HOOFDSTUK XXI.

„Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klacht

uitstort voor het aangezicht des Heeren.

„O Heere! Hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.

„Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage

mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.”

Vrouw Kloppers staakt even met het lezen van den psalm, en luistert

naar den wind, die het linnen doet golven der tent boven haar.

„Want mijne dagen zijn vergaan als rook, en mijne gebeenten zijn

uitgebrand als een haard....

„Mijne vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij

mij.

„Want ik eet asch als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

„Van wege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn: want Gij hebt mij

verheven en weder nedergeworpen.”

Weer houdt vrouw Kloppers op; haar leven gaat voor het oog harer ziel

voorbij.

De regen klettert tegen het linnen der tent; op sommige plaatsen, waar

het linnen versleten raakt, dringt hij er door. Het opengeslagen

bijbelblad wordt vochtig, maar dat komt niet van de regendruppels. Dat

komt van de tranen, die vrouw Kloppers langzaam over de wangen rollen.

„Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik verdor als gras.”

Ja, dat getuigen hare diepliggende oogen, hare ingevallen wangen, die

smartelijke trek om haar mond.

„Maar Gij, Heere! Blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht

tot geslacht.”

„Amen!” zegt hare ziel.

„Gij zult opstaan, Gij zult u ontfermen over Zion, want de tijd om haar

genadig te zijn, de bestemde tijd is gekomen.”

Ja, dat is hare hoop; die hoop houdt haar staande; zonder die hoop ware

zij reeds lang vergaan.

God zal zich ontfermen over Zion, over het geestelijk Zion, over zijn

uitverkoren volk, over het schuldige maar in zijn onwankelbaar verbond

opgenomen volk der Emigranten-Boeren.

Vrouw Kloppers wil doorlezen, maar Hannie roept. Hannie is ook in de

tent, maar ge zoudt het lieve kind niet meer kennen: zoo uitgeteerd

ziet zij er uit. De koortsen hebben haar vreeselijk geteisterd, doch

die beteren nu gelukkig. Maar zij heeft thans versterkend voedsel

noodig, dat bijna niet te krijgen is. Want van den kostbaren veestapel,

dien Gert Kloppers meebracht uit de Kolonie, is niets overgeschoten dan

een paar melkkoeien en eenige paarden. Het andere vee is op den langen

tocht verongelukt of geroofd door de Zoeloe-Kaffers. Tevens is het

eetbaar wild ver weggevlucht, en de Boeren durven zich niet van hun

lagers verwijderen uit vrees, dat deze zullen overrompeld worden door

de overmoedige, bloeddorstige vijanden.

„Moeke, wanneer komt Vader thuis?”

„Ik wacht hem elk oogenblik, lieveling.”

„Is Vader op de jacht?”

„Ja, mijn kind.”

Al drie dagen is Gert Kloppers in de buurt op de jacht geweest, zonder

iets onder schot te krijgen.

De andere jagers zijn niet gelukkiger geweest.

„Ik wou, dat Vader eens een blesbok schoot; wat zou dat vleesch ons

smaken!”

De moeder zucht, doch buiten wordt een mannenstem gehoord, en Gert

Kloppers treedt binnen.

Hij heeft er in geen weken zoo opgeruimd uitgezien.

„Ik heb een bok geschoten, Hanneke,” zegt hij, „een goeie, hoor! Hij

ligt hier buiten. Nu zullen we smullen!”

„Nu zullen we smullen,” herhaalt de kleine Hannie, en zij klapt met

hare magere handjes.

Ook vrouw Kloppers is innig verblijd, en zij zegt: „De Heere vergeet

ons nog niet,” maar haar man met haar vriendelijken blik aanziende,

laat zij er op volgen: „Beste man, gij hebt zeker geen droogen draad

aan je lijf; droog je hier bij het vuur, en ik zal dadelijk koffie

zetten.”

„Zeker koffie van geroosterde gerst?”

„Ja, de echte koffie is al lang op.”

„Nu, maar ik moet echte koffie hebben vandaag, vrouwke.”

Hanna kijkt haar man verwonderd aan. Hij heeft al verscheidene weken

het opgietsel van geroosterde gerst voor lief genomen; hij weet, dat er

in het heele lager geen lood koffie te krijgen is, en toch wil hij ze

van middag hebben. Zij begrijpt er niets van, maar nog minder begrijpt

zij ’t, nu haar man met een lachend gelaat uit een grooten, diepen zak

een buil echte koffieboonen haalt en op de tafel legt.

„Je bent in den regel nog al slim; maar dat begrijp je zeker niet?”

zegt hij.

Zij schudt het hoofd—hoe zou ze dat begrijpen?

„Dan zul je dàt ook wel niet begrijpen, en dàt, en dàt—” en hij haalt

wel vijftien builen uit den zak: kruidenierswaren, gedroogde vruchten,

specerijen, enzoovoort. De zak schijnt wel onuitputtelijk.

De verbazing van vrouw Kloppers kent geen grenzen, maar dit hindert

haar niet, om onmiddellijk echte koffie, Javakoffie te zetten.

Intusschen helpt Kloppers zijn vrouw uit den droom: „Onze broeders in

de Kolonie en in den omtrek der Vaalrivier hebben van onzen grooten

nood gehoord, en zich gehaast, om levensmiddelen te zenden. Dat is het

medelijdende, Afrikaansche bloed, Hanneke, dat zich niet verloochenen

kan. Nu zijn een paar volgeladen ossenwagens met levensmiddelen reeds

in de buurt aangekomen, en om je te verrassen, heb ik al vast het een

en ander meegebracht.”

