"Dat laat je anstaan," zei meneer: "ga rustig na bed en hou 'n oog
op Chris. We zullen ons zelf helpen als we terug zijn."
"Dan wensch 'k u goeie reis," zei Kobus, blij dat-ie niet behoefde
te wachten.
Het was een zwoele zomeravond, zonder 'n zuchtje.
De lucht was bijna transparant.
De sterren smachtten--de maan, in 'r laatste kwartier, glimmerde
hollandsch-zindelijk, zonder 'n roestplek of wreef.
De geheele natuur, dien bekoorlijken avond, dee zoo smetteloos aan als
'n versch geboende dorpsstraat.
De boomtoppen, ordlijk, _gecoiffeerd_, kuifden als kropsla achter
'n schutting--blaadren noch takken hadden 'n ritsling.
Uitgezochter weer voor 'n tocht was ondenkbaar.
Meneer, smakelijk rookend, vloog voor-op, allergezelligst van
humeur. An z'n stuurrad bungelde 'n pakje door mevrouw en Amélie
bereid--'n halve kouwe kip, 'n bus sardines, wat gesmeerde broodjes en
'n stuk leverworst.
Amélie had 'n flesch wijn an 'r ballast-haak. Als de tocht wat langer
duurde, zouen ze ergens rusten en nachtlijk picnicken. Je kreeg
'n geweldigen eetlust van dat peddelen in de ozon-rijkste lucht.
Mevrouw had 'n acetyleen-lantaarn meegenomen.
Zoo toe-gerust hadden ze den heelen nacht voor zich--tot de
morgenschemering ze zou verjagen.
Het dorp verdween in de dùisternis.
'n Enkle boerenwoning stak 'r dak door 't groen.
Dan werd 't de heerlijke eenzaamheid van 't bosch.
"Piet, kan je zoo niet verdwalen?"--, vroeg mevrouw: "'k zou liever
bóven den weg blijven"....
"Nee," zei hij, 'n kompasje voor z'n brandende sigaar houdend:
"we vliegen prachtig zuidwestelijk--in 'n kwartier zijn we bij de
ruïne van _Koepelsteyn._ Dáár binden we af."
"De ruïne van _Koepelsteyn!",_ riep Amélie: "o, pa, da's 'n heerlijke
inval!"
"Piet," aarzelde mevrouw: "'s nachts op 'n verlaten ruïne, daar ben
'k niks op gesteld"....
"Mènsch," redeneerde Pieter: "uitgezochter kùn je 't niet hebben. Boven
op den stompen toren gebruiken we ons souper, rook 'k 'n sigaartje
en dan peddelen we kalm terug. D'as je toekomst, 'r Zal nog heel wat
profijt van torens getrokken worden"....
"Nou Piet," zei mevrouw nog eens: "_ik_ bleef liever in 't bewoonde."
"O die ma!", lachte Amélie: "waar kun je 's nachts veiliger zitten dan
òp 'n toren. En hij is veel dichter bij dan 'k dacht--daar is-ie al!"
Werklijk in 't duister werd de ruïne voor hun geoefende oogen
zichtbaar.
De zware, gebrokkelde muren donkerden omhoog en de toren, bijna gaaf,
plompte z'n massief silhouet in den sterrenhemel.
Het was eene schoone ruïne, verborgen in 't weelderig groen, vroeger
'n roofburcht geweest of 'n klooster.
Er achter was 't kerkhof van 't dorp.
Nooit kwam iemand op 't plateau van den toren. Eénmaal in 't jaar,
op koninginne-verjaardag, klom 'n doodgraver langs de vermolmde
trappen en plantte de vlag.
Benee, achter de zware deuren, werd 't gereedschap van 't kerkhof
bewaard.
Niet ten onrechte huiverde derhalve mevrouw, toen ze naast 'r
man nederstreek op de glibberige planken en 'n aantal uilen,
nijdig-schreeuwend, heenstoven.
"Goddelijk--dolletjes," lachte Amélie: "nou nog wat spoken, pa,
en de picnic is volmaakt!"....
"Ziezoo," zuchtte meneer, z'n riem ontgespend: "nou weet 'k wel
zéker dat we 'n uitstapje gemaakt hebben, als vóór ons nog niemand
in Holland"....
"Piet--op me woord--'k ben bàng," sprak mevrouw: "je had me net zoo
goed in 'n kelder kunnen opsluiten en de hemel weet wat voor ongedierte
hier krioelt!"
