HOOFDSTUK XXV.

Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der

Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met

dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.

Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in

het Oosten.

Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk

der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden

ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen

huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een

hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de

twee aanvoerders der Boeren: Pieter Retief en Gert Maritz. Allengs

verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de

eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de

Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond,

was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht, voorloopig in

lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten

tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere

onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der

Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef

weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn

soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de

oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.

De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan

Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge

karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden

hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun

bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.

Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda,

en was een broeder van Koning Dingaan.

Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was

daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot;

deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.

Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de

Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam

door Dingaan verraderlijk was overvallen.

De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek,

dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn

bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van

vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s

legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius

Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich

behield.

Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo

zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd

man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen

zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn

vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende

woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna

stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en

zijn zwarte oogen vuur schoten:

„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want

Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende

woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken,

om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is

zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een

groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief

gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den

vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen

uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn

krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht

als het gras, dat het veld bedekt.”

„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe

uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief

met de zijnen te vermoorden!”

Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in

verzekerde bewaring genomen.

Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok,

bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.

Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid:

Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van

uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land

binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan

Dingaan’s macht voor goed een einde maken.

Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op

dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl

Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.

Den 29sten Januari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen

Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der

drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de

historische plek van den 16den December 1838 werd opgeslagen.

Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers

elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de

Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk

bewegelijk, hun knotsen opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren

schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het

geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm,

sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t

oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.

Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s

van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht

gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer

suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en

de staalharde knots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk

verrichtten.

Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde

en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren

opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met

groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.

„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win

ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan

verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”

„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan

onzen hals,” zeide de oudste.

„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de

jongste.

„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide

de oudste.

„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de

jongste.

„En de Boeren?” zeide de oudste.

„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.

„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.

„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons

oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”

De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare

dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de

langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht

te ontaarden.

Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een

hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.

Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te

sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts

mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de

Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch

desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met

het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan

Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te

treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning

Dingaan.

Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf

voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den

droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun

ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?

Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en

zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige

hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.

Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens

deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn

veteranen.

„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen!

Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal

ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik

niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn

knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal

overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot

spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild

gedierte, dat in diepe holen huist!”

Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling

verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar

had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en

dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein

rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond.

De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts,

links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.

Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren

blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij wilde dien vijand te

lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een

vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste

veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem

aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij

keerde zich om en vlood om zijns levens wil!

Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de

toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.

Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden

voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den

bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten

aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke

Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den

wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig

vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze

eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp.

Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te

benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten

bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te

beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren;

gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den

kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”

Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid

der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door

eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de

dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht.

Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of

kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij

aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele

macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij

hebt mij weder levend gemaakt! Ik was verschopt, en gij hebt mij weder

opgeraapt!”

Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt,

geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren,

en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de

opperhoogheid der Boeren tot koning over Zoeloe-land werd

geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.

Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over

Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op

de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld,

waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van

de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in

Natal.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 30 / 40 题