voor mevrouw en Amélie, per nieuwe dépêche besteld, óok waren
aangekomen en geprobeerd, diende 't dak òveral vrij te zijn. Langs en
over de pannen te scharrelen met meidenkamers vlak bij, daar dankte
je voor, en vooral die stomme Chris moest 'r buiten blijven. 'n Braaf
mensch, 'n uitstekende meid, maar zoo'n gans, zoo'n èchte ezelskop--die
plapperde 'r alles uit an de dienstboden van de Spaarns en de
Leurings. Die éérste avond op 't dak was 'n feest, 'n ontspanning als
ze nog nooit hadden gehad. Mevrouw en Amélie, beiden met verknipte ouwe
broeken van meneer aan--dames-vliegtoestellen waren er niet. zouden
er waarschijnlijk nooit komen, omdat rokken te veel tegenstand boden
en onvoegzaam werden--mevrouw en Amélie door 't dolle heen, nu ze een
paar keeren den zolder beklapwiekt hadden, hunker-oogden meneer na,
die al een kwartier om 't dak was gevlogen. Tweemaal aan de achterzij
van 't huis, waar de buren licht-loos waren, had-ie zich zich snel
laten dalen, drijvend op de parachute. Dan weer opwaarts peddelend,
proestend van pleizier herstapte hij in de goot naar het dakraam,
buiten adem z'n sentaties vertellend:
[Illustratie: De uitnemende teekening illustreert den zin: "Dan weer opwaarts
peddelend, proestend van plezier, her-stapte hij in de goot
naar het dakraam, buiten adem z'n sensaties vertellend...." De
heer P. E. Zwaluw, dien een te heetbloedig lezer te vergeefs zal
zoeken, bevindt zich _achter den voorsten schoorsteen_. De beeldende
kunstenaar zag er tegen op, het _opwaarts peddelen_, het _proesten_,
het _herstappen_, het _buiten adem sensaties vertellen_ en dat
alles bij het zwakke licht der maansikkel (A), Eerste kwartier, in
_platte_ realiteit weer te geven. Niettegenstaande hij een nieuwe
pen gebruikte, had hij wederom last van haartjes. Vandaar de _harige_
maansikkel, waar een _nimbus_ de fantasie hanteerde. Overigens _doet_
het daken-aspect 't voortreffelijk. Als ik me als auteur niet zoo
deerlijk geblameerd had, werd 'k--o droevig, verloren talent!--daken-,
goten- en schoorsteen-schilder. 't Genre ligt braak. S. F.]
"Kinderen--'t is over 't goddelijke heen. Kinderen, daar haalt niks
bij!" Extatisch hield-ie zich in evenwicht aan de stang van den
schoorsteen (onzichtbaar). 't Maanlicht beglansde de aluminiumlatten
der vleugels.
"Is 't niet ijzig, pa, als je in zóó'n diepte zakt?", vroeg Amélie,
zachtjes trappelend op raamshoogte.
"IJzig!", zei hij: "'t goddelijke is dat je niks ziet, niks voelt. Je
droomt!"
Met, te vurig van genietings-gebaar, trapte hij een pan van het dak,
de eerste die donder-reutelend Chris zou opschrikken.
Noch mevrouw, noch Amélie letten 't op. Zig-zaggend over den zolder,
eenigszins geëmancipeerd in de vreemdlijk-heupende mansbroeken,
met de te wijde pijpen, vleugel-klepperden ze in driftkoorts.
En toen ze eindlijk òp 't dak mochten, en meneer in de scheemring als
'n monsterdier zagen vliegen óver de schoorsteenen en óver de linksche
dakspitsing heen, meneer die lustig 'n _Henry Clay_ rookte, alsof-ie
'n wandelingetje maakte--toen ze de ongewoonheid van goten en dakpannen
en diepten te boven waren, werden ze zóó opgewonden, zoo vliegbezeten,
dat meneer ze kalmeeren moest en meerdere dakpannen omlaag roffelden,
met het resultaat dat Chris in 'r nachttoilet en Kobus met het mes
in z'n hand, juffrouw Amélie's eersten tocht rond het dak verrasten.
"Pa!", riep Amélie, nog nalachend, "Chris en Kobus kijken uit
't dakraam!"
In 'n oogwenk kwamen meneer en mevrouw aangevlogen.
