't Scheen zoo aan het lijf der familie gedicht. Langs

de schoorsteenen rondom, over de daken rondom, tusschen de boomen

rondom, onder de knikkelende sterren rondom, fladderde ze luchtig

als 'n veertje, zich niets aantrekkend--hemeltjelief, pa was naar

àlle kanten geassureerd!--en zong 't lied met z'n stijgende bekoring

"....Zwaluw, hoog in de lùùùùùùùcht...."

Ze werd heelemaal dartel, uitgelaten als 'n kwajongen.

Als 'r in 't wolkenruim schelknoppen geweest waren, zou ze 'r pret in

fopschellen gezocht hebben. Dat ging helaas niet. Veel baldadigheid

viel 'r in de eenzaamheid niet te bedrijven. Hoogstens kon ze wat

peerdrupsjes naar de menigte benee meppen--'t heele toetje waagde ze

'r an, maar niemand die 't bij de sterren zocht.

Toen probeerde ze nog even op 'n telephoon-draad te loopen, netjes

'r voeten spitsend, vlug als Blondin, tot de draad knapte en met den

knal van 'n champagnekurk in krullen flapte.

"Kind," zeide ma, thans werklijk uit 'r humeur: "je stelt je an als

'n kwáje meid!"

"Ma, neem u alles zoo zwaar niet op!", lachte Amélie en weer

voort-peddelend, haalde ze als 'n nachtegaal uit: "Zwalùùùùùw hoog

in de lùùùùcht..."

't Werd dik halftwee eer de nieuwe spuit I met de romaneske toortsen

afzakte, eer de burgemeester het logeerkamer-raam eigenhandig

toebonsde.

Nog was de bons niet verstorven of Kobus smeet 't zoldervenster open.

"Wat is 'r gebeurd?"--, bulderde meneer, hartstochtelijk

binnen-vliegend.

Mevrouw te op, streek op de drooglatten, hijgend op flauw-vallen toe.

Koorts-haastig vertelde Kobus van 't brandje, van den burgemeester,

den geneesheer-spuitmeester, de binnenwaarts gegrendelde deur.

En zelfs Amélie werd nu ernstig. Weken 'n geheim te bewaren en op

zoo'n ongelukkige manier tegen de lamp aan te vliegen, waarlijk te

vliègen, dat was wel 't miserabelste wat je je denken kon.

Kobus, bleek-geeuwerig, hielp de draagriemen afsnoeren, zette 't

laddertje tegen de droogstokken voor mevrouw.

"Die ellendige Chris....," radde mevrouw 'r toorn-aanloopje nemend. Ze

zweeg in luistring en allen luisterden. Buiten, in de lieve Ruimte

die ze pas verlaten hadden, begon de dorpstoren z'n vroegtijdig,

angstig brandalarm van zwaar-nadreunende slagen nou 't gedaan was.

"Die ellendige ouwe suffer," zeide mevrouw nog eens en wéer

hield ze op met 'n kermend angstgilletje. Want nou Kobus 'r

vliegmachine onttakelde, zag ze op een der vleugels 'n leelijken,

dikken, zwart-kriebelenden nachtuil, die met z'n eenen poot in 't

aluminium-parallelogram verward zat. Spinnekoppen en die schuw-enge

beesten, daar was ze als de dood voor.

"Je eerste vàngst in de lucht," glimlachte meneer tegen den ernst

der situatie in: "zoo zou je waarachtig kunnen jágen, kind...."

"Maak geen gekheid," zeide mevrouw in diepste moeheid, geprikkeld, en

zéer onder den duisteren indruk der klokketonen: "'k zeg 'r dadelijk

de dienst op."

Driftig liep ze de trap af, beklopte de deur der logeerkamer.

"Wie daar?"--, vroeg Chris, met kroppende angst-mannestem.

"Ik! Mevrouw! Doe open!"

Chris zat op bij 'r kaars--'n nieuwe--die wild-wapperend week op

den tocht der deur, daar ze voor alle veiligheid 't raam weer had

opgeschoven, wachtend op de vreemdverdwenen familie.

Meneer, Amélie, Kobus, 't heele huishouden trad binnen.

"Wat heb je in 's hemelsnaam voor gekke streken uitgehaald?"--,

driftigde mevrouw: "je kan mòrgen...."