"Dat zullen we dadelijk zièn," lachte Pieter, uitgelaten, "overburen
hebben we niet, geef me je acetyleen!"
"Asjeblief," zei mevrouw, blij dat 'r licht kwam.
"Zoo," zei hij, met de geweldig-schijnende lamp het plateau bekijkend:
"geen levend insect te zien! Waarachtig de boel is zoo solide als je
maar wenschen kan."
"Mag 'k niet is beneden kijken, pa?"
"Je mag wel, maar je kàn niet," praatte pa vroolijk: "'t luik is
benejen gegrendeld. Zoo, nou gaat de acetyleen uit en steek 'k 'n
kaars op. Anders verrajen we ons nog"....
Mevrouw begon 'r ook schik in te krijgen.
't Was zoo romantisch, zoo allergrappigst dat je in diepste eenzaamheid
's nachts op 'n ruïne _picnicte_, dat ze zelf mee hielp dekken.
De flesch wijn kwam midden op 't servetje te staan--daaromheen de
halve kip, de bus sardines, de worst, de broodjes.
De vliegmachines, netjes gevouwen, leien in 'n hoek.
"Om te zoenen zoo uitgezocht," zeide Pieter. "'k Heb in geen tijd
zoo'n trek gehad!"
Z'n sigaar weg-werpend, dat 't vonken regende--wee, wee!--knipte-die
z'n zakmes open en begon voor te snijden. Soms als-ie de geledingen
niet vond, hield Amélie de kaars bij en als 't kaars vet dan neerklukte
op pa's decoupeerende hand, lachten ze als roovers.
Mevrouw dronk den eersten kroes wijn, dezelfde kroes met de initialen
A. Z. in 't zilver gegraveerd, waaruit Amélie's dorstig mondje melk
met gortwater had gedronken.
"Nou knappen we eerst de sardines," zei meneer, de olieachtige
brokken uit de doos peuterend: "en dàn de kip. De algekloven beentjes
legateeren we aan de schim van _Koepelsteyn_."
"'t Is heusch 'n ààrdig zitje," zei merouw toehappend: "'t ruikt alleen
'n beetje gebrand. D'r kan benee toch niks smeulen?"
"Da's 'n heibrandje wat je ruikt of de kip is aangebrand," zei
meneer, zwaar happend bij 't wapperend kaarslicht, dat z'n gelaat
bizar bevlamde.
"Pa," ginnegapte Amélie: "als de _Leurings_ of de _Spaarns_ u zóó
zouen zien, gingen ze an de haal--u ziet 'r uit als 'n struikroover
bij de kaars"....
"Hahaha," bulder-lachte meneer, z'n zakmes zwaaiend: "denk maar dat 'k
_Koepelsteyn_ ben, de láátste der _Koepelsteynen_! Straks vlieg ik na
benee en sleep den eerste den beste mee na boven! As wij drie willen,
kunnen we hier vandaan de menschen bij hoopen plunderen--geen haan die
'r na kraait. Alle donders, de gemeenste Italiaansche bandiet legt
't tegen òns af. Wij hebben vrij rooven, moorden, schaken...."
"Piet hou op met je ènge praat!", verzocht mevrouw.
Even kloven ze in stilte, ongegeneerd als natuurmenschen.
Toen, door 't dolle heen, hief de heer _Zwaluw_ den wijnkroes
omhoog, en voor 't eerst van z'n leven _speechte_-die studentikoos:
"Vliegers--éérste vliegers van Holland--op de tinne van deze
oude beruchte roofburcht heet ik u welkom. Wij pad_vlinders_ en
menschvogels, kluivend en fuivend, als arenden in 't arendsnest...."
Hij bleef steken, nog niet gehéél op dreef en hij hoefde niet verder
te gaan, want het werd plots zonderling licht op 't toren-plateau.
"Piet!"--, gilde mevrouw.
"Pa!"--, _kreesch_ Amélie.
Snel omkijkend, stikte-die bijna in z'n slok wijn.
De zijden vleugels der vliegmachines stonden in brand, vlamden fel
op en doofden omdat 'r niets meer te branden was.
Doodsbleek waggelde Pieter Zwaluw op de laatste smeuling toe.
"Onze vleugels zijn verbrand," hakkelde-die, de ledige aluminium-latten
voorzichtig betastend; "hoe komt dàt?"....