"Wat doen jullie hièr!", bulderde meneer voor het dakraam zwevend.
"Chris, dat's toch werkelijk _onnet_," sprak mevrouw
bedaard-aanpeddelend.
"Na bed en je mond houen!", schreeuwde meneer. Hij had ook wel
gemoedelijker kunnen praten, want Chris, de ouwe meid, te zeer
besprongen door de nachtmerrie van vliegende mensch-beesten, dozijnen
vleugels en 't akelig-grinnekend maansikkeltje, zakte in mekaar,
en Kobus, met koud-gespannen haren en 'n hart dat te bersten klopte,
holde 't kamertje uit, de trappen af, in één zet door, tot-ie in 't
sousterrein achter de gesloten deur in de dekengrot een schuilplaats
had.
VIERDE KAPITTEL.
DE VILLA WORDT BERUCHT.
"En hij voelde een groot, groot verlangen, om met zijne vrouw en
zijne dochter op te gaan in die groote, oneindige schoonheid der
werelden, onbewust als de witte wolken boven zijn hoofd, als de
zachte, wijd-deinende ademen van de zee...."
(Het Zusje, Henri Borel).
"Roth wie Blut, ist der Himmel;
Das ist nicht des Tages Gluth."
(Schiller.)
Met azijn en veel water brachten ze Chris bij. 't Duurde 'n heele
poos. 'n Scheut in 'r nek hielp 't best. Suf, waarlijk wezenloos zat
de meid op 'r bed, 't haarstaartje zwart van vocht.
"Chris," zeide meneer, "'t spijt ons wel dat je zoo geschrikt ben--we
hebben gèvlógen."
"Chris, meid," sprak mevrouw, "we deeën ons eerste toertje...."
"Toe nou, Chris--bederf 't tochtje niet," zei juffrouw Amélie.
Chris, nattig na-glimmend, met natte nekharen, natte slapen, Chris,
zurig riekend als 'n gemarioneerde haring--'t heele azijnfleschje uit
't stel was aan 'r verbruikt--wreef angstig de handen, zei enkel maar
suffig en hardnekkig:
"....'k Hei zoo benauwd van bééste gedroomd...."
"Niet waar!", viel meneer haar in de rede, "we hebben gevlogen--we
zijn de éérste vliegers in Holland...."
De meid luisterde nauwlijks naar 't onwijs gewauwel.
"Chris," drong meneer aan: "je heb gezien wat je nièt mocht zien--als
je je mond houdt, geen sterveling wat zegt, krijg je de volgende
maand vijf-en-twintig gulden van me--verstaan?"
"O, lieve God, meneer--'k hei zoo vreeselijk gedroomd--'k hei zulke
schrikkelijke dinge gezien."
"Je heb nièt gedroomd, Chrislief," praatte mevrouw
ongeduldig-vriendelijk, "_wij_ waren in de goot...."
"Heusch Chris--ik vloog om 't huis," bevestigde Amélie.
Chris keek ze verdwaasd aan. Het klonk nog alles zóo in harmonie met
'r nachtmerrie van _gedrochten_ bij 't raam, dat ze 'r arm oud hoofd,
niet geschikt voor derglijke moderne stoornissen, in de handen lei en
'r op los begon te snikken. Meneer en mevrouw en de juffrouw moste 't
'r niet kwalijk neme--ze was heelemaal onderste boven--ze zou morgen
na 'n dokter gaan--ze had zóo akelig, zóo miserabel, zóo hondsch-naar
gedroomd van beeste, met twaalef vleugele die op 't dak zatte, dat
'r hart zeer dee....
Dat was de éérste schrik dien de familie Zwaluw veroorzaakte, den
eersten van 'n reeks. Met Kobus ging 't vlotter. Die begréép toen
meneer 'm op den zolder de kisten liet zien, die streek graag de
fooi op en zwéég. Die hielp de volgende nachten 'n handje, kroop
zelf op 't dak en verbaasde zich over het wònder. Den derden nacht,
langzaam voortvleugelend, maakte de familie haar eerste tochtje bij
helderen maanschijn.