Voor de derde maal in 'r discours werd ze gestoord.

Chris, achteruitdeinzend naar 't open raam, 't raam met z'n geweld

van brandalarm-klokkeslagen, snerpte 'n fel-fluitenden gil. Want de

familie zoo inééns uit de lucht gevallen en mevrouw en de juffrouw

met ouwe broeken van meneer an--dat was nou is geen nachtmerrie,

maar een alleronfatsoendelijkste werkelijkheid.

[Illustratie: Dit is de klok, de klok van den dorpstoren, die alweder

volgens den auteur: "z'n vroegtijdig, angstig brandalarm van

zwaar-nadreunende slagen begon, nou 't gedaan was." 'n Niet-deskundige

--en helaas de heele tijd is vol van leeken, die hun opinies over alles

en nog wat publiceeren--'n niet-vakman zal bij geen benadering kunnen

beseffen hoe de illustrator bij het _scheppen_ dezer _intellectueele_

teekening, getrild, gezwoegd, getranspireerd en geleden heeft. Ofschoon

men over die _struggles_ zwijgt, gevoel ik mij toch gedrongen te

verklaren, dat 'k mijn klok en mijn klepel _vièrmaal_ opnieuw in studie

gezet heb, voor 'k eenige artistieke zelfvoldoening smaakte. "Ornamentiek",

spreekt _Walter Crane_, dien 'k vroeger reeds citeerde: "is geen wis-

of meetkunde, maar er bestaat voor ornament een zekere logica van

lijn en kleur, die, gegeven zekere fondamenteele vormen, bepaalde

noodzakelijke gevolgen eischt".... Bij het schetsen van mijn klok

en het in beeld zetten van een _vroegtijdig, angstig brandalarm

van zwaar-nadreunende slagen_, gewerd mij de gelukkige ingeving

dat alarm te _symboliseeren_. En daar in 't algemeen het groote

publiek, hoe verlekkerd 't ook op symbolen is, eene verklaring noodig

heeft--alleruitnemendst zorgt hiervoor de Heer Van Logchem op de

programma's der "Koninklijke Vereeniging"--haast ik mij der lezeres

te verzoeken de _golvingen van ontzetting_ (angstig brand-alarm), die

uit het lichaam van mijn klok over 't slapend dorp dreunen en klotsen,

nader en met aandacht te aanschouwen. Immers de kunstschepping _ook van

terzijde_ bekijkend, zal men ontwaren--en zulks duidelijker dan bij

_Jan Toorop_, die er raak op los baant--dat mijne onthutsings-banen,

nood-banen, angst-banen, haren-te-bergen-folterende banen, in haar

slingeringen en woeste beukingen een oneindige reeks!!!!!!!!!! en een

nog oneindiger reeks?????????? bevatten. Kan men een _angstig_ alarm,

gruwelijker symboliseeren dan met!! en met??... Zoo is het leven,

wreed, rauw, vraag en roep. S. F.]

"Wat gil je, krankzinnig mensch!", vloekte meneer.

"Mevrouw loopt in 'n bróek!", klaag-huilde Chris.

In de hitte der vuurlooze gebeurtenis hadden ze allen 't sportkostuum

vergeten en in de nieuwe hitte van diè ontdekking werden ze nòg

verrast door 't hoofd van 'n politieagent, die over 't kozijn keek

en met _gezag_ an z'n snor draaide.

"Is 't weer gaan smeulen?"--, vroeg-ie vluchtig aantikkend.

"Nee! Donder op!", vlàmde meneer.

"Waarom gilt die meid dan zoo?", redeneerde de agent: "en hoe kom u

't huis binnen? 'k Ben op order van de burgemeester niet van de deur

geweken--dat mot 'k verantwoorden...."

"We zijn àchter binnen gekomen," loog Pieter Zwaluw, driest 'n achter

fantaseerend dat niet aan 't huis was.

"Zoo," zei de agent, "dan is 't goed--dan is 't goed." Weer tikte-die

aan, tegelijk wenkbrauwfronzend naar mevrouw en de juffrouw in

de mansbroeken kijkend. De burgemeester had gelijk. D'r gebeurden

schunnige dingen in 't huis--as ze 's nachts halftwee door 'n achter

dat geen achter was binnenkwamen en as de vrouwspersonen gebroekt

liepen. Hij zou 't rapporteeren.

