HOOFDSTUK XXIV.

Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun

zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het

vuur. Dingaan’s kralen [13] gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind

werd eenig leed gedaan.

Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier

werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie

honderd mannen de stad in.

Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven

het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had

prijsgegeven.

Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te

zien.

Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden

der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen

der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon

zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de

door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.

Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag

het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan

de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over

heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.

Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun

vroegeren aanvoerder.

Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden

hem als hun held en martelaar.

Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der

geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij

hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde

vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit

onschuldig bloed te wreken.

Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas

afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.

Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het

gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam

boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een

gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste

woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius,

Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en

Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen

op den 21en December 1838.”

Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee

terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag

patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.

Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose

heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te

wijzen, die maar voor het nemen was.

Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den

Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak

niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn

gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.

De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde

vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om

den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.

Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn harde oogen en

zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij

scherp genoeg is!”

„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.

„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als

jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van

hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”

De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend,

strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts,

triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”

Het was zoo.

In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop

de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend

beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg

stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens

Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.

Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden!

Doch nooit zouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen,

indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in

een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een

mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid

met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een

hinderlaag konden dienst doen.

Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de

Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op

den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de

Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden

aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de

Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de

overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den

berg.

Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht,

achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de

rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens

moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de

beesten graasden.

De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de

vallei in.

Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik Potgieter en Piet

Uijs had getroffen, werd hùn lot.

Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een

levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke

Zoeloe-kommando’s bekneld.

Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.

Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd

hem het koude staal in de borst gestooten.

„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op

elkander.

De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want

al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar

voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het

lager.

Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende

rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.

Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te

bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik

Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te

worden.

Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in

groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd

negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en

schietend, trok men langzaam terug.

’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd

voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had

reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van

een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het

kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen en om te keeren.

Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand

had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en

sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.

Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den

nieuwen vijand op te wachten.

Het stoute stuk had een volkomen succes.

De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het

zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er

verscheidene werden herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en

zijn manschappen.

Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu

tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment

Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.

Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten

zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.

Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen

voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.

’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden

niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.

Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend,

waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep,

daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed

als uitgedroogde beek.

De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want

plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had

gelegen, en overviel de blanken.

Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden

aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies

zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het

plunderen der lijken gegaan.

Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer

vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden,

en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in

hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend

snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.

Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het

zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.

De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een

halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan

dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den

kruitdamp.

Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur

afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.

Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lager

waren teruggekeerd, om het voor een mogelijke overrompeling te dekken.

Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.

Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen

vos, die koning was van Zoeloe-land.

Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de

wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in

plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen,

die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden

gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende

berisping.

De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk,

zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit

in Januari 1839 naar Natal terug.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 29 / 40 题