De honden, maanziek, sloegen aan, de mènschen hadden geen
vermoeden. Alleen dichterlijke of verliefde naturen plegen lang
'n maannacht te bestaren--'t eenig-poëtische van 't dorp was 'n
rederijkerskamer met 'n leesgezelschap van _fatsoenlijke_ producten--de
amoureuse lieden liepen dien nacht in dònkere boschaadjes. Als niet
hier en daar, náast 't verschrikt hondegejank 'n kat van de daken
ware geschichtigd, zou 't kostelijk gebeuren onopgelet zijn geschied.
[Illustratie: Zoude ik waarlijk te veel hooi op mijn vork getorscht
hebben? Om de weerga--'t is niet makkelijk! Onwillekeurig raakt men al
illustreerend aan 't _vloeken_. Derhalve moet een stijve-in-den-geloove
er zich niet aan wagen. Met schaduw en slagschaduw meen 'k 'n bijster
eind op weg te zijn--let s. v. p op de ongelooflijke moeilijkheid om
maanspelingen, op simpel papier, in àl haar geweldige zwaarmoedige
en etherische zwevingen, op 'n heel gewoon, zelfs léélijk dak te
_toucheeren_ (en zulks met _Neelmeijer_, niet met sepia, noch met
krijt, noch met doezel, noch met teekenstift). Ongetwijfeld zult ge bij
eersten oogopslag bevroeden, geachte lezeres en kunst-doorvoelster,
dat mijne ongewone illustratie in beeld zet het: 'n _Kat van de
daken ware geschichtigd_. Om den stompen schoorsteen _uit het dak
te doen leven_, heb 'k--waarom het niet te bekennen?--bezwaarlijken
arbeid gehad. Indien de een of andere Italiaansche rookverdrijver of
provinciale deskundige grovelijk beweren mocht, dat zulke schoorsteenen
niet bestaan, dat ze niet trékken--kort gesproken dat ze te _buikig_
zijn--dan kan 'k uit ondervinding verklaren, dat 'k eenmaal woonde in
een huis _met zulk een schoorsteen_, en dat we bij westen wind den rook
in 't huis en in 't eten hadden. Dit is dus niet alleen realiteit,
maar ook eene Aanklacht tegen misbouwde schoorsteenen. Voor het
overige teeken ik niet voor Italiaansche rookverdrijvers, niet voor
spitsvondige bouwmeesters, maar voor raisonable lieden. A en B stellen
_heenschichtigende_ katten voor. De auteur kan glad van _schichtigen_
spreken: wij illustrators zitten met zulke ondoordachte expressies
in onze maag. A is een kat. B een kater. Beiden gestoord in eene
_verklaring_. De staart van B is forscher dan die van A. De geheele
lichaamsbouw voorts. In nadere onkiesche aanduiding kan ik niet
treden. In de staarten heb ik het _schichtigen_ gesymboliseerd. S. F.]
Dicht langs de daken en bijna raaklings aan de boomtoppen, bewogen
zij voort--te hoog zulk een eersten keer was ongeraden, te meer omdat
alleen de _begane grond_ verlicht was. De tijd dat de wegen van stad
naar stad óók naar de zijde der wolken belicht zouden worden, was er
nog niet.
"Over vijf en twintig jaar," redeneerde de heer Zwaluw, "vind je
overal verlichte vliegpaden, zooals je nou fiets-paden begint te
krijgen. Dat kàn niet uitblijven...."
"Pa," mijmerde Amélie, "over vijf en twintig jaar is àlles
veranderd. Eenig!"
"Hoe zoo, kind?"
"Omdat 't móét, pa. Wat je noù benejen ziet is dùnnetjes--vin u
niet? Daken en nog 'ns daken. Je kan zóo zien, dat niemand 'r 'n
sikkepit om maalt hoe z'n huis 'r van bóven uitziet. Allemaal vieze
schoorsteentjes en smerige gootjes--vin ú dat móói, pa?"
"Nee, zeker niet," zei meneer met z'n voeten langs 'n reuze-populier
ritselend: "en die róókende schoorsteenen--bah, wat krijgen we 'n
tractatie uit die pijp--laten we wat op zij vliegen! die rookende
schoorsteenen vind 'k èrgerlijk. D'r is 'n verordening op 't
kleedenkloppen, 'r komt 'r natuurlijk een op 't schoorsteenrooken. 't
Is ongepermiteerd hoe de menschen benejen de lucht boven vervuilen. Dat
verandert."
