Pretorius, de man met het moedige hart en het schrandere brein, de man,
wien de onverwelkelijke eere zal verblijven, dat hij onder diep
ontmoedigende omstandigheden den hachelijken strijd tegen den Koning
der Zoeloe’s dorst aan te binden, was met zijn Boeren op marsch gegaan.
Allen waren van het gewicht en den ernst hunner taak doordrongen; allen
wisten het, dat de strijd zou uitloopen op zegepraal of ondergang.
Waar de kleine Tugela zich met de groote Tugela vereenigt, sloot de
wakkere Karel Landman zich met zijn manschappen aan bij het kommando,
dat nu vierhonderd zeven blanken telde.
Pretorius stelde op alles orde. Bij elken wagen moesten twee hekkens
(schanskorven van doorntakken) zijn ter afsluiting der open ruimte
tusschen de voor- en achterwielen, als men in lager stond, terwijl deze
hekkens door zware ijzere kettingen werden verzekerd.
Elken morgen werd de krijgswet, die door allen was bezworen,
voorgelezen, en bij elken marsch trokken verspreide patrouilles van
vijf man vooruit, om de veiligheid van den omtrek te bespieden.
De ammunitie, de proviand en de kampbenoodigdheden waren verladen op
een trein van zeven en vijftig ossenwagens, die in breede rijen van
vier wagens, door een sterke voor- en achterhoede gedekt, voorttrokken.
Men trok nu het eigenlijke Zoeloeland in, en den 7den December (1838)
bracht een patrouille twee Kaffers mede, door Matowaan, een door
Dingaan onderworpen Kafferhoofd, als parlementairs den Boeren tegemoet
gezonden.
Pretorius liet bij de komst dezer parlementairs onmiddellijk halt
houden, uitspannen en het kamp opslaan, terwijl hij de beide Kaffers
terug zond met de order aan Matowaan, dat deze den volgenden dag met al
zijn weerbare manschappen doch ongewapend voor den kommandant zou
verschijnen.
Zoo geschiedde het, en Matowaan sloot met de Boeren een verbond,
terwijl hij als teeken van vrede van den kommandant een groote, witte
sjerp ontving, waarop Pretorius’ naam stond te lezen. De Boeren
verplichtten zich, om den rapportganger der Kaffers, die deze sjerp
mocht dragen, te eerbiedigen, doch al de andere Kaffers moesten tijdens
den veldtocht bij hun kralen blijven, op gevaar van anders door de
blanken te worden doodgeschoten.
Matowaan bood nu aan, met zijn manschappen het kommando te versterken,
maar de voorzichtige Pretorius dacht aan het einde van Piet Retief, en
bang voor verraad, wilde hij in dezen veldtocht, die op een groote
overwinning of op een volkomen vernietiging moest uitloopen, geen
onbetrouwbare elementen in zijn nabijheid hebben.
Hij sloeg dus het aanbod vierkant af, doch stond toe, dat Matowaan zijn
manschappen een oorlogsdans liet uitvoeren.
Naar dien Kafferdans hebben de Boeren die plek Danskraal genoemd; zij
ligt op eenige mijlen afstands van het tegenwoordige Ladysmith.
Pretorius voelde intusschen de zware verantwoordelijkheid, die op zijn
schouders rustte, en evenals een zijner vroegere stamgenooten, de
beroemde admiraal de Ruiter, bij hachelijke ondernemingen zijn kracht
zocht in het gebed, zocht deze Boeren-kommandant het ook in het gebed,
en op zijn bevel werd, toen de Kaffers waren vertrokken, een plechtige
godsdienstoefening gehouden.
De vrome Sarel Cilliers nam op verlangen van Pretorius de leiding van
den dienst op zich, en op den kanonwagen staande, sprak hij aldus:
„Mijne broeders en stamgenooten! Hier staan wij thans voor een heilig
God van hemel en aarde, om een gelofte af te leggen, dat, indien Hij
ons zal beschermen en onze vijanden in onze handen zal geven, zoodat
wij denzelve overwinnen, wij dien dag der zegepraal, dien datum, elk
jaar als een dankdag, zooals een Sabbath, tot Zijne eer zullen
doorbrengen. En wij zullen het ook aan onze kinderen zeggen, dat zij er
met ons in moeten deelen, tot een gedachtenis ook voor onze nakomende
geslachten. Want de eere van God zal er door worden verheerlijkt, dat
Hem de roem en de eere der overwinning wordt gegeven! Doch is iemand
bezwaard, om in dat verbond te treden, die verwijdere zich!”
Hij keek met zijn vriendelijke oogen de vergadering rond, en wachtte
even, of iemand zich zou verwijderen. Doch niemand ging. Allen waren
begeerig, om in dit verbond te worden opgenomen, maar een heilige
vreeze zal wel door aller ziel zijn gegaan, toen hij, zijn handen
priesterlijk uitbreidend naar den hoogen, in naam van dit volk een
plechtig verbond sloot met den Koning der koningen.