"Hier heb je 'n gulden," praatte meneer, die 't oogenloeren gezien had,

erg lief van toon.

"Dank u," zei de agent achterdochtig

Z'n zware spijkerstappen dreunden heen in de stilte van

schrik-geslagenheid en somber klokgezweef.

Even was het in gebaar en klank, 't innerlijkst wezen van 'n drama

vlak voor de pauze, als de menschen 't hèbben moeten.

Toen werd van alle zijden op arme Chris losgerammeid, de nul van

'n meid, de sukkel die 'n deftige familie op de tong bracht, de

stommerik die niet begrijpen kon, dat meneer en mevrouw en de juffrouw

'n _luchtje geschept_ hadden, wat Kobus bezwoer....

Boven liep meneer verwoed op en neer. De torenklok bimde, bamde over

't al slapend dorp. Elke klepelslag gromde 't schandaal heftiger in

de gemoederen, dee de brandblusschers langer napraten. Je zou zoo

't raam uitvliegen om den kippigen vent, die nog wel 'n uur an 't

touw zou trekken, te waarschuwen. Heel kort had-ie den inval om den

burgemeester telephonisch op te schellen. Hij zou z'n praatje wel

maken, brutaal liegen dat ze hier of daar waren geweest. Jawel! 'n

Ongeluk komt nooit alleen. Natuurlijk had Amélie juist den draad van

_Casa Cara_ stuk geloopen--de kwáje meid--de onnadenkende.

's Nachts twee, ruzieden ze nog bij 't plechtig gebeier buiten. En

eerst te bed, 'n weinig bekomen van zooveel avontuur in-eens, hervonden

ze kalmte, uitvluchten, rust en droomen.

Meneer bouwde 'n stevig leugenstel, met z'n vrouw, z'n dochter en

Kobus als getuigen.

[Illustratie: ...., zijnde A. de Fuik--B., de heer P. E. Zwaluw van

ònder--C. D. en E, schoorsteenen, de rest _vliegend, in doodschrik

opgejaagd gedierte_. Kon 'k bij vroegere illustraties inspiratie

bij de _werkelijkheid_ zoeken, hetzij een glas, hetzij een dak van

'n overbuur, hetzij den staart van 'n kat, hetzij het nachtkastje

uit m'n slaapkamer, hetzij zelfs 'n vergroote huisschel, tot

actief voorbeeld stellen--de benauwde droom van mevrouw Zwaluw,

met 't gezwerm van wilde eenden, spreeuwen en lijsters, deed een

wanhopig beroep op de _fantasie_ van den teekenaar. Door op den laten

nacht zwáár te eten, heb 'k getracht mijzelven eene nachtmerrie van

gelijke woekerende draagkracht te bezorgen. Zònder gevolg. Eten op den

nacht pleegt me goed te bekomen. Onmiddelijk na 't koel ochtendbad,

heb 'k mij op dezen fantasie-arbeid geworpen--met een waarlijk

gunstig resultaat. Men gelieve wilde eenden, spreeuwen, lijsters

enz. _naar eigen lust te herkennen_. En wie zich geroepen voelt over

dit inspannend werk te smalen of er afkeurend over te spreken, die

beproeve het zèlf met fantasie en _Neelmeijer_. Ja, voorwaar! Er is

niet één proza-kunstenaar binnen de grenzen van dit land, die mij in

gedrochtlijke teeken-fantasie benadert of overtreft. Ook dat is een

maatstaf. S. F.]

Mevrouw dróómde benauwd en hideus. De nachtuil zat 'r dwars. Ze

vloog door de Ruimte, opgehitst door kol-oogende vleermuizen en

uilen--'r man voor 'r uit was op de jàcht. Die trok 'n fuik achter

zich aan, al maar peddelend en klepprend--de fuik vulde zich met

wilde eenden, spreeuwen, lijsters--'t werd 'n zoo raak geschreeuw en

gekakel van gevangen, spartelende vogels, dat ze stikkend opstutte

en moeite had 't nachtkastje met 't oliepitje en meneer's revolver

te herkennen. Uitgeput sliep ze in, droomde nòg eens van de vreemde,

beangstigende jacht boven de schoorsteenen....