"En dan moeten wij òns dak wat in orde laten maken door den tuinier,
Piet. Want niewaar, Piet, als onze kennissen mee gaan vliegen, zal
je 't meeste bezoek door 't zolderraam krijgen. Dat moet je laten
vertimmeren, Piet, met 'n nette balustrade en wat bloemperkjes en
schulpen...."
"Nee," weerlegde meneer: "we kunnen nou nog alleen plàtte daken
gebruiken en op 'n plat dak, zònder schoorsteen--bah, hier rooken ze
scharren!--kun je de keurigste perken onderhouen...."
"Wat zal dat liéf zijn, pa, als je òp elk huis rozen en
vergeet-me-nietjes ziet...."
Meneer klepperde even langzamer bij 'n zoldervenster.
"Piet!", zei mevrouw streng.
"Wat doet pa, ma?"
"Niets," zei mevrouw uit 'r humeur. Dáár zou ze 'm thùis over
onderhouen. Binnen loeren bij 'n juffrouw, die 'r avondtoilet
maakte. Ergerlijk hoe je géén man kon vertrouwen en nog ergerlijker
dat de menschen, zonder overburen, zoo ongegeneerd deeën. Amélie
leidde de verbolgen gedachten af.
"Pa," zei ze, 'n nieuwe ontdekking doend, "'r is niks meer veilig. We
zouen overal kunnen insluipen. Kijk is wat 'n ramen anstaan!...."
"Binnen de zes maanden zijn àl de ramen getralied," antwoordde pa,
't puntje van 'n nieuwe sigaar knippend.
Er stak wind op. De toppen der boomen aan hun voeten begonnen onrustig
te schuimen.
"Piet," zei mevrouw, 'n weinig vermoeid--'r linksche vleugeltrapper
moest geolied worden en tegen den wind in werd 't bezwaarlijk:
"ik ga terug."
Meneer die vloog te bepeinzen [1]--ook in de lùcht kon je _vieux
monsieur_ met wormstekigheden zijn--dat 'n vleugje alleen, zònder
vrouw en dochter, 'r genoeglijke zijde bij zooveel _verlichte_
intérieurs had, meneer protesteerde:
"Noù al? Heb jij zoo'n trek in 'n benauwde kamer als je 't _hemelruim_
voor je heb?"
De hoogte der situatie deed 'm dichterlijk praten. Zij, nu toch
hijgend en met 'n krampachtige trekking in 'r been die zich naar
'r eksteroog voortplantte, zei plat:
"Piet, zánik niet met je hemelruim. 'k Heb genoeg nàchtlucht gehapt--'k
wor 'r zàt van."
Geërgerd trapte hij òm. Bij tijden, in gezelschap, thàns in de
schoone Oneindigheid van maan, sterren, schoorsteenen en ruischende
boomtoppen, kwam haar ouwe spekslagers-dochtersche natuur, de natuur
van-achter-de-toonbank, _de laag-bij-den-grondsche_ natuur boven,
plapperde ze 'r uit wat 'r voor 'r mond groeide.
"Je moeder _verstoort_ ons uitstapje weer," klaagde hij.
"Ik _verstoor_ niemendal," zei mevrouw vinnig, "'k ben moe en zal
blij zijn as 'k 't ding kwijt ben. Me lendene krake...."
"Daar hebben we weer 'n expressie uit de Jan-van-Loon-straat!"--,
schamperde meneer.
Dàt had-ie niet moeten zeggen--dàt was 't wreedste, 't uitgezochtste
ruziepunt. Zoodra-die in twistgesprek dàt 'r uitflapte, zinspeelde-die
op haar _verleden_, op 'r jeugd in den Gelderschen worstwinkel, toen
'r vader-zaliger nog varkens op den kop hamerde en 'r moeder-zaliger,
reuzelglimmend en garstig, de vetmollige hand om worstbuiken lei. Als
zij uit de Jan-van-Loonstraat kwam, kwam hij uit de Zwaanssteeg. De
Jan-van-Loonstraat had niet onder te doen voor de Zwaanssteeg. Bei
kinderen van een zelfde slachters-geslacht, vonden ze er in gemelijke
buien minder beschaafd genoegen in, de Jan-van-Loonstraat en de
Zwaanssteeg te _hoonen_. Hij met z'n meerdere geleerdheid had 'r
'n bijzonder handje van.