Dit verbond werd elken avond vernieuwd, en de Boeren voelden er zich
wonderlijk door versterkt.
Van vlugge boodschappers heeft Gert Kloppers vernomen, dat Pretorius
met zijn kommando in snelle tochten voorttrekt, het zuidoosten in, en
de gewichtige tijding, dat de Zoeloe’s van het naderen der Boeren zijn
verwittigd, en hunne rookseinen reeds van de toppen der bergen zijn
gezien, doet een spoedig gevecht verwachten.
Doch verscheidene dagen zijn er sedert die laatste tijding verstreken,
en Gert Kloppers heeft niets meer vernomen.
Van den naasten heuvel heeft hij een soort observatiepost gemaakt, en
daar staat hij nu weer met Ouderling de Jong en Barend Jansen naar het
oosten te turen. Floor en Willem zijn al heel vroeg uitgereden, om het
een of ander nieuws op te sporen, maar ’t is al bijna middag, en nog
zijn ze niet thuis.
In de verte ziet Kloppers nu toch iemand naderen; ’t is een Griqua. De
Boeren houden hem aan.
„Hebt ge iets van den oorlog gehoord?”
„Ik heb vernomen, dat er een groote slag is geleverd.”
De Boeren spitsen hun ooren.
„En hoe is ’t afgeloopen?”
De Griqua haalt de schouders op: „Ik weet het niet.”
De Boeren doen hem honderd vragen, maar meer weet hij niet, dan dat er
een groote slag is geleverd. ’t Is schraal nieuws.
Tegen den middag komen er twee Kaffers voorbij. Zij bevestigen het, dat
er geducht is gevochten.
„Er moeten veel Zoeloe’s gesneuveld zijn,” zegt de grootste.
„Ja, dat denk ik ook wel,” zegt Barend Jansen, terwijl hij aan zijn
ruigen baard trekt.
„En de Boeren moeten woest hebben gevochten,” zegt de kleinste.
„Dat betwijfel ik evenmin,” zegt Barend Jansen, „maar vertel nu eens,
wie heeft het gewonnen?”
Ja, dat wisten ze niet, maar ze geloofden wel van de Boeren.
Veel wijzer waren de Boeren van die berichten nog niet geworden, maar
de geruchten waren ten minste gunstig, en dat was al vast iets.
Zij bleven op hun observatiepost, maar er kwam geen mensen meer in ’t
zicht.
„Geen tijding goede tijding, zullen we maar denken,” zeide Gert
Kloppers, ofschoon hij ongeduldig heen en weer liep.
Tegen den avond kwam eindelijk Floor opdagen. Hij had een Griqua aan
zijn zijde, de man bereed een os. ’t Was een vreemd gezicht: een
ossenruiter naast een paardenruiter.
Het gelaat van Floor stond waarlijk niet vroolijk. Strak en ernstig
stonden zijn trekken.
„Dat is slechte tijding,” zeide Kloppers.
De anderen zeiden geen woord.
Kloppers had juist gegist.
„Ik heb een Zoeloe-krijger gesproken,” zeide de Griqua, „die den slag
heeft meegemaakt. Hij deelde mij mee, dat de Zoeloe’s de Boeren in een
hinderlaag hadden gelokt, waar dezen niet uit konden. Zij hadden als
leeuwen gevochten en honderden Zoeloe’s doodgeschoten, maar eindelijk
werden ze overmand en de meesten sneuvelden. Ook de generaal is
gesneuveld.”
„Hoe heet de generaal?” vraagde Kloppers.
„Ik heb den naam hooren noemen, maar hij is me ontgaan.”
„Heet hij Landman?”
De Griqua schudde van neen.
„Jager?”
De Griqua schudde weer.
„Pretorius?”
„Ja, Pretorius, zoo heet hij.”
Toen verbleekte Kloppers, maar Barend Jansen klemde de tanden op
elkaar.
„’t Zou vreeselijk zijn—”, zeide Kloppers.
„Als ’t waar is,” zeide Barend Jansen.
In de pijnlijkste onzekerheid liep de dag ten einde. Willem was niet
gekomen.
Slechts één persoon in het geheele lager stond in het geloof, dat de
slag was gewonnen. Die persoon was een vrouw. Die vrouw was de vrouw
van Kloppers.
„God heeft ons de overwinning gegeven,” zeide zij.
„Wie heeft u dat gezegd?” vraagde een verstandige, voorzichtige Boer.
„Dat heeft de Heere mij geopenbaard,” zeide ze.
De Boer haalde de schouders op.
„In die zaken moet men zeer behoedzaam zijn,” zeide hij; „hoeveel
droevige vergissingen hebben christenen op dat punt gemaakt!”
„Maar ik vergis mij niet,” zeide zij.
Zij was van haar punt niet af te brengen; zij stond in een onwankelbaar
geloof.
