Het doel van den veldtocht was bereikt. Dingaan had de zware vuist der
Boeren gevoeld; gewroken was het onschuldig vergoten bloed, en met
dankbare blijdschap werden de overwinnaars door de hunnen begroet.
Nu was de nacht van ’t lijden voorbij, en het begon licht te worden in
het Oosten.
Zoo dachten ten minste de Emigranten. Met ijver toog men aan het werk
der kolonisatie. Dorpen werden aangelegd, vlekken uitgemeten, steden
ontworpen. Aan de kust ontstond Durban, een gehucht van eenige leemen
huisjes, thans een wereldhaven, en in het midden des lands, op een
hoogte van 2000 voet, de hoofdstad Pieter-Maritzburg, genoemd naar de
twee aanvoerders der Boeren: Pieter Retief en Gert Maritz. Allengs
verwisselden de Trekboeren nu den zoolang gebruikten ossenwagen voor de
eenvoudig opgetrokken woning, doch in het Noorden, vooral aan de
Tugela- en de Boschmansrivier, waar het lager van Gert Kloppers stond,
was men om de invallende Kafferhorden wel verplicht, voorloopig in
lager te blijven. Doch ook hier hoopte men spoedig het versleten
tentlinnen op te rollen, toen de hemel op nieuw door donkere
onweerswolken werd verduisterd. Dingaan namelijk, de koning der
Zoeloe’s, begon zich weer krachtiger te gevoelen, en bleef
weigerachtig, om de veertig duizend beesten terug te geven, die zijn
soldaten van de Boeren hadden geroofd. Evenmin wilde hij de
oorlogskosten, bedragende honderdtien duizend gulden, betalen.
De Boeren bereidden zich opnieuw tot den oorlog voor, toen aan
Pretorius werd gerapporteerd, dat er van de zeekust een zonderlinge
karavaan in aantocht was: mannen, vrouwen en kinderen met groote kudden
hoornvee en schapen, een geheele stam van duizenden menschen met al hun
bezittingen, die toevlucht zochten in de schaduw der Boerenvlag.
Het hoofd van dezen stam, die tot de Zoeloe’s behoorde, heette Panda,
en was een broeder van Koning Dingaan.
Hij had zich aan het hof van Dingaan voorgedaan als idioot, en was
daardoor aan een anders wissen dood ontgaan. Maar hij wàs geen idioot;
deze zwarte Kafferprins wist terdege goed, wat hij wilde.
Hij had wettige grieven. Als ouderen broeder van Dingaan kwam hem de
Zoeloe-scepter toe, terwijl slechts weinig maanden geleden zijn stam
door Dingaan verraderlijk was overvallen.
De Volksraad der Boeren onderzocht de grieven van Panda, en het bleek,
dat hij de waarheid had gesproken. Zoo aanvaardde men zijn
bondgenootschap, dat den Boeren een hulpmacht verzekerde van
vierduizend met werp- en stootspeer gewapende Zoeloe-krijgers. Panda’s
legeroverste was kapitein Nonquaas, terwijl de voorzichtige Pretorius
Panda in schijn als gast doch in werkelijkheid als gijzelaar bij zich
behield.
Dingaan was intusschen niet op zijn gemak, en daar was reden voor. Zoo
zond hij zijn vertrouweling Tambuza met een eerewacht van driehonderd
man en een geschenk van veertig olifantstanden tot de Boeren, om hen
zachter te stemmen, en de Volksraad liet Tambuza mèt Panda voor zijn
vierschaar verschijnen. Eerst mocht Tambuza spreken, die in vleiende
woorden den roem en de edelmoedigheid der Boeren bezong, doch daarna
stond Panda op, en riep, terwijl zijn neusvleugels zich bewogen, en
zijn zwarte oogen vuur schoten:
„Weest op uwe hoede, o blanken, en laat u niet verschalken, want
Dingaan duldt geen ander volk naast zich! Gelooft de pluimstrijkende
woorden niet van dezen Tambuza, want Dingaan wil u maar gerust maken,
om u later als de bliksemstraal te overvallen en te vernietigen. Dat is
zijn manier. Eerst maakt hij vrede, en dan stuurt hij plotseling een
groot kommando, om alles uit te moorden! Zoo heeft hij met Piet Retief
gedaan; zoo heeft hij met de Fingoes gedaan; zoo heeft hij met den
vader van Matowaan gedaan, dien hij onverhoeds liet binden en de oogen
uitsteken. Zoo zal hij ook doen met u. Denkt niet, dat zijn
krijgslieden te weinig zijn geworden in getal; zij staan nog zoo dicht
als het gras, dat het veld bedekt.”
„En wat dezen Tambuza betreft,” ging hij voort, den arm naar den Zoeloe
uitstrekkend, „hij en Umhleha hebben Dingaan aangepord, om Piet Retief
met de zijnen te vermoorden!”