Mevrouw, snuivend van geprikkeldheid, deed 'n reflex-gebaar
parachute-knop-waarts, in eerste aandrift om zich te laten vallen,
doch omdat ze juist vlogen boven de dorpsvuilnisbelt, die een zware
schutting had en minder welriekte, hervond ze haar gemoedelijkheid
in kalmen sarrens-toon.
"Zoo Piet? Uit de Jan-van-Loonstraat, Piet? 'k Dacht dat 'k zoo'n boel
uit de Zwaanssteeg had overgenomen, Piet! Als jij tegen de knechts
vloekte, Piet! Niewaar, Piet?...."
Bij elk Piet in prachtig-gevarieerde intonatie, trapte ze 'r pedaal en
_glimlachte_. Jammer dat-ie dien hatelijken lach niet zièn kon. Daar
lei-ie 't altijd tegen af.
"Mènsch!...", begon meneer in braltoon, aanpeddelend om dichter bij
'r te raken.
Toen suste Amélie.
"Jakkes, pa en ma--hou u op! Hoe geneert u zich niet voor de
menschen...."
"Wèlke menschen?"--, snauwde meneer.
En ineens schaterde Amélie 't uit. Dàt was 'n gezelligheid van 't
vliegen zonder weerga--je kon prettig kibbelen en mekaar onbewimpeld
(de wimpels der machines uitgezonderd) de hardste waarheden
zeggen--zonder burengerucht. De toekomst van kijven en herrie was
aan de Ruimte.
"Wat lach je nou hinderlijk?"--, zei mevrouw.
"Beter lachen as uitdrukkingen uit de Jan-van-Loon-straat," zei meneer
nòg eens. En ze zou daar weer 't ééne-noodige op geantwoord hebben,
ware niet 'n geluid tot hen gestegen, dat ze verschrikt deed zwijgen.
In 't dorp klonk een kermend hoorngeschal--'t geschal dat alle bewoners
kenden, 'n lang-toeterend, klagend geschal, dat overal echo's sloeg,
'n geschal dat geen uitleg noodig had, 'n geschal dat in z'n akeligheid
en lugubere klanking àlles zei.
"Brand," zeide Amélie 't eerst.
"Brand," herhaalde mevrouw, blazend en transpireerend.
"Brand," sprak meneer, kort.
"Lieve hemel," zei Amélie _ad rem_ in den hémel: "als 't 'n erge brand
is en de lucht zoo roodgekleurd wordt als laatst bij Van Galen, toen
de hooiberg in brand stond, dan kunnen we niet thuis komen, dan ziet
't heele dorp ons.... Eenig. Eenig"....
"Ik laat me vallen," steunde mevrouw, blij dat ze 'n uitvlucht had
bij de vlucht die te lang duurde.
"Dóórvliegen!", maande meneer, "'r is niks te zien, nog geen
vònkje. Natuurlijk weer alarm om niks."
't Was inderdaad nièt de eerste keer, dat 't dorp werd wakker
getoeterd zonder reden. Bij 't geringst smeulinkje, bij 't flauwst
rook-krinkelingetje ter plaatse waar smeulinkjes en krinkelingetjes
_verdacht_ waren, toeterde de dorpspolitie, die voor elke eerste
toetering 'n premie van vijftig cent kreeg, 'r ademloos op los. In de
laatste vijf jaar was 'r maar éénmaal brand (in den Van Galen'-schen
hooiberg) en driehonderdzesmaal alarm voor schoorsteenbranden,
smeulinkjes en krinkelingen, als voren, geweest. Dan liep de burgerij
naar de spuithuisjes, werd 'r absoluut water gegeven, omdat àls de
spuiten uitgerukt waren, je ze allicht op verstoppingen en lekken
kon probeeren. Zulke dorpsverschrikkingen hielden per alarm het dorp
een paar uur aan den openbaren weg bezig, en tegen het beslist einde
begon de dorpsklok nog eens overmatig te luiden, omdat de dorpstoren
twee-honderd-zeven-en-veertig treden had en niemand op ongezetten tijd
lust gevoelde den kippigen koster te waarschuwen, dat de spuitgasten
alweer naar huis waren.
Vlug voortpeddelend, bevreesd voor het drie-honderd-zevend alarm,
dat mogelijk bloed en purper in de luchten voorspelde, mevrouw, die
telkens wou parachuteeren, met vinnige woorden òpzwiepend, kwamen ze in
't gezicht der eigen villa.
