’t Is inderdaad een merkwaardige groep in die ruime, sombere, vochtige
spelonk.
Daar, in den hoek, zit de toovenares: Walhoeli.
Het lange, pikzwarte haar hangt in zware strengen langs het donkere,
gerimpelde gelaat, en de lange kraalsnoeren, die haar om de leden
hangen, rinkelen bij de geringste beweging.
Zij zit neergehurkt bij een pot, gevuld met water, die boven een
hoogopvlammend vuur is gehangen, terwijl wierookwalmen de spelonk
vervullen.
Haar oogen gloeien als vuur, en met over elkander geslagen armen staart
zij naar de dampen, die opstijgen uit den pot.
Zij spreekt geen woord, slechts nu en dan bewegen zich haar lippen, om
tooverspreuken te fluisteren.
Een veertigtal ruiters staan, leunend op hun lange roeren, voor en in
de spelonk en staren beurtelings naar het vuur, naar de in grillige
vormen opstijgende dampen en naar de toovenares, terwijl op hun
krachtige, door de zon gebruinde gelaatstrekken een zekere spanning
onmiskenbaar is.
Nog altijd zwijgt de geheimzinnige, raadselachtige vrouw, en uit de
groep Boeren gaat een afkeurend gemompel op.
„’t Is ’n waarzegster,” roept Dirk Kloppers, „eene echte waarzegster;
wij zijn den strijd met God begonnen—zullen wij hem met waarzegsters
eindigen?”
„’t Is eene toovenares—eene dochter van de toovenares van Endor,” meent
Tijs de Jong, en hij stoot met den kolf van zijn geweer op den harden
rotsgrond, dat de echo van den stoot dof weergalmt in de diepe grot.
Maar de toovenares verroert zich niet; met schitterende oogen staart ze
naar de grillige dampen, en zij schijnt in die dampen een vizioen te
lezen.
De leeuwenjager staat vlak naast haar; met ongeduldige gebaren kijkt
hij haar aan, maar nog bedwingt hij zich.
De spelonk bevindt zich midden in het gebergte, en de schorre schreeuw
van een wilde papegaai en het hongerige gejank der hyena wordt uit de
verte gehoord.
„De blanke man heeft waarheid gesproken,” zegt zij eindelijk op
langzamen, slependen toon; „koning Dingaan is gevlucht, zijn rijk is
ineen gestort als een vermolmd huis, en hij heeft toevlucht gezocht bij
ons, de Amazwazikaffers. Dingaan is de buffel, en de witmensch is de
leeuw, en de leeuw zal den buffel najagen maar niet bereiken, want hij
wordt gedekt door het schild der dappere Amazwazi’s! Maar ik—de omhoog
kronkelende dampen zeggen het mij—maar ik—”
„Me dunkt, dat we wel heen kunnen gaan,” meent Lodewijk Jansen
verachtelijk—„wat doen we hier in het hol van het heidendom?” en hij
wendt zich reeds naar den uitgang der grot.
„Maar ik zal den buffel leveren,” roept zij, plotseling opspringend,
met harde, snelle, krijschende stem; „hij heeft mijne drie kinderen
voor mijn oogen afschuwelijk verminkt, doch het uur der wrake heeft
geslagen!”
Zij slaat met haar handen krampachtig in de lucht; dan zet zij zich
weer uitgeput neder.
Het vuur dooft nu uit, en de dampen verminderen.
Zij kijkt den leeuwenjager strak aan.
„Kent gij mij?” vraagt hij.
Zij knikt bevestigend.
„Wij hebben drie dagen in deze streken gezworven, Walhoeli, om u te
vinden, want ik wist, dat koning Dingaan uw kinderen had mishandeld, en
wij hebben grooten haast. Ik heb u eens geholpen, toen gij in grooten
nood verkeerdet—”
„Ik weet het, groote jager; gij hebt de dochter der Amazwazi’s
gedrenkt, toen zij zou verdorsten.”
„En nu kunt gij ons helpen en uw dankbaarheid bewijzen, want gij hebt
grooten invloed op uw volk. Gij kunt hen bewegen, dat zij koning
Dingaan aan ons uitleveren.”
Walhoeli schudt met het hoofd, dat de kraalsnoeren rinkelen.
„Ik zal aan uw wensch niet kunnen voldoen,” zegt zij op bedaarden toon,
„want het zou indruischen tegen de wetten van mijn volk. Doch indien
Walhoeli, van wie haar volk getuigt, dat zij in de sterren den
naderenden regen kan lezen, iets vermag, dan zal het gebeente van
koning Dingaan, voordat de zon nog driemaal oprijst in het oosten,
dienen tot spijs van den jakhals, die op de lijken loert.”
