Reeds den volgenden dag werd opgebroken, en zetten de Boeren hun
zegetocht voort. Voor hen uit ging de schrik, en achter hen volgde het
vuur. Dingaan’s kralen [13] gingen in vlammen op, doch vrouw noch kind
werd eenig leed gedaan.
Zoo kwam men tot op een half uur afstands van Dingaan’s hoofdstad. Hier
werd het lager opgeslagen, en Pretorius reed aan het hoofd van drie
honderd mannen de stad in.
Maar het vuur was hen voor geweest, en zware rookwolken hingen boven
het paleis van den koning, die zijn eigendommen aan de vlammen had
prijsgegeven.
Stil, doodsch en verlaten lag de stad; er was geen levend schepsel te
zien.
Op den moordheuvel nabij de hoofdstad werden de overblijfselen gevonden
der verraderlijk vermoorde Boeren. Een rilling ging door de gelederen
der overwinnaars, toen zij die plaats bereikten. Hièr vond een zoon
zijn vermisten vader, dàar een broeder zijn vermisten broeder onder de
door aasvogels en wild gedierte geschonden lijken weer.
Piet Retief werd herkend aan zijn kogeltasch, en bij zijn gebeente lag
het officiëele dokument, behelzende de Acte van Afstand van Natal aan
de Boeren. Het dokument was in spijt van wind en regen, die er over
heen was gegaan, nog volkomen leesbaar.
Met diepen weemoed aanvaardden de Boeren de nalatenschap van hun
vroegeren aanvoerder.
Zij schaarden zich om zijn gebeente, ontblootten hun hoofden, en eerden
hem als hun held en martelaar.
Daarna werd er een groot graf gemaakt, waarin de overblijfselen der
geliefde dooden werden neergelegd, terwijl God werd gedankt, dat Hij
hun, den overwinnaars, het voorrecht had geschonken, aan hun vermoorde
vrienden en betrekkingen een eerlijke begrafenis te geven, en dit
onschuldig bloed te wreken.
Met zware klipsteenen werd de groote groeve gesloten, en op tien pas
afstands sloegen de Boeren een nieuw lager op.
Maar nog een ander gevoel dan dat van weemoed en droefheid bij het
gezicht der geschonden lijken van hunne dierbaarste betrekkingen kwam
boven bij de Boeren. Zij namen een grooten steen, dien zij als een
gedenknaald achterlieten, en waarop deze sobere maar zelfbewuste
woorden waren gebeiteld: „Ik Andries Wilhelmus Jakobus Pretorius,
Kommandant-Generaal, heb met mijne Onder-Kommandanten, Veldkornetten en
Manschappen de hoofdstad van Dingaan, Koning der Zoeloenatie, ingenomen
op den 21en December 1838.”
Had men de Zoeloe’s verslagen, de praktische Boeren wenschten het vee
terug, dat de Zoeloe’s hadden geroofd. Daarom gingen dag aan dag
patrouilles uit, doch men vond geen spoor van vee.
Men begon den moed reeds te laten zakken, toen een Zoeloe—Bongose
heette de man—aan de Boeren beloofde, hun een groote kudde beesten te
wijzen, die maar voor het nemen was.
Dit was goed nieuws, en de Boeren hadden er wel ooren naar, om den
Zoeloe als gids te volgen, maar de leeuwenjager vertrouwde de zaak
niet, en de voorzichtige Pretorius zou den Zoeloe zeker niet zijn
gevolgd, indien er bij de Boeren niet zoo’n nijpend gebrek was aan vee.
De blanken gingen dus, Bongose als gids, op pad, om die kolossale kudde
vee te pakken, maar de leeuwenjager ontving als een gunst den last, om
den Zoeloe onder zijn opzicht te nemen.
Hij nam den Zoeloe ter zijde, keek hem aan met zijn harde oogen en
zeide zacht: „Kijk Zoeloe, ik heb hier een dolk—voel eens, of hij
scherp genoeg is!”
„Ik denk het wel,” antwoordde Bongose.