Eerst antwoordde niemand. Het overweldigende van het avontuur,
't plots vastgeklonken zitten aan den toren van _Koepelsteyn_,
zonder 'n kans je den verachten _beganen grond_ te kunnen bereiken,
de dònderslag van onklare toestellen op de uitgezochtst-verlaten plek,
versteende tong en gebaren van mevrouw en Amélie.
Dat zou ongekend lang geduurd hebben, hadde Amélie niet
bakvischachtig-onhandig 't slèchtste woord voor de situatie gekozen.
"Nee--die is éénig," zei ze perplex.
"Eenig!", barstte mevrouw dàdelijk los, de kippekluif wild
wegwerpend--zéér ondoordacht--: "Eenig, da's je vader z'n stomme
schuld! As-die z'n sigaar niet zoo ruw had gesmeten! Ja, je
sigaar! Enkel je sigaar! De vonken vallen niet uit den hemel! Nee,
maar daar zitten we nou, hoog en droog--hoog en droog!"....
"Ja wèl hoog," zuchtte meneer, elk van de machines bekijkend:
"We zijn gepiept."
Ook die woordkeuze getuigde van avontuur-onervarendheid. Men spreekt
niet van dood in 't huis eens gehangenen, men vermijdt _jargon_ als
'n vrouw óver 'r zenuwen heen is.
"Gepiept," herhaalde mevrouw, naar de beste accentjes zoekend om
'r gèk-van-'n-man te vernederen: "gepiept--gepiept--hij heeft 'r
pleizier in! Had me niet je _krankzinnige_ machines opgedrongen--dan
kon dat alweer niet gebeurd zijn. Eerst brand in 't huis--dan brand op
'n toren. Tweemaal brand! Tweemaal! Mij goed--mij best--as ik maar
niet den naam van 'n _brandstichtster_ krijg!"
De heer Pieter Zwaluw hield waarlijk z'n mond. De logica van z'n
opgehitste vrouw was verbluffend. Eerst verbrande bedgordijnen in
_Casa Cara_--dan verbrande vleugelen op _Koepelsteyn_--'t dee je
benauwend aan 't gestreng-ontstemde gelaat des burgermeesters denken.
"We bòffen niet," zei-ie, na 'n contemplatieve rust: "'k begrijp op
me woord niet dat mijn sigaar...."
"Nee, 't was de mijne," sprak mevrouw bedaard vernietigend: "as je
maar zòrgt dat _ik_ van nacht in m'n bèd kom"....
"Ja, daar dien 'k voor te zorgen," praatte meneer gedwee in den
afgrond náást den toren kijkend.
"'t Is éénig," zei Amélie nog eens zacht.
"Hou je onwijze praat voor je," snauwde mevrouw: "eenig is je pá die
ons in ònmenschlijke ongelegenheid brengt. Ik vraag, Piet--hoor je,
Piet?--dat je maakt dat 'k op me bèd kom!"
"Jawel! Zeker!"--, begon meneer te grommen en de onmogelijkheid
willende betoogen van zúlk een extravaganten eisch, flapte-die 'r
'n spreekwoord uit: "Beter tien vogelen in de lucht as één in je
hand. Je heb maar te kòmmàndeeren"....
Toen, kapot van zooveel tegenspoeden, snikkerde mevrouw er zacht
op los.
Er was reden toe. 't Kaarsje naast 't avondmaal, 'n allerongelukkigst
eindje, stuiptrekte, de norsche wallen van den toren grillig
bevlammend.
De verjaagde nachtuilen, niet snappend welke zonderlinge gebeurtenis
op 't plat geschiedde, fladderden spichtig heen en weer, neerplonzend
en weer schrik-schreeuwend vluchtend.
Meneer, ongezond-bleek, streek een lucifer af. Met de
acetyleen-lamp--wat 'n geluk dat diè mee was genomen!--onderzocht-ie
't luik dat naar benee voerde. Geen denken an. Aan de binnenzij was
'n bout of 'n grendel. Hoe je wrikte, 't luik blééf dicht. En als
't wèl lukte, was je even ver, kon je hoogstens de vermolmde trappen
afstrompelen en beneden de hoofddeuren gesloten vinden, Ze zaten
geknipt, onherroepelijk geknipt. Zonder hulp van menschen kwamen
ze er niet af en de hulp-van-menschen beteekende de lachwekkendste
openbaring.