"Lieve help!"--, riep Amélie doodelijk-angstig.
"O, goeie genade!"--, zei mevrouw.
"Bliksems!"--, vloekte meneer.
Bij den voortuin walmden toortsen, zag je helmen-geblink, zàg je
de kraak-helder-gepoetste rood-koperen montuur van spuit I--pàs
aangeschaft, nog nimmer beproefd--zag je de hoofden der Brandweer met
witte staven in de hand. Spuit I werkte, werkte beslist, bèwerkte de
villa _Casa Cara_, dè Zwaluw-villa. Spuit I spoot een violette straal
in de richting der logeerkamer, waar ouwe Chris sliep. Die violette
straal, beglansd en besprenkeld door poenig-brandende toortsen--die
brandden, zònder voos alarm--daverde een vlammende ontzetting naar
de donkere wolken.
"Piet--'k val flauw," hakkelde mevrouw met akelig-draaiende oogballen.
"Dat zul je laten--daar is de machine niet op berekend!", schreeuwde
meneer.
"Ma blijf in godsnaam kordaat--we kùnnen niet in 't huis, zoolang ze
spuit I probeeren!", riep Amélie gejaagd.
"Trappen! Trappen!", kommandeerde meneer.
Met kloppende harten, bonzende slapen, vleugellam en gefolterd, vlogen
ze in wijde cirkels om 't huis--de eerste hollandsche lucht-peddelaars.
Waarlijk, bij dit driehonderd-zevend alarm had de éérst-blazende
politieagent z'n vijftig cent verdiend. Hadde hij later geblazen, de
villa _Casa Cara_ van den heer Pieter E. Zwaluw ware een _speelbal
der vlammen geworden_. Het stond den volgenden morgen uitvoerig
in het plaatselijk blad, doch de _détails_, de ware oorzaak zou
niemand te weten komen. _Details_ èn oorzaak bleven in Chris' hart
begraven. Dien avond, nog ganschelijk niet genezen van de beruchte
nachtmerrie, huiverig en angstig, had ze bij de kaars zitten soezen
tot meneer de buitendeur grendelde. Dat dee meneer altijd zelf. Noch
haar, noch Kobus vertrouwde-die het kunstig Amerikaansch slot toe,
dat-ie in San Louis had gekocht, dat met drie grendels in de deur
greep en door 'n sleutel zoo licht als 'n lucifer werd gesloten. 's
Morgens werden de bakker, de kruidenier, de melkboer door 'n luikje
bediend--en om negen uur, als meneer benee kwam, ontsloot hij het
kunstwerk, dat alle intieme bezoekers van _Casa Cara_ om beurten
hadden bewonderd. Van avond had meneer bijster vroeg en met veel
gedruisch gesloten, den electrischen toevoer afgedraaid om Chris naar
bed te jagen. Chris, ondersteboven,--in geen drie dagen had ze bijna
gepraat--zocht de logeerkamerhoeken af, keek _onder_ 't bed, keek
in de kasten. Toen mijmerde ze--bij de kaars. 'r Gewoonte-dingen,
't kammen van 'r piekerig geel haar, 't wriemelen van 't vlassig
vlechtje, 't wentelen van den veter, deed ze in afwezigheid. 'r
Gedachten waren bij 't visioen, 't schrikbeeld, 't klepperen der
zes en dertig vleugels, 't gelach voor 't dakraam. Den heelen dag,
machinaal schrobbend en redderend, had ze de benauwenis hervoeld,
't doodsangst-oogenblik in 't dakkamertje. 't Licht der kaars,
zacht-zwabberend vlammetje, wieglend op 'r adem-beweeg, zwol schaduwen
langs 't behang, schaduwen tegen 't plafond, schaduwen op de witte
bedgordijnen. 't Huis was één pijnigende stilte. Meneer, mevrouw,
juffrouw Amélie, Kobus--alles sliep. In de benedengang tikte de
klok, zwaar van klepel-gang. Nog eens keek ze in de hoeken, _onder_
't bed, in de kasten, _achter_ de gordijnen--toen ging ze te bed,
met kouwe voetklompjes in verstarde sokken--liet de kaars branden,
wat niet mocht, wat meneer streng verboden had.