„Ik heb hem voor jou geslepen, Zoeloe,” hernam de leeuwenjager. „Als
jij ons in een hinderlaag voert, dan zul jij er niet veel plezier van
hebben, Zoeloe, want dan is dèze je voorman!”
De Boeren volgden intusschen den Zoeloe, en op een berghoogte komend,
strekte dezen den gespierden, zwarten arm uit naar rechts,
triomfantelijk uitroepend: „Daar zijn de beesten!”
Het was zoo.
In een vallei, die door een rivier van den berg werd gescheiden, waarop
de blanken zich bevonden, graasde een kudde van minstens twee duizend
beesten, terwijl een dertigtal Kaffers, die aan den voet van den berg
stonden, en dus door de rivier van de kudde waren gescheiden, volgens
Bongose’s beweren de herders waren van die kudde.
Daar had men dus het begeerde vee, waarnaar de Boeren zoo watertandden!
Doch nooit zouden die Boeren het hebben gewaagd, deze kudde te vangen,
indien de nood er hen niet toe had gedrongen, want de beesten liepen in
een nauwe kloof, van weerszijden begroeid met ruige, voor een
mogelijken vijand uitstekende dekking gevende doornbosschen, en bezaaid
met groote, ruwe klippen, die als zooveel verschansingen voor een
hinderlaag konden dienst doen.
Daarbij was men diep in een vijandelijk land—er was reden voor, dat de
Boeren aarzelden. Maar Bongose gaf de plechtige verzekering, dat er op
den geheelen aardbodem geen Zoeloe-leger meer te vinden was, en de
Boeren daalden nu, ongeveer driehonderd vijftig man sterk, de paarden
aan den teugel leidend, langzaam van den berg af, terwijl de
Kommandant, die den ouden achterdocht weer voelde opkomen, met de
overige manschappen en het kleine kanon als reserve achterbleef op den
berg.
Op de nadering der Boeren namen de dertig Kaffers de vlucht,
achtervolgd door de Boeren, die hen nazetten de rivier door. Maar de
rivier maakte hier een korten boog, zoodat de blanken haar nog eens
moesten passeeren, alvorens zij de vallei hadden bereikt, waar de
beesten graasden.
De Boeren waren nu wat driftig geworden van de jacht en joegen de
vallei in.
Maar hetzelfde ongeluk, dat het kommando van Hendrik Potgieter en Piet
Uijs had getroffen, werd hùn lot.
Plotseling sloot zich de vallei van voren en van achteren door een
levenden Kaffermuur, en de Boeren zaten tusschen twee sterke
Zoeloe-kommando’s bekneld.
Maar Bongose zou niet veel plezier hebben van zijn verraad.
Voordat hij den wilden strijdkreet der Zoeloe’s kon beantwoorden, werd
hem het koude staal in de borst gestooten.
„Sterf!” zeide de leeuwenjager, en zijn sterke tanden knarsten op
elkander.
De Boeren waren van hun reserve afgesneden. Zij konden niet terug, want
al te zwaar was de Kaffermuur achter hen. Zoo moesten zij zich naar
voren een weg zien te banen, in tegenovergestelde richting van het
lager.
Het gelukte, en voor den derden keer kwam men voor de sterk kronkelende
rivier, die opnieuw werd doorgetrokken.
Thans was het zaak, om in een grooten wijden boog het lager te zien te
bereiken, maar de verwarring, die eens de slagorde van Hendrik
Potgieter had verbroken, dreigde ook dezen keer de Boeren noodlottig te
worden.
Gelukkig werd ze dezen keer nog gekeerd, en terwijl zestig Boeren in
groote wanorde het open veld injoegen, sloten de overige tweehonderd
negentig zich dicht aaneen, en stapvoets voortrijdend, al ladend en
schietend, trok men langzaam terug.
’s Morgens te negen uur was het gevecht begonnen, dat onverpoosd werd
voortgezet, want de Zoeloe’s gunden den Boeren geen rust, en de zon had
reeds haar hoogste punt achter zich, toen de blanken langs den zoom van
een bosch een vijandelijke ruiterbende zagen galoppeeren, die het
kennelijk doel had, de Boeren voor te jagen en om te keeren.
