Slechts door een kleine groep getrouwen vergezeld, was koning Dingaan
nu dicht bij de grenzen gekomen van zijn rijk.
Hij had zich nedergezet tegen den stam van een wilden kastanjeboom,
dicht bij een gehavende veldtent, die men voor hem had opgeslagen.
Hij wierp een langen blik naar zijn verloren koninkrijk, en balde
toornig de vuist.
„Waar is het regiment der witte schilden,” riep hij na een wijle,
„waarmede ik zoo menigmaal de slagorden van den vijand heb
verbrijzeld?”
„Zij zijn uiteengestoven,” antwoordde Toelma, een zijner dienaren, „en
hun hart is geworden als water.”
„En de zwarte en de blauwe schilden—waar zijn zij?”
„Zij waren niet bestand, o koning, voor het aangezicht der witmenschen,
en zij versmolten van vrees.”
Nu stond de koning op, en trad uit de schaduw van den kastanjeboom in
het heldere licht der morgenzon, terwijl de even wreede als zinnelijke
trekken van zijn gelaat en de krachtige lijnen van zijn zwaargebouwd
lichaam nu duidelijk uitkwamen.
Hij staarde naar de verte, Zoeloeland in, en zijn strakke oogen
klaarden op, toen hij in de verte boven het lange, golvend Tamboekigras
den Zwarten kroeskop van een Zoeloe ontdekte.
In een snellen draf doorliep de Zoeloe den afstand, die hem scheidde
van den koning, wierp zich voor hem ter aarde, stond toen op en kruiste
zwijgend de armen over elkander.
„Spreek Malowa,” zeide nu de koning, „zijt gij een brenger van goede
tijdingen?”
„Uwe zon heeft zich verduisterd, o koning,” antwoordde de Zoeloe. „Er
zijn vele honden opgestaan in Zoeloeland, en zij bassen tegen den
gewonden leeuw.”
„Maar de leeuw zal genezen, Malowa,” zeide de koning, „en zijn klauw
zal de honden verscheuren!”
„Uw regimenten zijn verstoven als kaf voor den wind, o heer,” hernam de
Zoeloe, „of zijn overgeloopen tot uw broeder, tot Panda!”
„Noem mij den naam niet van dien vervloekte,” schreeuwde Dingaan, en
hij knarste woedend op zijn tanden.
„Ik heb hem gezien, o koning,” zeide de Zoeloe,—„het zwart in zijn
oogen—ik had de werpspeer reeds gereed—”
„Indien uw speer zijn adem had afgesneden, Malowa,” riep de koning, „ik
zou u met goud en elpenbeen hebben omhangen!”
De Zoeloe zweeg een oogenblik.
„Hebt gij ’t soms gedaan?” ging de koning voort op gedempten toon,
terwijl de haat zijn oogen deed fonkelen.
Malowa schudde het hoofd.
„’t Is niet mijn schuld, o koning, dat de geest des levens nog boven
hem zweeft. Ik had mij strikt gehouden aan uw orders, en mij laten
inlijven bij het leger van Panda. Dag en nacht heb ik zijn tent
begluurd, maar ik moest voorzichtig zijn, want reeds had ik de aandacht
getrokken van een witgezicht—men noemde hem den leeuwenjager—die mijn
gangen naging, en mij naspeurde met zijn harde, strenge oogen. En toen
ik meende een goede kans te hebben, en mijn hand reeds de assegaai had
gegrepen, waarschuwde hij den Kafferprins, en slechts door een snelle
vlucht redde ik mij van zijn kogel.”
„Waar is mijn vee?” vraagde Dingaan, „mijn duizenden ossen?”
„De Boeren hebben ze genomen, o koning!”
„En waar is Tambuza?”
„Zijn gebeente ligt te bleeken op de gerechtplaats, bij uw hoofdstad!”
Weer hoorde men het knarsen der tanden.
„Malowa,” brulde de koning met schorre stem, „breng mij mijn
regimenten! Mijn regimenten, Malowa!”
Hij stampte op den grond, en gaf eene zijner vrouwen, die naast hem
hurkte, een schop.
Hij balde de vuist en hief den arm dreigend omhoog.
„Hoe zal ik mij wreken!” schreeuwde hij. „Ik zal de vrouwen en kinderen
der Boeren levend spiesen op scherpgepunte palen, en de Boeren—ha! Ik
zal mij wreken, dat er de latere geslachten nog van zullen beven!”
Hij wachtte een oogenblik, want een snelvoetige Zoeloe naderde.
„Wat hebt gij, Utuzi?”
„Vlucht, o koning, vlucht!”
„Vluchten, ellendeling? Ik wil strijden! Ik heb Moselekatse, „den
Grooten Olifant”, de tanden gebroken—sla op het koningsschild, Malowa,
en roep mijn regimenten op ten strijde tegen den vreemdeling!”
Malowa zweeg, want hij vreesde, dat de duistere machten van den afgrond
het verstand hadden beneveld van zijn gebieder, maar Utuzi riep
gejaagd: „Vlucht, o koning, want de Boeren zitten u op de hielen—ik heb
reeds den hoefslag gehoord van hun snelle paarden, en de groote
leeuwenjager rijdt aan hun spits! Zie, ginds worden zij reeds zichtbaar
op dien hoogen bergrug—vlucht, o koning!”
Inderdaad werden in de verte een groep van minstens veertig ruiters
zichtbaar, die nauwkeurig den omtrek schenen op te nemen, en bij dit
gezicht kwam de koning plotseling tot bezinning.
„Snel,” riep hij, „te paard!”
„En over de grenzen!” zeide Malowa.
„Over de grenzen!” herhaalde de koning, en hij steunde als een gewonde
ever.
„Als de blanken ons ten minste niet inhalen!” meende Utuzi.
„Neen,” zeide Malowa, „dat zal niet gebeuren. Geen Boer zal de grenzen
van Zoeloeland overschrijden; trouwens ik weet een pad in het gebergte,
dat geen Boer zal vinden,” en hij ging den kleinen stoet van
vluchtelingen als gids vooruit.