„Dàt hoor ik liever dan dat heidensche toovergeleuter,” zegt Lodewijk
Jansen met hartgrondigen nadruk, terwijl de Boeren zich naar buiten
begeven.
„Ik zal uw gids zijn,” zegt Walhoeli, „en u brengen, waar gij wezen
moet.”
„Is het wel geraden haar te volgen?” vraagt een voorzichtige Boer.
„Zij is te vertrouwen,” zegt de leeuwenjager, „maar hoe de Amazwazi’s
ons zullen ontvangen, weet ik niet. In elk geval: onze paarden zijn
vlug, en onze geweren geladen—wij zullen haar volgen!” En stapvoets
volgen de Boeren, de omgeving behoedzaam opnemend, het vreemde
schepsel.
Vijf uur duurde de tocht; de zon neigde reeds naar het westen, toen de
blanken bij de vorsten der Amazwazi’s aankwamen.
Koning Dingaan had zich onder hunne bescherming geplaatst, en zij zaten
in een breeden kring, in de schaduw van eenige palmboomen, raad te
houden, hoe men met hem zou handelen.
Een eerewacht stond met gevelde speer op eenigen afstand.
Walhoeli heette de blanken halt te houden, terwijl zij zich
onbeschroomd tot in den kring der vorsten waagde.
„Wat brengt u hier, sterrekijkster?” vraagde de oudste der vorsten,
blijkbaar hun koning, de zwarte, vorschende oogen naar de verte
slaande, waar hij de ruiters zag.
„De dochter uws volks groet u,” zeide zij, eerbiedig ter aarde buigend,
„en dat ge sterk moogt worden en machtig als de olifant van dit land,
die met zijn snuit de boomen ontwortelt! Ik heb als gids gediend voor
het gezantschap, dat het machtige volk der witmenschen heeft
afgezonden, om hun hulde en hun bede aan uw voeten neer te leggen, o
groote koning!”
„Wat willen zij?” vraagde hij met een flikkering van zijn zwarte oogen,
en Umkowo, een zijner raadslieden, het woord nemend, zeide: „Zij zijn
gekomen, om de gesteldheid van dit land te onderzoeken; het zijn
verspieders, en gij zult verstandig doen, o koning, zoo gij hun tong
stom maakt voor eeuwig.”
„Mag ik spreken?” vraagde Walhoeli.
„Spreek!” zeide de koning.
„Umkowo de Schrandere spreekt dezen keer dwaze taal, o koning, want als
die witmenschen verspieders waren, dan zouden zij zijn gekomen als het
wild gedierte, dat des nachts over onze grasvelden sluipt. Maar zij
komen op den dag, als de zon schijnt, omdat hun bedoelingen rein en
klaar zijn als het licht der zon. Zij zoeken Dingaan, den vluchtenden
koning der Zoeloes, en wenschen, dat hij hun worde uitgeleverd om de
bloedwraak!”
De vorsten keken bij deze tijding verwonderd op; zelfs Umkowo, die de
schrandere werd genoemd.
„Weet gij, Walhoeli, waar Dingaan is?” vraagde de koning op gedempten
toon.
„Hij is in gindsche kraal, o koning, waar ik de speren eeniger
Amazwazi’s zie blinken.”
„Hoe weet gij dat, Walhoeli?”
„Ik heb de wolken des hemels geraadpleegd, o koning, en die liegen
niet!”
„De wijsheid der goden woont in uw ziel,” zeide de koning vol eerbied.
„Ik lees in de sterren en in het hart der koningen, en ik vergis mij
nooit,” zeide zij op stouten toon.
„Als gij in het hart der koningen leest, vertel mij dan toch, wat de
koning denkt op dit oogenblik,” zeide Umkowo de Schrandere, die aan
haar waarzeggerskunsten twijfelde, en haar den voet altijd dwars zette,
omdat hij jaloersch was op haar grooten invloed.
„Mag ik het zeggen, o koning?”
Weer knikte hij met het hoofd.
„Onze koning denkt, dat Dingaan niet kan worden uitgeleverd, omdat de
gerechtigheid der Amazwazi’s en niet de gerechtigheid der blanken mag
heerschen ten noorden der Pongolo-rivier.”
„Gij hebt naar waarheid gesproken, Walhoeli—dat de speerwacht de
vreemdelingen hier brenge!”
De wacht rukte op naar de ruiters, doch de hoofdman keerde alleen
terug.
„Zij willen hun wapens niet afgeven, o koning,” rapporteerde de
hoofdman. „Hun aanvoerder zegt, dat zij dit niet doen en in der
eeuwigheid niet zullen doen, sinds Dingaan hun dapperste mannen, die
ongewapend voor hem verschenen, als lammeren heeft geslacht!”