Het was voor de vluchtenden onmogelijk voor te blijven, want de vijand
had versche paarden, terwijl hun eigen paarden, al waren ze taai en
sterk, van den langen rit moede begonnen te worden.
Er schoot dus niets anders over, dan den teugel te wenden en den
nieuwen vijand op te wachten.
Het stoute stuk had een volkomen succes.
De Boeren kegelden met hun lange roeren de zwarte ruiters uit het
zadel, en vingen zooveel mogelijk de onbeheerde paarden op, waarvan er
verscheidene werden herkend als het eigendom van wijlen Piet Retief en
zijn manschappen.
Nu ging de tocht al retireerende weer voort, maar de Boeren kwamen nu
tot de zeer onaangename ontdekking, dat zich een sterk regiment
Zoeloe’s tusschen hen en het lager had ingeschoven.
Zoo werden zij opnieuw uit de goede richting gedrongen, en zij moesten
zijwaarts inslaan, om een omsingeling te ontgaan.
Bij dezen terugtocht kwamen zij echter uit op een steilen, acht à negen
voet hoogen kliprand, met de Zoeloe’s op hun hielen.
’t Begon er nu al heel leelijk uit te zien voor de Boeren. Zij konden
niet terug, en vóór hen gaapte de diepte.
Maar er was geen tijd voor beraad, en hun paarden de sporen gevend,
waagden zij den sprong in de diepte, die bijzonder gelukkig afliep,
daar de diepte bestond uit de weeke, zanderige bedding van een zoo goed
als uitgedroogde beek.
De Boeren haalden nu ruimer adem, maar zij juichten te vroeg, want
plotseling verscheen een regiment Zoeloe’s, dat hier in hinderlaag had
gelegen, en overviel de blanken.
Vijf Boeren en dertig Natal-Kaffers, die zich bij de Boeren hadden
aangesloten, bezweken hier onder de puntige werpspeer, en het verlies
zou veel ernstiger zijn geweest, waren de Zoeloe’s niet aan het
plunderen der lijken gegaan.
Zoo hadden de vluchtelingen gelegenheid, een voorsprong van ongeveer
vijf honderd pas op hun vervolgers te krijgen, dien zij ook behielden,
en een bosch voorbijjagend, legde zich daar een afdeeling Boeren in
hinderlaag, die op de flank der vervolgende Zoeloe’s een vernielend
snelvuur opende, dat dezen noopte, om de vervolging te staken.
Nu eerst hadden de doodelijk vermoeide Boeren gelegenheid, uit het
zadel te springen, en hun brandenden dorst te lesschen.
De rit en het gevecht hadden geduurd van ’s morgens negen uur tot een
halfuur vóór zonsondergang. Al dien tijd hadden de Boeren niets gedaan
dan rijden, laden en schieten, en zij waren onkenbaar van den
kruitdamp.
Nu werd weer opgezadeld, totdat men, het lager tot op een halfuur
afstands genaderd, bekende stemmen hoorde.
Het waren manschappen der reserve, die dezen morgen naar het lager
waren teruggekeerd, om het voor een mogelijke overrompeling te dekken.
Zij brachten versche paarden, en gezamenlijk trok men nu kampwaarts.
Zoo ontsnapten de Boeren aan den fijn gespannen strik van den loozen
vos, die koning was van Zoeloe-land.
Den geheelen nacht bleven de Boeren bij uitgedoofde vuren onder de
wapens, elk oogenblik een aanval van den vijand verwachtend. Maar in
plaats van den vijand kwamen te middernacht de zestig vluchtelingen,
die door hun tuchtelooze houding het geheele kommando in gevaar hadden
gebracht, en ontvingen van den bevelhebber een strenge doch verdiende
berisping.
De Boeren vertoefden nog eenige weken in Zoeloe-land, hadden het geluk,
zes duizend stuks hoornvee machtig te worden, en keerden met den buit
in Januari 1839 naar Natal terug.