Bij het krieken van den dageraad stonden weer een tiental Boeren op den
uitkijk.
Wijd, wijd in de verte zagen zij eene kleine zwarte stip....
Nu was ze verdwenen; maar het volgende oogenblik was ze weer zichtbaar.
Zij naderde snel.
„We zullen ’t gauw weten,” zeide Kloppers, „wie ’t is.” Hij zette zijn
valkenoogen wijd open.
„’t Is Willem,” riep hij plotseling; „er is geen twijfel aan, ’t is
Willem—maar hij rijdt als een dolle; hij zal den Vos nog
doodrijden—kijk, daar gaat hij den heuvel af—het paard zal de pooten
nog breken bij dien woesten rit—nu is hij verdwenen in de vallei—daar
is hij al weer op den volgenden heuvel—hij zwaait met het geweer—dat is
een goed teeken—hij roept—ik kan hem niet verstaan—ik houd het hier
niet langer—voorwaarts!”
De tien Boeren, Kloppers voorop, liepen den ruiter tegemoet.
Hij stond in de stijgbeugels, en hij zwaaide aldoor het geweer boven
zijn hoofd, en hij riep met zijn frissche, heldere stem: „Hoera!
Overwinning en zegepraal!”
De Boeren waren zich zelve niet bij deze heugelijke tijding.
Zij namen hun hoeden, en zwaaiden ze; zij namen hunne geweren en losten
vreugdeschoten—Hoera! Overwinning en zegepraal!
Nu was Willem bij de Boeren aangekomen.
„Het leger van Dingaan is geducht geslagen; waarschijnlijk is ons
kommando reeds zijn hoofdstad binnengedrongen. Het vierde gedeelte van
het Kafferleger ligt dood op het slagveld.”
Zoo luidde Willem’s kort, bondig rapport.
„Van wien weet ge ’t?” vraagde zijn vader.
„Van den Hottentot, die door Dirk met een brief aan ons is afgezonden.”
„Een brief? Waar is de brief?”
„Hier,” zeide Willem, terwijl hij een pakje, in een stuk buffelleer
gerold, overhandigde.
„En waar is de Hottentot?”
„Ik heb hem achtergelaten; het schepsel kon me niet bijhouden.”
Ouderling de Jong zou, als de geleerdste, den brief ontcijferen, die op
verscheidene dikke, grauwe repen papier was geschreven. De letters
waren echte hanepooten, maar de Jong kreeg het kunststuk klaar, en
ontcijferde die wonderlijke hieroglyphen.
De brief luidde aldus:
Maandag, 17 December 1838.
Geliefde Ouders, Broeders,
Vrienden en Bekenden!
Wij, Afrikaansche Boeren, hebben het nu met Gods hulp zoover
overwonnen. De Zoeloe’s hebben ons gisteren morgen met hunne duizenden
aangevallen, maar wij hebben hen overwonnen. Ons kommando was sterk
vier honderd vijftig man. Van onzen kant is niemand gevallen, en
slechts drie menschen gekwetst, namelijk onze generaal, Flip Fourie en
Gert Raads, maar die kwetsuren zijn van lichten graad. Van de Zoeloe’s
zijn gevallen ruim zesduizend man. Wij hebben ons nu gewroken op onze
vijanden, Vader; de Heere gaf hen in onze hand. En Teunis de
leeuwenjager heeft ook vreeselijk gevochten; hij heeft gevochten als
een woedende leeuw. Bart Pretorius was haast geen mensch; enfin wij
hebben allen ons best gedaan.
Onze dappere generaal heeft gezegd; Jongens je hebt Dingaan nu een
flink pak slaag gegeven, maar nu moeten jullie hem nog een flink pak
geven. En nu gaan wij op zijn hoofdstad aan, maar het moet maar een
krot zijn, zooals Teunis de leeuwenjager zegt. Lieve Ouders, de Heere
heeft den vijand in onze hand gegeven, en wij komen dankensstof te
kort. Hij heeft ons wonderlijk geholpen. Ouderling Sarel Cilliers zegt,
dat hij tegen ieder wil volhouden, dat God eerst een volk in de laagte
drukt, opdat het zich zal verootmoedigen voor Hem, en dan er weer
uithelpt. Hij kan dit ook heel netjes uit de geschiedenis van het Oude
Testament bewijzen. En hij beweert ook, dat wij nu maar de instrumenten
in des Heeren hand zijn, om het veel onschuldig vergoten bloed te
wreken. En dus den Heere komt al de eere toe en niet ons. Ik ben nog
fiksch en gezond, maar ik kan beter schieten dan schrijven. Enfin, wij
zullen er verder maar het beste van hopen. Weest nu allen gegroet. Ik
eindig met de pen, maar niet met mijne gedachten. Ik denk veel aan
jullie, en ik hoop, dat wij elkander in gezondheid weer mogen zien.