De welwillendheid, die tot nog toe op het gelaat van den koning was
zichtbaar geweest, verdween echter bij deze woorden, en zijn oogen
stonden strak en toornig.
„Om deze weigering hebben zij u, o koning, beleedigd,” meende een der
vorsten.
„En zijn des doods schuldig!” riep Umkowo.
„Die daar opstaat, is zeker hun koning,” zeide de leeuwenjager, terwijl
zijn scherpe oogen onafgewend op den kring der vorsten waren gericht,
„maar al kwam de koning aan de spits van zijn geheele leger, wij geven
onze wapens niet af.”
„Me dunkt, dat het tijd wordt!” meende Kees Bouwer, en hij wendde reeds
den teugel van zijn paard, om te vluchten.
„Dat komt er van, als men met waarzeggers aanlegt,” zeide Lodewijk
Jansen, zonder Bouwer’s voorbeeld te volgen.
„Was het mij om haar tooverspreuken te doen?” riep de leeuwenjager op
luiden toon; „ik heb geene waarzegster gezocht, maar een gids, eene
voorspraak onder deze wilde Kaffers, en dat is mij genoeg!”
„Een mooie voorspraak!” riep een der achterste Boeren op spottenden
toon.
„Gij hebt ons in de knoei gebracht—breng er ons nu ook weer uit,
Teunis,” meende een ander, dood bedaard zijn houten pijp stoppend.
„En als gij het niet doet, dan hoop ik, dat deze dochter van Endor het
zal doen,” meende Dirk Kloppers uit den grond van zijn hart.
Plotseling weerklonk luid hoorngeschal, wijd uit de verte snel en
driftig beantwoord.
„Nu wordt het meenens,” zeide Tijs de Jong.
Zelfs de leeuwenjager werd een tint bleeker, maar overigens was er
niets aan hem te bespeuren.
„Ik vermoed, dat gij van plan zijt om te vluchten, Kees Bouwer,” zeide
hij bedaard, „maar ik raad je, om het te laten, want ik schiet je niet
graag dood.”
Kees Bouwer liet zich gezeggen en bleef.
Het was verstandig, want de leeuwenjager zou anders werkelijk op hem
hebben geschoten. Slechts door eendrachtig het dreigend gevaar te
trotseeren, was er kans van ontkoming.
„Kalm en bedaard,” vermaande hij nu, „en de oogen open!”
„Gij zult het niet doen, o koning,” zeide Walhoeli, smeekend voor zijn
voeten nederknielend.
„Ga mij uit den weg,” riep hij toornig, „of de brullende leeuw zal u
verbrijzelen onder zijn voet!”
„Koning—de goden waarschuwen u!” gilde zij, „zie toch—zie toch!”
Zij wees met beide handen naar boven, waar een grillig gevormde wolk
langzaam voortdreef aan den overigens bijna wolkeloozen hemel.
De koning keek omhoog.
„Een wolk,” mompelde hij verachtelijk.
„Een wolk, o koning,” zeide zij, „waarin de bode woont van den grooten
Geest. Ik Walhoeli, in wie de geest der wijsheid woont, zeg het u!”
De koning scheen deze woorden niet eens te hooren.
„Ziet gij dan niet, o koning, dat die wolkebode van den grooten Geest
den vinger dreigend heeft uitgestrekt? ’t Is dezelfde wolk van vier
jaar geleden, o koning!”
„Zwijg,” riep hij grimmig—„speerwacht, voorwaarts!”
Maar Walhoeli zweeg niet.
„Zij at uit uwe hand, de liefelijke roos van den Marikelenberg, en uit
uwen beker dronk zij. Zij wekte u elken morgen met snarenspel, en elken
avond zong zij u haar schoonste liederen. Maar de slang der ijverzucht
siste u een leugen in het oor, en gij hebt de speer gestooten in het
trouwste hart, dat ooit voor u heeft geklopt en ooit voor u zal kloppen
in Amazwaziland!”
De koning stond plotseling stil—op dertig pas afstands van de blanken;
ook de speerwacht, vierhonderd man sterk, bleef staan, terwijl in de
verte de assegaaien blonken van een snel naderend regiment.
Met groote, strakke oogen staarde hij naar de wolk.
„’t Was dezelfde wolk, o koning! Hadt gij op haar wenk gelet, dan zou
de liefelijke roos van den Marikelenberg nog heden met haar zoete geur
uw gaarde vervullen!”
De toorn verdoofde in zijn oogen; er kwam een dof gekreun uit zijn
breede borst.
„O Walhoeli, gij doet mij veel pijn,” kwam het klagend over zijn
lippen.