De koffie is thans gezet; de zoo lang ontbeerde suiker is er nu ook, en

een blikken kannetje, half gevuld met melk, voltooit de nederige

koffietafel. Maar het echtpaar heeft schik, en verkneutert zich in den

naar hunne meening zoo rijk voorzienen disch.

Het duurt niet lang, of Dirk, de zoon, komt ook binnen. Hij is platzak

en gemelijk van de jacht thuis gekomen en is niet weinig in zijn schik

geweest, toen hij het geschoten hert in de gaten kreeg.

Opgewekt treedt hij binnen.

„Zoo, Vader,” zegt hij, „hebt ge dien bok geschoten? Kom aan, ’t is een

baas, hoor! Wij zullen er straks een flink stuk afsnijden en boven het

vuur roosteren.”

„En echte koffie gezet?” laat hij er op volgen, met behagen den

koffiegeur ruikend.

„Waar haal je ’t van daan? Flink, Moeder, schenk maar eens in; dat zal

me verwarmen, want ’t is een geducht koude regen.”

Hij wordt hoe langer hoe opgewekter.

„En wat ligt daar toch allemaal op de tafel? Het lijkt wel een heele

kruidenierswinkel. Menschen, waar komt dat toch allemaal van daan?”

„Raad maar eens,” zegt zijn vader.

„Van de Engelsche regeering!” antwoordt Dirk.

Hij schaterlacht, terwijl hij dit zegt. Deze lach werkt aanstekelijk;

ook zijne ouders, zelfs de kleine Hannie beginnen te lachen. Er begint

een frissche, vroolijke toon te heerschen; het wordt bepaald gezellig

in de oude, gehavende tent.

Na eenigen tijd komt de leeuwenjager, die een paar dagen afwezig is

geweest.

Hij heeft iets gewichtigs; de anderen merken het aan zijn stap, die

driftiger is dan gewoonlijk.

Over dien vreeselijken Februarimorgen, toen Mieke door een assegaai

werd gedood en den daaropvolgenden morgen, toen zij in de koele aarde

werd neergelegd, spreekt hij nooit. Maar in zijn binnenste brandt een

vuur.

„Belangrijk nieuws!” zegt hij op zijn gewonen, korten toon.

De anderen zien hem vragend aan.

„Pretorius is aangekomen.”

„Welke Pretorius?” vraagt Kloppers.

„Andries Wessel uit het district Graaff-Reynet.”

„Ik heb geruchtswijze gehoord, dat hij ons komt helpen,” zegt Kloppers.

„Niets vaster dan dat,” antwoordt de leeuwenjager met klem.

„Dus we trekken weer tegen de Zoeloe’s op?”

„Dat zou ik denken.”

De oogen van den leeuwenjager flikkeren, terwijl hij dit zegt; zij

weerkaatsen het vuur, dat in zijn binnenste brandt.

„Met hoeveel man is hij gekomen?”

„Met vierhonderd: allen flinke, dappere kerels.”

„Mooi,” zegt Kloppers. Hij wrijft zich van plezier de handen.

„Heb je ze gesproken, Teunis?”

„Ik heb hun veldkornetten de hand gedrukt. Zij hebben gezegd: Wij zijn

gekomen, om onze broeders in Natal te helpen. Wij willen met hen

sterven of overwinnen. Dat hebben zij gezegd.”

De oogen van Kloppers beginnen te schitteren.

„Daaraan herken ik weer den echten, onverbasterden, Afrikaanschen

aard,” zegt hij. „Wij Boeren zijn net als de kinderen in een groot

huishouden: dikwijls gekibbel en ruzie. Maar als de vijand voor de

poorten staat, als het meenens wordt, dan staan we schouder aan

schouder: één voor allen; allen voor één.

„En wanneer zal de veldtocht beginnen, Teunis?”

„Zoo gauw mogelijk; binnen eenige dagen. Pretorius zet er haast

achter.”

„Hij heeft gelijk,” zegt Kloppers. „Hoe eerder hoe beter. We moèten met

de Zoeloe’s afrekenen. Ten eerste, omdat het onschuldig vergoten bloed

moet worden gewroken. God heeft ons Boeren de roeping gegeven, om onder

de heidenen de Overheid te vertegenwoordigen, en de Overheid draagt het

zwaard niet te vergeefs. Ten tweede, omdat onze toestand bij den dag

onhoudbaarder wordt. Daarom zeg ik nog eens: hoe eerder de veldtocht

begint, hoe beter.”

Hij ziet zijn zoon aan.

„Dirk,” zegt hij, „ik wou wel mee trekken in den oorlog; wilt gij niet

hier blijven ter verdediging van het lager?”

„Liefst niet, vader!” zegt Dirk. „Ik smeek u, laat me mee!”

„Goed dan, gij zult mee—Teunis, blijf jij dan hier?”

„Ik? Neem me niet kwalijk, maar ik heb geen tijd.”

„Als de anderen ook zoo praten, dan blijft er geen man hier,” zegt

Kloppers.

„De huisvaders behooren hier te blijven; laat de jònge menschen

trekken,” antwoordt de leeuwenjager.

Er volgt een pauze.

„Het wordt een ernstige strijd,” zegt Kloppers; „een strijd op leven en

dood!”

„Ja, op leven en dood,” zegt de leeuwenjager; „de twee volgende maanden

brengen ons den ondergang of de overwinning!”

„De overwinning en de zegepraal!” roept vrouw Kloppers.

Zij is opgestaan; zij heeft de hand op haren bijbel gelegd.

Hare oogen stralen als van een profetes uit het oude Verbond.

„De Heere zal zich ontfermen over ons volk,” zegt zij met luide,

plechtige stem, „en Hij zal ons voeren uit den strik der heidenen!”

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 25 / 40 题