"Pa, hoe kom u zoo onvoorzichtig," zei Amélie, die moeite had 't niet
uit te schateren, zoo héérlijk als ze de historie vond.
"Ja! Hoe kom 'k," praatte pa met akeligen galgenhumor, 'n humor die 'm
slecht af ging z'n bleek gezicht was 'r niet mee in accoord-bevinding:
"hoe kun je denken dat vlerken zóó brandbaar zijn, hè? Zeg an je
ma, kind, dat ze ophoudt met huilen. Dauw in den vroegen nacht is
ongezond"....
"Laat me met rust!" zei mevrouw verwoed; "ik blijf hier niet slapen,
versta je!"
"Dat zal toch wel moeten"....
"Ik doe 't niet," zei mevrouw heftig.
"Je kan toch moeilijk verlangen dat 'k na beneden spring als Jan van
Schaffelaar," betoogde meneer rustig: "we moeten hopen op den een of
anderen wandelaar"....
"D'r wandelt niemand," huilde mevrouw nerveus: "dat weet je wel. We
verhongeren honderd tegen één"....
"Eénig"...., haperde Amélie.
"'t Is waarachtig 'n beroerde zaak," rekende Pieter: "ééns in 't
jaar, op koninginnefeest, wordt de vlag geheschen. Dat duurt nog wel
'n maand"....
"Misschien wordt 'r gauw iemand begraven," hoopte Amélie.
"God geve 't"--, sprak de heer Zwaluw geheel down: "we zijn als
vlinders bij de lamp--we hebben onze vlerken geschroeid.... 't Is
leelijk, heel leelijk. Zal 'k de acetyleen uit doen?"
"Nee," bitste mevrouw; "'k dank je voor je donker"....
"'t Is me eenige lichtvoorraad," sprak hij nadenkend; "anders zitten
we morgennacht zonder iets" ...
"Mòrgennacht?"--schrikte mevrouw.
"Mòrgennacht?", zei ook Amélie, 'n weinig angstig.
"Natuurlijk," zei meneer: "'t Kan best twee, drie dagen duren. We
zullen op _rantsoen_ moeten leven. Wat is 'r nog?"
"'n Halve bus sardines, pa, en de broodjes en de leverworst--de kouwe
kip hou je niet goed"....
"Als je nou denkt," begon mevrouw onbekookt te ruziën: "dat 'k zoo
volslagen gek zal zijn, om hier 'n páár dagen te blijven"....
"_Ik_ dwing je niet," zei Pieter gemoedelijk. Je kan geen ijzer met
handen breken, noch van torens omlaag _stappen_.
"Pa, is 't u heusch ernst dat 't zóo lang kan duren?"
"Dat weet de hemel," zei meneer: "weken aneen komt hier geen levende
ziel. En àls we verhongeren moeten, verhongeren we met mekaar--da's
'n troost."
Hij blies de acetyleenlamp uit. De sombere stemming versomberde,
ofschoon de sterren lieflijk schenen en de stilte aanbiddelijk was.
"We zijn voorgoed ridikuul," snikte mevrouw.
"Da's 't minste," antwoordde hij poenig.
"'k Ben dood op."
"Ga liggen!"
"Liggen op die smerige planken? Voor geen goud!"
"Je zal wel moeten, kindlief. Wil je mijn jas hebben?"
"Nee," zei ze driftig: "'k verlang naar me bed!"
Zwijgend over mekaar, tusschen de donkere wallen van den toren,
keken ze van de sterren naar de diepten terzij.
't Proper mane-sikje belichtte de zerken van 't kerkhof, de stompen der
ruïne, de zware struiken. Geen schim-van-'n-geluid was te hooren. In
'n woestijn kon 't niet eenzamer.
"Eenig"...., begon Amélie weer, maar snel dat ophitsend woord
verslikkend zei ze: "eenige troost is 'r, dat Kobus zal zóéken"....
"Dat zal-ie niet," viel pa 'r in de rede: "hij zal z'n mond houen"....
"En als 't te lang duurt, pa?"....
"Dan zal-ie nòg z'n mond houen."
"Dan is 't weer géén troost," zei Amélie geduldig 'r kippekluif
hernemend, dien ze op 't servet in den steek had gelaten.
"Wat doe je?"--, vroeg Pieter streng.
"Kluiven, pa"....
"Geen gekluif, nou!"--, beval hij onrustig: "je hèb geen honger! Over
'n paar dagen bid je 'r om--op 't oogenblik heb je geen behoefte"....