„Om u voor andere pijn te bewaren, o koning,” zeide zij eerbiedig.
Hij wenkte met de hand, en het hoorngeschal werd opnieuw vernomen, maar
thans in vredige, langgerekte toonen. De speerwacht keerde terug naar
haar vroegere standplaats, en de flikkerende speren in de verte
verdwenen.
„Mogen de blanken morgen verschijnen voor uw troon?” smeekte nu
Walhoeli.
„Neen,” zeide hij met waardigheid, „geen vreemdeling zal gewapend
verschijnen voor mijn troon, maar om de liefelijke roos van den
Marikelenberg, die eens voor een blanke bij mij pleitte, zal ik morgen
de vierschaar spannen over Dingaan, den Zoeloe-koning, en gerechtigheid
oefenen!”
„Maar wie zullen er dan als getuigen optreden, als er geen blanken
mogen verschijnen?” vraagde Walhoeli, want nieuwe zorgen kwamen er op
in haar hart.
„Wees gerust,” zeide de koning; „mijn spionnen, die ik naar Zoeloeland
zond, kunnen heden nacht terug zijn, en zullen mij de waarheid brengen.
Overmorgen vroeg, als de dauw optrekt, is Dingaan een vrij man, of ligt
zijn gebeente te bleeken achter de gerechtsplaats, op den heuvel der
misdadigers—ga nu, en zeg dit aan uw blanke vrienden!”
Nog was de dauw niet opgetrokken, maar de dageraad vlamde reeds boven
de bergen en valleien van Amazwaziland, toen eene vrouw, eene
kleurling, een groep kloeke ruiters te paard voorging het veld in.
Allen verkeerden in ernstige stemming.
De heuvel der misdadigers was spoedig bereikt.
Een groep aasvogels vloog bij de nadering der ruiters op, maar zette
zich in de nabijheid weer neder, in de lage takken van een wilden
olijvenboom.
Zij bleven dicht in de nabijheid, want aasvogels zijn brutaal, en deze
aasvogels hadden honger.
Midden op den heuvel lag, als een bedekking, een kleed uitgespreid.
De ruiters sprongen van hun paarden, en schaarden zich in een kring om
dat kleed.
„Onder dat kleed—,” fluisterde Walhoeli, „onder dat kleed—”
Zij scheen den volzin niet te kunnen voltooien, want zij was
aangegrepen door den ernst en de plechtigheid van dit oogenblik.
De leeuwenjager nam het kleed langzaam weg....
Er werd geen kreet gehoord; zelfs geen woord. Slechts het gekras der
aasvogels werd vernomen uit den wilden olijvenboom, want zij hadden
honger, en de blanken vertoefden langer dan hun lief was.
De leeuwenjager verbrak nu het zwijgen, en zijn hand uitstrekkend boven
het lijk van Dingaan, den gewezen koning van Zoeloeland, zeide hij met
langzame, van ontroering bevende stem: „Gewroken is het bloed van Piet
Retief en zijn dapperen, en van Piet Uijs en zijn dapperen, en het
bloed van vele mannen, vrouwen en kinderen, die wij liefhadden—moge het
heidendom weten, dat God zijn volk zal wreken!”
De ruiters verlieten nu den heuvel, maar een keurbende des konings,
gewapend met schild en speer, stond hen op te wachten.
„Ik heb het bevel van den koning ontvangen,” zeide de kapitein, „u als
een veilig geleide te vergezellen tot aan de grenzen van ons land.”
Zoo reden dan de ruiters, vergezeld door de snelvoetige Kaffers, naar
het zuiden terug.
Ook Walhoeli ging mee, maar toen in de verte het groene water zichtbaar
werd van de Pongolorivier, keerden de Amazwazi’s om, van de blanken
vriendelijk afscheid nemend.
Ook Walhoeli keerde terug.
„Heb ik mijn gelofte gestand gedaan?” zeide zij.
„Ja,” antwoordde de leeuwenjager, „ten volle—wij danken u, Walhoeli!”
Hij reikte haar de hand, die zij kuste. Zij scheen diep bewogen, maar
snel liet zij zijn hand los, en voordat de leeuwenjager nog iets kon
zeggen, verdween zij zijwaarts in het bosch, en niemand heeft meer iets
van haar gehoord.
Maar het lijk van Dingaan was achtergebleven, op den heuvel der
misdadigers—onbedekt. En de aasvogels zijn neergestreken uit den
olijvenboom, en zij hebben met het wild gedierte uit het bosch
gevochten om zijn vleesch, en de honden hebben zijn bloed gedronken—het
bloed van Dingaan, den koning van Zoeloeland!