Panda’s woorden maakten een diepen indruk, en Tambuza werd in
verzekerde bewaring genomen.
Het Boerenleger, dat onder Andries Pretorius Zoeloe-land binnentrok,
bestond uit vijfhonderd man en vijftig ossenwagens.
Het veldtochtsplan van den kommandant muntte uit door eenvoudigheid:
Panda’s veldoverste Nonquaas zou met zijn vierduizend krijgslieden van
uit het zuiden, de Boeren van uit het noorden Zoeloe-land
binnendringen, op een bepaald punt elkander de hand reiken, en aan
Dingaan’s macht voor goed een einde maken.
Op het hoofd van den koning-moordenaar werd een prijs van vijftig, op
dat van Umhleha een prijs van vijf en twintig beesten gezet, terwijl
Tambuza den tocht in boeien moest medemaken.
Den 29sten Januari 1840 kwamen de Boeren aan de hooggezwollen
Buffelrivier, bereikten, terwijl de wagens diep door het water der
drift moesten, toch in goede orde den overkant, terwijl het kamp op de
historische plek van den 16den December 1838 werd opgeslagen.
Zoo naderden het kommando der Boeren en het leger der Panda-krijgers
elkander al meer en meer. Zij vormden wel een groot contrast: de
Panda-krijgers waren half naakt, met kralen en veeren versierd, druk
bewegelijk, hun knotsen opheffend, hun speren zwaaiend en op hun leeren
schilden slaande, terwijl de Boeren op hun taaie, vlugge paarden, het
geweer over den schouder, alle noodelooze vertooning vermeden, en kalm,
sober en nuchter maar vastberaden slechts dit ééne groote doel in ’t
oog behielden: hun slag te slaan met groote kracht.
Intusschen stootte Nonquaas, Panda’s veldheer, het eerst op de Zoeloe’s
van Dingaan, en spoedig was hij met de vijanden in een bloedig gevecht
gewikkeld. Er werd nauwlijks één schot gelost, maar de lange werpspeer
suisde door de lucht, straks vervangen door de korte stootassegaai en
de staalharde knots, die onder een helsch gebrul hun vreeselijk werk
verrichtten.
Intusschen stonden twee Zoeloe-kapiteins, die aan Pretorius hunne hulde
en onderdanigheid hadden betuigd, en als Panda’s bondgenooten mee waren
opgetrokken, met hun volk zijwaarts van het slaggewoel, en volgden met
groote belangstelling de wisselingen van het gevecht.
„Als ik vecht,” zeide de jongste der twee, na een lange pauze, „dan win
ik het graag, en als wij onze bondgenooten, de Panda’s, helpen, dan
verliezen wij ’t. Zooveel verstand heb ìk wel van vechten.”
„En in plaats van winnen krijgen wij dan Dingaan’s lieve jongens aan
onzen hals,” zeide de oudste.
„Daarom zou het wel zoo verstandig zijn, Dingaan te helpen,” zeide de
jongste.
„Als hij ons uit dankbaarheid maar niet aan de assegaai rijgt,” zeide
de oudste.
„Wees gerust! Wij worden zijne eerste staatsdienaren,” zeide de
jongste.
„En de Boeren?” zeide de oudste.
„Die zullen wegblijven en naar huis gaan,” zeide de jongste.
„We willen ’t hopen,” zeide de oudste.
„Maar nu zal ’t tijd worden,” liet de oudste er op volgen, „laat ons
oprukken! De Panda’s zullen al heel vreemd staan te kijken—voorwaarts!”
De Panda-krijgers hadden tot op dit oogenblik met onmiskenbare
dapperheid gestreden, doch tegen het verraad konden zij niet op, en de
langzame, geregelde terugtocht dreigde plotseling in een wilde vlucht
te ontaarden.
Doch zoover kwam het niet. Dingaan vreesde oogenschijnlijk een
hinderlaag der Boeren, en de vervolging werd spoedig gestaakt.
Intusschen zond Pretorius twee verspieders uit, om Panda’s leger op te
sporen, die, om Dingaan’s aandacht te ontsnappen, slechts des nachts
mochten rijden. Zij brachten de tijding, dat Nonquaas reeds met de
Zoeloe’s was slaags geweest, met verlies was teruggeslagen, doch
desniettegenstaande in staat was, zich op een nader te bepalen punt met
het Boerenkommando te vereenigen. Dit punt werd door Pretorius aan
Nonquaas opgegeven, maar in plaats van de Panda’s, die hij er meende te
treffen, stootte Pretorius op de nog ongehavende regimenten van koning
Dingaan.
Niet ver van zijn hoofdstad werd zijn lot beslist. De koning zelf
voerde zijn leger aan. Hij had een slechten nacht gehad. Had hij in den
droom de schimmen gezien der vermoorde Boeren? Hadden zij hun
ontvleeschde handen uitgestrekt en hem naar de keel gegrepen?