Amélie, met de onbezonnenheid van jeugd, lei gelukzalig te

glimlachen. Als ze 'r oogen sloot, vloog ze nog, voelde ze de

suizing van den wind, zag de boomtoppen en daken in glijding

vervloeien. De handen gevouwen onder 't hoofd, poogde ze 't hééle

lied van de zwaluwen uit de lang geleden dagen der Zwaanssteeg te

reconstrueeren, 't lied waarvan ze den metrischen vorm lichtlijk

vergeten was. Zachtjes-dommelend neuriede ze 't nog, 't héérlijk

vers, eens in achterbuurten ver-hartjesdagd en verhanseld, 't

vers dat zin en poëzie begon te krijgen: "...Zwaluw... waarheen

is uw vlucht?... Hóóóóóg in de lúúúúcht!.... Moedig langs bergen

en dalen.... Waar 'k mijn voedsel mot hàààààààlèèèèèèè!.... Zwaluw

waarheen is uw vlucht?.... Hóóóóóg in de lucht!...."

Half drie sliep _Casa Cara_ algeheel, zelfs Chris, die de emotie van

mevrouw en de juffrouw-in-mansbroek versnurkte.

De laatste slagen der torenklok stierven in angstige klaging....

VIJFDE KAPITTEL.

STOORNIS IN DE ATMOSFEER.

"Wat is er van den nacht,

O Wachter! welk een dag

wordt aan de kim verwacht!"

(Isaäc da Costa.)

De eerste dagen bleef de familie hokvast, honkvast.

Veel besproken in 't dorp, was de verstandigste tactiek 't gekakel

te laten _bezinken_. De burgemeester, die ambtshalve op bezoek was

geweest, had 'n allerzonderlingste verklaring geslikt, 'n verklaring

die positief _verdacht_ scheen, doch waaraan je niet _officieel_ kon

twijfelen, omdat je 'n zoo duistere zaak van _verdwenen_ menschen,

die plots met _broeken_ aan (rapport van 'n betrouwbaar brigadier)

terug waren gekeerd, niet een-twee-drie òntduisteren kon en daarenboven

het feit dat de familie nièt _gestikt_ was, op zich zelf eene publieke

verheugenis werd.

Het weer hielp 'n handje mee, om de aandacht te verplaatsen. 'n

Allergeweldigste storm stak op, twee dagen, drie nachten. Voor 't

stadhuis werd 'n boom ontworteld, 't regende dakpannen, drie-kwart

van de straatlantaarns woei stuk.

Die _ontzettingen_ deeën de menschen thuis blijven en achter

damp-bleeke ruiten over ongelukken en akeligheden praten.

't Brandje bij de _Zwaluws_ raakte op den achtergrond--de _Zwaluws_

zelf vertoonden zich niet.

's Avonds in de leuke huiskamer, ná 't eten, bespraken ze 't gebeurde

en de toekomst. De wind omgierde de villa, floot joelend en dreigend,

brak takken, dee de behangselwanden golven. 'n Uitgezocht weer voor

luchtpeddelaars om te schuilen als de vogels--en kostelijk te praten.

Mevrouw, eenigszins vermoeid, met spierpijnen in de kuiten en

'n niet malsche verkoudheid--te bezweet had ze op 't tochtig

schooldak gerust--luisterde half--meneer, versch van optimisme,

zei _clairvoyante_ dingen bij 'n globe, die-ie door Kobus uit de

stad had laten halen. Want nou je de verrukkingen van 't Heelal

wist, nou je niet langer aan voetpaden en klinkers gebonden was,

nou 't ongekend terrein van planeten en melkweg voor je open lag,

nou diende je de aarde een weinig _en gros_ te aanschouwen.

"Zie je, Amélie," zei-die in klare gedragenheid, z'n pink op Holland

leggend: "as je van Amsterdam links in de Ruimte peddelt, krijg je

eerst Engeland, dan Ierland, dan de Atlantische Oceaan, dan Canada,

dan de Stille Oceaan, dan Japan, dan China, dan Perzië, dan Turkije en

over Duitschland kom je weer thúis. De reis om de wereld in tachtig

dagen! Abah! Niks meer waard! 'k Neem aan van de Noordpool naar de

Zuidpool te peddelen in 'n rèchte lijn, zonder 'n haperingetje--van

Spitsbergen over Finland naar Griekenland, van Griekenland over

Tripolis naar de Congo en over Kaapstad naar de àndere pool."