"Da's waar," zei Amélie tam: "dan zal 'k den kluif dien ma strakkies
weggesmeten heeft bij den _voorraad_ leggen"....
"Dank je voor je _lekkers_!"--, schimpte ma: "wat op die smérige
planken bij 't vuil van vleermuizen gelegen heeft, raak 'k niet
an. 'k Wil na me bèd, Piet--versta je, Piet?--'k Kan niet meer op me
beenen staan"....
"Leg den kluif bij de rest," gebood meneer, ma's laatste klacht
verwaarloozend: "we smijten daar met kluif! In Leiden, met de
Spanjaarden, hebben ze 't met minder gedaan. Misschien snàk je de
volgende week naar 'n levende vleermuis"....
"Eenig"--, fluisterde Amélie, die zoo'n romantisch geval met honger
en dood op 'n torentje allerheerlijkst vond. Licht dat 'r in den
naren, realistischen, materialistischen tijd nog wat echte Romantiek
geboren werd.
"Eet jij levende vleermuizen, idioot"--schold mevrouw: "daar heb ik
goddank geen opvoeding voor gehad"....
"Misschien heeft je vader erger dingen in de worst gedraaid,"
vroolijkte Pieter, probeerend z'n goed humeur te bewaren.
"Mijn vader heeft zijn vrouw tenminste niet op torens geplakt"--,
zei mevrouw _hautain_.
"Nàcht," antwoordde hij, languit neder liggend: "ik zal 'r van nemen
wat 'r van te halen valt."
"Dus ik moet wakker blijven?"--vroeg ze stroef.
"'r Is ruimte genoeg," lachte hij.
"Pa," zei Amélie nederhurkend: "we zitten als in 'n belegerde
vesting"....
"Precies," geeuwde hij: "zoo heeft ook eens Jan van Schaffelaar
gelegen--belegerd door _Perrol met de rooie hand_.--Da's 't pràchtigste
boek dat 'k ken. As 'k weer thuis ben, zal 'k 't je moeder laten
lezen"....
Denkend aan _De Schaapherder_ begon-ie te snurken.
Mevrouw in 'n hoek, den zakdoek om 'r hoofd voor de griezelige
beesten--jammer dat ze geen rok had!--probeerde te slapen, schrikte
telkens wakker, als 'n _vleermuis_ neerstreek.
Amélie, languit, de oogen geopend, keek naar de sterren, had moeite
niet te neuriën. Pa's gesnurk verstoorde de idylle.
"Slaap u, ma-lief?"--vroeg ze ongerust over ma's lastige houding.
"Natuurlijk niet," snauwde ma.
"Ga u dan toch liggen."
"Nee, 'k ben vies van die planken."
"En als 't nou héúsch langer duurt--dat hou u toch niet vol!"
Wrokkend kwam mama naast 'r liggen en opnieuw zachtjes snikkend zei
ze 'r hope en vreeze: "As de hemel maar geeft, dat 'r morgen iemand
begráven wordt!"
"D'r is niemand ziek, ma."
"Dat weet je niet. Laten we 'r om _bidden_," nokte mevrouw Zwaluw.
Toen werd 't langzaam algeheel stil op het torenplat.
De maansikkel, hooger stevenend, bescheen drie menschelijke vormen, 'n
aangebroken flesch wijn, 'n kroes, 'n open bus sardines, wat broodjes,
'n eind leverworst en bekloven kluiven.
Het was geen _schoon_ stilleven.
De ontruste, beroofde uilen en vleermuizen kringden angstig om
't gebeuren.
ZEVENDE KAPITTEL.
EEN TRAGISCHE DAG.
"Wee, wee, wee wie het weet!
Melodieën van leed
Omruischen me als regenvlagen:
En roepen: Vergeet! Vergeet!"...
(Albert Verwey.)
"Ik weet niet waar ik sterven zal."
(Multatuli.)
"Wellicht zullen de dames het wel het aangenaamst blijven achten,
om alleen huishoudelijken arbeid te doen"....
(Bijdragen tot den strijd over God, Eigendom en Familie,
Mr. S. van Houten).
Nog nimmer had de uchtendstond zóó vroeg goud in den mond gehad.
Om vier uur, klaar-lichte dag, keek de heer Zwaluw, geel-gróen en
verwezen, op z'n horloge.