[Illustratie: .... "Toen ging ze te bed, met kouwe voet-klompjes in
verstarde sokken--liet de kaars branden, wat niet mocht, wat meneer
streng verboden had....", zegt de auteur. De uitgever verlangde dit
dramatisch moment in beeld--de behendige illustrator, 't niet
geoorloofd vindend critische opmerkingen in te lasschen over den
zonderlingen zinsbouw en de gewilde woordkeus, meende zoowel de _kouwe
voetklompjes_ als de _verstarde_ sokken te moeten verwaarloozen. Daar
zijn zaken die de aesthetika verbiedt te teekenen. Te over herhaal 'k
de meditatie, dat de schrijvers van den tegenwoordigen tijd, met al
hun buitenissigheden en hun verslordiging der Natuur, studies nààr
die Natuur bijkans onmogelijk maken. Ik vergenoegde mij met het bed A,
het dek D, het nachtkastje B, het vloerkleedje C. De bedgordijnen,
de peluw en de kaars acht 'k voortreffelijk geslaagd.... "Uit niets
blijkt zoozeer de beteekenis en diepte van een meester, als uit zijn
begrip en behandeling van de lijn; niets spreekt luider en duidelijker
van den krachtigen of ontzenuwden toestand van eenige kunstperiode,
dan haar teekeningen in lijn. Lijnen zijn de zenuwvezels van de kunst,
het geheele lichaam verbindend en beheerschend...." betoogt _Walter
Crane_ in zijn _Claims of decorative_ art--ik, die woorden tot de mijne
makend, heb mijn gansche _ziel_ in Chris' bedgordijnen gelegd, met
liefde en perspectivische kennis het bed geteekend. Welk een speling
van schaduwen! Welk een massieve structuur! Welk een smijdigheid
van stof! Welk een strenge eenvoud in het nachtkastje! En welk een
droevige jammer dat zùlk een volkomen techniek, zulk een teerheid
van behandeling, zulk een volheid van observatie, zulk een artistieke
toets van de pen met _Neelmeijer_, naast deze bladzijde 66 _verloren
gaan_, onmiddelijk bezwadderd worden door de stuitende woorden van
den auteur:.... "_Zij snurkte er op los_...." Enfin, de _uitgever_
moet 't weten. Ik houd mij koel en 'r buiten. S. F.]
Voor geen goud had ze in 't _donker_ geslapen. Schijnbaar wakker,
telkens met àndere onrustige droomen, snurkte ze er op los. 't Kaarsje
knetterde, dee 't papier opvlammen--'t papier begon te spelen met
't bedgordijn.... Op dat moment geschiedden twee wonderen--Chris
schrikte wakker, vloog (figuurlijk) naar het raam--en een pruimende
politieagent passeerde. Chris gilde het woordje "brand!" en het
driehonderd-zevend alarm doorklaagde het dorp, terwijl Chris,
weder teruggevlogen (figuurlijk), het bedgordijn afrukte en vol
tegenwoordigheid van geest in een deken begroef.
"'t Is al gedaan!", schreeuwde ze weer uit het raam.
Maar men speelt niet met vuur en nog minder met een nieuwe, met
rood-koper gemonteerde spuit, die nog nimmer _in_ 't vuur is geweest.
De brandhoorns joegen paarse klachten door 't dorp--dreunende
voetstappen bedaverden de keien--de gebeurtenis wàs er.
In nog geen vijf minuten werkte spuit I, werden de toegangen tot de
Zwaluw-villa afgezet, klommen _rappe_ gasten in Chris' kamer.
Er was een geparfumeerde brandlucht--er _smeulde_--er wérd gespoten.
De Burgemeester, hoofd van de Brandweer, met al de wethouders, was
ter plaatse.
Met een rooden bandelier om de borst, beklom hij de logeerkamer
en nou-ie 'r ambtshalve was, ambtshalve róók, ambtshalve uit z'n
bed was gehaald na een vermoeienden dag van trouwplechtigheden en
raadsvergadering over-rioleerings-klachten, nou most-ie ook ambtshalve
proces-verbaal opmaken en beval den eigenaar te wekken.
Chris, heelemaal gerust door zóóveel mannen met _bijlen_ in de
omgeving, alleen bang voor 'n geweldigen uitbrander, ging naar boven,
klopte.
Geen geluid.