HOOFDSTUK XXVII.

Op den hoogen bergrug stonden de veertig ruiters. Pretorius was met

zijn hoofdmacht naar huis gegaan, naar Natal, maar deze ruiters zetten

voor eigen rekening de jacht voort op Dingaan, den Zoeloe-koning. Het

was eigenlijk een vermetele onderneming, maar zij volgden in blind

vertrouwen den leeuwenjager, die in deze streken en in het land ten

noorden, het gebied der Amazwazi-Kaffers, weken en maanden had

rondgezworven op de jacht.

Van hun hoogen observatiepost zagen zij de witte tent des konings, en

zij haastten zich, nu zij zoo dicht het doel der lange jacht waren

genaderd, om snel den berg af te komen. Doch hun paarden hadden wel

vleugels aan hun hoeven mogen hebben, om den koning nog in te halen, en

toen de ruiters, na een grooten omweg te hebben gemaakt, de tent

bereikten, was er van de vluchtelingen niets meer te ontdekken.

„Had je zwarte gisteren maar geen spijker in den poot gekregen,” meende

de leeuwenjager wrevelig tot Dirk Kloppers, „dan hadden we den

moordenaar nu in de ijzers!”

„En wij zijn aan den grens van Zoeloeland—wij krijgen hem niet meer!”

meende Tijs de Jong.

„Waarom niet?” meende de leeuwenjager kortaf. „Zijn de grenzen voor òns

versperd, terwijl ze voor den Zoeloe openstaan?”

„Doch waar is zijn spoor?” vraagde Lodewijk Jansen; „het lijkt wel, of

de aarde hem heeft opgeslokt.”

„Ik heb het al,” zeide Dirk Kloppers, die een uitnemend speurder was,

en op eenigen afstand in gebukte houding stond te zoeken. „Hier is de

indruk van de paardenhoeven, en het geknikte gras wijst ons van zelf

den weg.”

De Boeren, die waren afgestegen en hun paarden hadden gedrenkt,

sprongen nu weer vlug in ’t zaâl, en volgden in snellen rit het nieuw

opgenomen spoor.

Het was een lust, om hen te zien, die sterke, forsch gebouwde ruiters

met over de borst vastgegespten bandelier en over den schouder geworpen

geweer, als een wervelwind voortjagend op hun sterke, taaie paarden

over de golvende, hobbelende grasvlakte!

Er werd weinig gesproken; slechts het gehinnik der paarden en hun doffe

hoefslag tegen den harden grond verbrak de stilte.

Dirk Kloppers was nu de voorste; zijn zwarte hengst scheen nauwlijks

den grond te raken. Maar de vos van den leeuwenjager was slechts een

paardenlengte achter hem, terwijl de anderen op een twintig pas

afstands volgden.

Dirk Kloppers strekte de hand uit, en wees naar de verte.

„Dáár, Teunis,” riep hij, „dáár!”

De leeuwenjager knikte.

„Dat zijn ze,” zeide hij, en hij drukte zijn vos de sporen diep in de

flanken.

„Utuzi,” zeide de koning, „hoeveel werpsperen bezit gij nog?”

„Twee, o koning!”

„Houd ze gereed, en zoo gauw als die voorste, die blonde op het zwarte

paard, in het bereik komt van uw speer, dan slinger ze hem allebei in

de borst!”

„Eén zal voldoende zijn, o koning; de andere is goed voor dien ruiter

op den goudvos!”

„Doe wat ik u gebied,” zeide de koning kortaf.

Nu wendde hij zich tot Malowa, die even als Utuzi te voet was, terwijl

de andere vluchtelingen te paard waren.

„Malowa, Snelvoetige, spring zijwaarts in het lange Tamboekigras, en

stoot den tweede, dien blanke op den goudvos, als hij in het bereik

komt van uw arm, het breede lemmer van uw stootspeer tusschen de korte

ribben!”

„O heer,” zeide deze, „dat kan ik niet!”

„Waarom niet?” riep de koning verwonderd; „is uw arm verzwakt sinds gij

Piet Uijs, die door de blanken de Dappere werd genoemd, den doodelijken

speerstoot gaaft?”

„’t Is de Onkwetsbare, o koning,” antwoordde Malowa op bijna

fluisterenden toon; „ik heb het onbedriegelijk kenteeken gezien boven

zijn rechter wenkbrauw, en al zouden de wolken boven hem assegaaien

regenen, hij zou toch niet geraakt worden, omdat hij onkwetsbaar is!”

„Ik zie,” zeide de koning met verachting, „dat de moed versmolten is in

het hart van den zoon van het snuivende rhinoceros, en hij is een laffe

hond geworden, dien men met de kirrie, met den knuppel doodslaat!”

Maar dit snerpende woord trof den Zoeloe als een vlijm, en zonder een

woord te spreken, sprong hij zijwaarts en verdween in het Tamboekigras.

De goudvos van den leeuwenjager hield zich uitnemend; hij rende nu op

gelijke hoogte met Kloppers’ hengst over de vlakte.

De afstand, die hen van de vluchtelingen scheidde, kortte nu snel in.

Dirk Kloppers was opgewonden; ook het hart van den leeuwenjager klopte

sneller, maar deze liet het minder merken.

Hij richtte zich hoog op in de stijgbeugels, en zijn valkenoog

bespiedde den omtrek, maar een trek van groote teleurstelling werd

plotseling zichtbaar op zijn streng gelaat.

„Wij moeten Dingaan hebben voordat hij gindsche bergen bereikt,” zeide

Dirk, „want anders ontsnapt hij ons tusschen de kloven en bosschen!”

„We halen ’t niet,” meende de leeuwenjager.

Als eenig antwoord gaf Dirk het paard de sporen, en prikkelde het tot

de uiterste krachtsinspanning.

Hij kwam weer voor den leeuwenjager uit—hij was nu binnen den speerworp

van den Zoeloe.

Hij zag geen gevaar; hij kende geen ander gevaar dan dit, dat de koning

hem zou ontsnappen.

Hij maakte een lang werptouw gereed: een soort lazzo.

„Ik zal hem vangen als een wild beest,” zeide hij, „want het is een

wild beest.”

Hij lette er niet op: dat Utuzi de Zoeloe zich omkeerde.... dat hij de

werpspeer richtte....

Maar de valkenoogen achter hem waakten, en de kogel van den

leeuwenjager was sneller dan de assegaai van den Zoeloe.

Met doorschoten borst stortte Utuzi neer.

Even lichtte Malowa den zwarten kroeskop op boven het golvende

Tamboekigras, om te zien naar de uitwerking van het schot, maar dit was

zijn ongeluk. Reeds had de leeuwenjager hem ontdekt, en toen Malowa

zag, dat er aan geen vlucht meer te denken viel, sprong hij recht

overeind, en staarde den leeuwenjager aan met wilde, tartende oogen—het

ware beeld van den fieren, grimmigen Zoeloekrijger, die den dood niet

vreest.

De koning keek om en slaakte een kreet van woede en smart, toen hij

Malowa, den snelvoetige, den zoon van het snuivende rhinoceros, zijn

dappersten krijger, zag vallen. Doch thans had hij de vlakte achter

zich, en snel met zijn overgebleven getrouwen in de met dichte bosschen

begroeide bergkloven verdwijnend, staarden de Boeren hem na als jagers,

wien het opgekeerde wild nog in ’t laatste oogenblik ontsnapt.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 32 / 40 题