't Ongeluk zette niet dadelijk in--althans mevrouw _sliep_, 't hoofd
op den ballastzak van 'r verhavende machine.
Met 't pessimisme der on-uitgeslapenheid, keek-ie 't plateau af,
dat er inderdaad onsmakelijk uit zag.
De planken, groenig beslagen, in de voegen verweerd, hadden bergen
en dalen van wat 'r vróéger, gister nog _gehuisd_ had.
Hier en daar was 'n deel vermolmd, maar 't luik, pas vernieuwd en
geteerd, lei zoo solide als de deur van 'n brandkast.
Zachjes loopend, keek-ie omlaag.
De kleinste diepte was zeker dertig, veertig meter.
Je kon je geen gemeener gevangenis fantaseeren.
De dood, honger óf 'n verlossende begrafenis--anders was 'r geen
uitweg.
In elk geval, hij zou 't mogelijke doen.
Snel z'n jas uittrekkend, schoot-ie z'n overhemd over 't hoofd,
bond een der mouwen aan de stang der vliegmachine. 'n Noodvlag die
ze zouen begrijpen, als, àls, àls de een of ander, 'n bedelaar of
landlooper voorbijkwam.
Er woei 'n zuidwesten-windje--de hemel leek druilig.
Het hemd flapperde, klepperde, wekte mevrouw en Amélie.
"Goeien morgen, pa--plezierig geslapen?"--, vroeg Amélie,
goed-gehumeurd als altijd.
"Hoe komt dat hèmd daar?"--, vroeg mevrouw knorrig.
"'n Noodsein," lei meneer uit.
"Wil je ons nóg belachelijker maken dan we al zijn," kibbelde ma:
"'n hemd zònder knoopies, 'n hemd vol olie van de sardines!"....
"Jij komt lekker an 't ontbijt," verweet hij, de omstandigheden
vergetend.
"'t Ontbijt," schamperde mevrouw: "'k wou dat je me eerst waschwater
bezorgde èn 'n tandborstel èn me _pasta_, 'n Vrouw die met jóú getrouwd
is, wordt 'n _straatslijpster_"....
"Kind," sprak hij lief: "laten we 't leed opgewekt dragen. We zìjn
nou eenmaal _gepiept_"....
'r Oogen keken 'm vernietigend aan. Geen kopje thee op 'r bèd, geen
behoorlijk ontbijt, geen bad--thuis 'n schandaal zonder eind en
'n man die 'r pret in had van pièpen te blijven spreken.
"Ma wees u nou _gezellig_," suste Amélie: "u zal zien 'r wòrdt
begraven. Als 'k 'n stoet zie ankomen, gil 'k 't uit!"
Gezellig zijn! Hoe kòn men 't woord over de lippen krijgen. Smeriger,
afstootender uithoek was niet te bedenken. En op diè griezelige,
kleverige _guano-belt_ had ze _geslápen_!....
[Illustratie: Aan de ééne zijde gaven het vijfde en zesde kapittel
mij niet de _ontroering_, die men voor àlle kunst en zeer zeker voor
die van _verluchting_ noodig heeft, aan de àndere zijde--dat sloeg
den doorslag--verzocht mij de uitgever, eerst vriendelijk, daarna met
besliste verbolgenheid, om een weinig te bedenken dat Holland geen
land is voor een boek met véél clichés. In de nog vriendelijke bui,
zeide hij: "Amice, op 'n vèl meer of minder, kijk 'k niet, omdat
'k bij de aanbiedingsreis toch 'n bepaald kwantum genoemd heb, maar
zùlk 'n stortvloed van teekeningen is mij geen _vriendschappelijke
daad_." In de verbolgen stemming werd hij echter gròf, en sprak:
"Falkland, schei in 's hemelsnaam uit met dat _geknoei_, dat mij per
vierkanten centimeter cènten kost!" Alles tezamen genomen--ook bij de
dièpste ontroering in dezen materiëelen tijd, moet men z'n connecties
ter wille zijn--achtte ik het beter de vorige kapittels zònder
schoone teekeningen te laten. Bij het hemd op den toren, het hemd
zoo zwaar van tragiek als Oedipus' uitgestoken oogen, _moest_ 'k m'n
emotie in m'n pen _storten_. Zelden, in mijn veelomvattende kennis der
wereldliteratuur, sprak een manshemd van grooter noodlot, zelden heeft
mijn teekenstift zwaarmoediger getrild dan in dit keeltoenijpend geval,
zelden werd het floers voor m'n oogen troebeler, intenser dan bij dèze
krabbel. De lezeres gelieve zich overigens de duizelingwekkende hoogte
van 40 meter, welke de techniek van géén boek verdragen kan, nader
_uit te meten._ Om den held van dit verhaal niet te blameeren, hecht
ik er aan te verklaren, dat eerst toen 't cliché gereed was, mij de
pijnlijke fout opviel van het _P. Z. 12._ Een zoo gedistingeerd heer,
met 'n villa, 'n auto, electrisch licht enz., heeft méér dan twaalf
overhemden. 'k Kan deze fout in de teekening alleen verontschuldigen,
door de bewogenheid van 'n gemoed bij het _inleven_ in de stemming....