"Dat doe jìj dan maar alléén," zei mevrouw nuchter, met water-beloopen

oogjens: "'k heb van me toer òm 't huis zat genoeg"....

"Dan toer jij ìn huis," antwoordde Piet; "je hoeft ook niet òveral

mee"....

"Dat zit," zeide mevrouw ordinair: "as jij alléén van de Noordpool

na de Zuidpool gaat, kijk je an de Noordpool en an de Zuidpool enkel

de zòlderkamers binnen--net as vooreergister--of 'k 't niet gemòrken

heb! 'k Stop me oogen in me zak!"....

Meneer ontweek de hatelijkheid.

'n Vrouw blééf vrouw. 't Leven kon zich tot in verfijning

moderniseeren, wonderlijk stijgen van Trekschuit naar Vliegmachien en

'n vrouw maakte die wereld-schokkingen als 'n _grùtter_ mee.

Hoe kòn men an 't áárde-ding zòlderkamer denken, als de bevleugelde

geest (_l'esprit ailé_) den aardbòl omspande.

Nooit had ze 'm _begrepen_--nooit grétig meegewild. Bij 't vertimmeren

der pui, na vader's dood, toen zijn idee de _Charcuterie hollandaise_

tot eene moderne zaak had geheven, was ze vol kleine, zure bezwaren

geweest.

Vandaag, bij de globe, vandaag omringd door Mercurius, Mars,

Venus, Uranus, Neptunus, Saturnus, Jupiter en de millioenen andere

glimgelegenheden des hemels, vandaag, nu zijn arendsblik den afstand

van Amsterdam naar Java mat, nu 't 'm als 't weten-des-doods zoo rijp

werd, dat voortaan geen hollandsche regeering stapel genoeg zou zijn om

kolonialen via langzame schuiten naar Atjeh te zenden--vandaag ging 'r

opnieuw de dompende benauwenis van het _niet begrijpen_ van haar uit.

In de eerste huwelijksjaren, als alle groene echtgenooten, zou-ie zijn

opgevlogen (figuurlijk)--nu, eenigszins meelijdend, zei-ie ingehouden:

...."Kind, wees niet zoo _klein_! De heele wereld ligt voor ons open

en jij kijkt naar goten en dáken! Je snapt nog maar hàlf welke gróótste

revolutie los gaat barsten"....

Starend, als 'n ziener, 'n verklarend profeet gelijk, dronk-ie van

't héét avondgrogje, dat Amélie klaar had gemaakt (zie óók illustratie

op blz. 28).

"Gesteld," sprak-ie, met de lippen smakkelend: "gesteld dat over

twintig jaar iedereen vliegt, zooals nou ièdereen fietst--over twintig

jaar huur je zoo goed vliegmachines als nou fietsen--over twintig jaar

krijg je rechtszaken over gegapte vleugels--gesteld dat wij dan nog

gezònd mee kunnen doen, ouwetje, dan zul je je oogen niet gelooven"....

Weer wees z'n wijsvinger 'n rechte lijn op de globe, weer gaf-ie z'n

_geniale_ invallen....: "Reken is an--hièr, die bleeke broodkruimel,

da's Holland--en daar bij den staart van Engelsch-Indië heb je òns

Sumatra, òns Java, òns Borneo. Wat hebben we daaran tot vandaag toe

gehad? Geen sikkepit! Zes, zeven weken noodig, telkens, om 'r mannetjes

heen te zenden! 't Kanaal van Suez kun je voor mijn part laten

verzanden. Geef 't heele dappere hollandsche leger vliegmachines en we

peddelen _linea recta_ over Duitschland en de Zwarte Zee, over Perzië,

Hindoestan en de baai van Bengalen naar onze Oost. Wat? Subliem! Ja,

daar trek jij noù malle gezichten bij! Haha! Zoo zeker as tweemaal

twee vier krijgen we naàst 'n spoorbrigade--wat 'n fameuze kerel, die

Kuyper!--tientallen regimenten _Vliegende kolonialen_. Dan is 't uit in

Atjeh, radikaal uit. Laten de vlerken maar in de bergen vluchten--wij

vliegen bòven de bergen en tracteeren ze op dynamiet-bommen! Omgekeerd:

reken is an, denk is na, nee val me nou niet in de rede--òmgekeerd,

as de Duitschers voor de waterlinie liggen, zenden we op ons dooie

gemak 'n draadloos telegram na Batavia en eer ze d'r op verdacht

zijn, rukken onze Indische regimenten aan, door de lucht, in gesloten

gelederen--door de lucht--door de gòddelijke lucht,...."

Z'n zienende oogen staarden in 't electrisch licht, z'n wangen plooiden

zacht van glimlach.

"Pa," zeide Amélie bescheiden: "maar als de Atjehers en de Duitschers

tegen dien tijd òòk vliegen--wat dan?"

"Dan," zei Pieter Zwaluw; "dan krijg je in de wolken vèld--nee,

vèld kun je dàn niet meer zeggen--dan krijg je wòlkslagen--zooals

in de oude tijden màn tegen màn--de zware kanonnen moeten ze benejen

laten en met 'n geweer doe je niet veel, als je vliegt. In elk geval

wij kunnen de andere volken vóór zijn--dat zal van de regeering,

't verlicht gouvernement afhangen"....

"En als de Engelschen vliegmachines in Atjeh binnensmokkelen,"

droomde Amélie.

"Dàt zou wat voor de Engelschen zijn," praatte pa driftig en

denkend aan wat in Transvaal gebeurd was, strekte-die de armen

in begeestering voor zich uit: "ja, als we nou wóúen, als we nou

anpakten--dan konden we ze àlles betaald zetten, àlles terugnemen

wat ze gemoerd hebben. In één nacht vliegen we met tienduizend man

van Vlissingen naar Queensborough--wie kan ons tegenhouen?--in één

nacht hebben we Engeland in onze macht. Als ze troepen mobiliseeren,

laten we bommen vallen--maling an internationale wetten!--als ze zich

in vestingen opsluiten, vallen wij van boven aan. Dat zal wat anders

worden dan de tocht naar Chatham! In vier-en-twintig uur knippen we

alle telegraaf- en telephoondraden door--eenvoudig met 'n stevige

schaar--'t werk van de vliegende Sappeurs--niks, niks is tegen ons

bestand--geen oorlogsschip, geen leger! En omdat we 't zoo vlug doen,

wordt 'r geen _druppel bloed_ vergoten"....

Buiten adem nam-ie 'n slok van z'n koudgeworden groc, plonste bij de

tafel in z'n stoel.

Amélie keek droomerig in de electrische lamp.

Mevrouw, zwaar-verkouden, bibberend van koorts, _geeuwde_.

Toen kwam Chris tafeldekken voor 't boterhammetje met kaas.

En terwijl buiten de storm kwaadaardig loeide en daverde, begonnen

ze paisibel te happen, ma slaperig--pa en Amélie met oorlogzuchtige,

felle gemoederen.

Zoolang de storm aanhield, bleven ze 's avonds huiselijk

fantaseeren. Eerst den volgenden Vrijdagavond hernamen ze hun tocht.

ZESDE KAPITTEL.

PERROL MET DE ROODE HAND.

"Eens heb ik de dalende zon gevraagd te wachten,

Eens heb ik van dichte-nachtschaduw

Het luchte, vluchtige vlieden beklaagd--

En nu!--En nu!"....

(Ellen, Fred. van Eeden.)

"Als 't vannacht wéér lukt," zei de heer Zwaluw, z'n riem toe-gespend

op zolder: "dan inviteeren we nog déze week burgemeester en wethouders,

den Raad, den dominee, den notaris, den dokter en dan geven we in

besloten ruimte op klaarlichten dag een _séance_."

't Langer in stilte, als inbrekers, te doen, leek niet verkieslijk en

daarenboven de toestellen waren zoo uitnemend en zulk een verrassing

voor de menschheid, dat het in zekeren zin plicht werd, de openbaarheid

te verhaasten.

Gevleugelde Daden: Avonturen der Eerste Hollandsche Luchtschippers · 第 3 / 8 段