Zijn blik was onrustig. Bange voorgevoelens vervulden zijn ziel, en
zijn knieën knikten als die van Belzazar, toen deze de geheimzinnige
hand aan den wand het doodvonnis zag schrijven.
Maar Dingaan vermande zich, gaf het teeken tot den aanval, en nog eens
deed zijn stem de vroegere geestdrift ontvlammen in de harten van zijn
veteranen.
„Daar komen de witmenschen,” riep hij, „maar wij zullen hen overwinnen!
Wij hebben hen gelokt diep in ons Zoeloeland, en niemand hunner zal
ontsnappen! Ben ik niet de leeuw van het land der vele rivieren? Heb ik
niet Piet Retief verslagen met zijn knechten, en Piet Uijs met zijn
knechten, en Biggar met zijn duizenden? Wij zullen hen andermaal
overvallen als een vuurvlam, die niet te keeren is, en hun lichamen tot
spijze geven aan den roofvogel hoog in de lucht, en aan het wild
gedierte, dat in diepe holen huist!”
Doch de witmenschen, die hij zou bestrijden, waren plotseling
verdwenen. De Zoeloe’s stonden voor een vijand, die zich onzichtbaar
had gemaakt, en hun speeren gierden doelloos door de lucht. Doch nu en
dan, van achter een klip, een struik, een boom werd een klein
rookwolkje zichtbaar, en stortte een Zoeloekrijger dood voor den grond.
De rookwolkjes vermenigvuldigen zich; nu zag men ze van voren, rechts,
links, en slechts de knal van het Boerengeweer verbrak de stilte.
Koning Dingaan hoorde het fluiten der kogels, en hij zag met starren
blik, welke verwoestingen zij aanrichtten. Hij wilde dien vijand te
lijf, doch die vijand bleef onzichtbaar. Hij stond tegenover een
vreeselijken, geheimzinnigen, onweerstaanbaren vijand—zijn dapperste
veldheer stortte dood aan zijn voeten neer—de vale angst greep hem
aan—de wrekers van het onschuldig vergoten bloed waren gekomen—hij
keerde zich om en vlood om zijns levens wil!
Vernietigd was het leger van den Zoeloekoning, en gebroken de
toovercirkel, waarin zich deze bloedhond bewoog.
Pretorius liet nu den Kafferprins Panda en zijne voornaamste hoofden
voor zich komen, en terwijl zijn Boeren in volle uitrusting: den
bandelier over de borst en het geweer over den schouder moesten
aantreden, om getuigen te zijn, sprak hij het volgende: „Wij blanke
Boeren hebben, zooals gij het met uw eigen oogen hebt gezien, over den
wreeden Dingaan gezegepraald, zijn scepter gebroken en veel onschuldig
vergoten bloed gewroken. Maar wij hebben dit niet gedaan door onze
eigen kracht, maar in de kracht des Heeren, Die ons genadiglijk hielp.
Nu heb ik, in naam van onzen Volksraad, goedgedacht, om u Panda te
benoemen tot koning of opperhoofd over Zoeloe-land, u als onzen grooten
bondgenoot te aanvaarden, en uwe vijanden als onze vijanden te
beschouwen. Nooit zult gij zonder onze toestemming mogen oorlog voeren;
gij zult geen bloed vergieten noch van den blanke noch van den
kleurling, en wij zullen u steeds handhaven tegen iedereen.”
Diep bewogen luisterde Panda; hij was getroffen door de edelmoedigheid
der Boeren, boog het hoofd en antwoordde: „Groote Heer! Ik ben door
eeuwige dankbaarheid aan u verknocht, want gij hebt mij verlost van de
dwingelandij, waaronder ik jarenlang als een verstooteling heb gezucht.
Ik zal uwe voorwaarden vervullen, en geen bloed vergieten van blanke of
kleurling, zoolang de zon en maan hun schijnsel zullen geven. Wordt gij
aangetast door de vijanden, dan zal ik u bijstaan met mijn geheele
macht, en mijn laatsten man voor u wagen, want zie, ik was dood, en gij
hebt mij weder levend gemaakt! Ik was verschopt, en gij hebt mij weder
opgeraapt!”
Nu werd er een behoorlijk, in duplo geteekend contract opgemaakt,
geteekend eenerzijds door Pretorius en eenige der voornaamste Boeren,
en anderzijds door Panda en zijn kapiteins, waarbij Panda onder de
opperhoogheid der Boeren tot koning over Zoeloe-land werd
geproklameerd, terwijl de Boeren vreugdesalvo’s losten.
Vervolgens hielden de Boeren een streng doch rechtvaardig gericht over
Tambuza, Dingaan’s eersten staatsdienaar. Zijn aandeel aan den moord op
de Boeren werd klaar bewezen en hij werd tot den kogel veroordeeld,
waarna de Boeren met een buit van veertigduizend beesten, die hun van
de Zoeloe’s toekwamen, in zegepraal terugkeerden naar hun lagers in
Natal.