S. F.]
"Pièt," dolk-stak mevrouw--in paroxysme van ijskoud-gehouden
verontwaardiging, staken waarlijk 'r _Piet_-en als dòlken--"Piet,
je maakt dat 'k van jóúw smerigen toren kom--en onmiddellijk--anders
besterf 'k 't--kan je me als _lijk_ na benejen brengen."
"In godesnaam," zei-ie geduldig.
't Geval bracht vanzelf mee, dat je 'n boel moest slikken en kroppen.
Thuis, als ze ongenietbaar was, maakte je korte metten, vluchtte je
naar de knutselkamer of naar de soos--de soos--de sóós--sentimenteele
droom in de wolken!--de soos met 'r vleeschcroquetjes en zoute
krakelingen--de soos met 'r hompjes kaas bij sherry en port--de op
dién afstand tot n' _ideaal_ aan-fleurend beeld....
Thuis zou-ie 'r allang van door zijn gegaan--thuis aarzelde-die
zelden als 'r gezicht de speciale wrange trekken kreeg, die elk man
van z'n vrouw, elke vrouw van 'r man kent, de speciale èn wrange
èn positief-waarschuwende, waarvan 'n vreemde geen weet heeft,
waarvan nièmand het innerlijk wezen ontleedt--, de speciale èn
wrange innig-aan-'t-dierbaar-gelaat verbondene, die tot het tééderst
huwelijks-spel behooren, omdat je alleen aan zéérgeliefden 't _profond
négligé_ van je materie en je ochtend-humeur toe-vertrouwt.
Thuis zou Pieter Zwaluw snel hebben af ontbeten, wéter der
beteekenissen van groeven, schaduwen, vermagerinkjes in en om twee
_bekende_ oogen--, hier, op de ruïne van _Koepelsteyn_, stond je
_weerloos_.
Man en vrouw waren beslist nièt geschapen voor 'n _nest_, voor 'n
besloten nest, voor 'n nest dat enkel nèst was.
Misschien in de éérste weken der zoete verteedering die
_wittebrood_ heet, de dagen dat je _glimlacht_ als 'n geliefd
hakje je eksteroog betreedt--gezocht beeld, daar teederen in diè
uren àlles soigneeren--misschien dàn zou 'n wolken-nest 'n idylle
zijn--hier, bij 'n vrouw met dè speciale èn zure trekken, 'n vrouw
met nachtuilenzwam an 'r kleeren en 'n bróék aan, hier voelde je
'n leegte in de gloeiende-aaneen-smeding-van-twee-zielen.
Vondel kon dàt niet bereeknen--'t lief en leed nà verbrande
vleuglen--op 'n torenstomp.
"Piét," hernam mevrouw na eene _vonkende_ stilte: "'t heeft lang
genoeg geduurd."
"Dat ben 'k met je eens," zei hij weder gedwee: "verbéél je nou
dat je thùis zit--laten we ontbijten, 'n Leege maag is de dood voor
alle energie"....
Mevrouw keek somber over de tinnen naar 't uitgezocht landschap
voor-zenuwlijders.
Je kon je adem hóóren.
"Ma, vin u 't niet éénig dat we met z'n drieën gevangen zitten?"--,
vroeg Amélie om 'r moeder op te vroolijken: "ma wil u 'n stukje worst?"
"Géén worst," gebood papa: "de worst blijft 't langste goed--eerst
de kippekluif"....
"Kippekluif--op me nùchtere maag!"--, viel mevrouw uit, zich kittig
omkeerend.
"Kind, bedwing je humeur," suste Pieter zéér voorzichtig: "ik heb
honger"....