HOOFDSTUK XX.

Hendrik Potgieter had er genoeg van, en trok met zijn volgelingen terug

naar de oevers der Vaalrivier.

Een bange tijd brak nu aan voor de achterblijvende Boeren. De

levensmiddelen, zelfs de ammunitie, raakte bij velen op, en het

nijpendste gebrek stond voor de deur. Daarbij kwamen vele en zware

regens, en in hun gevolg ernstige koortsen, die het volk teisterden.

Men kon elk oogenblik Dingaan’s bloeddorstige regimenten verwachten, en

om dien schok te kunnen weerstaan, werden er twee groote, elk uit

vijfhonderd ossenwagens bestaande, lagers gevormd, waarvan het lager,

onder bevel van Gert Maritz, bij de kleine Tugelarivier, en het andere,

onder bevel van Jakobus Potgieter aan een zijtak der Blauwkransrivier

werd opgeslagen, op de plek, waar de wagens van Piet Uijs hadden

gestaan.

Dit lager werd het Modderlager genaamd van wege den door vele regens

doorweekten grond, en na verloop van vier maanden was men dan ook

verplicht, het te verplaatsen naar de Boschmansrivier.

Hier, aan de Boschmansrivier, kreeg men de Zoeloe’s. Drie volle

etmalen, van den 10den tot en met den 12den Augustus 1838 duurde de

bestorming; het lager lag als een eenzaam eiland in een wild bruisende

zee.

Den derden dag ontving Gert Maritz bericht van het groote gevaar,

waarin de stamgenooten verkeerden. Het eigen lager werd nu snel in

staat van verdediging gebracht; daarna zadelde Maritz op, en trok met

een sterke wacht uit, om het benarde lager te ontzetten. Maar de

dappere mannen van Jakobus Potgieter hadden zich met zooveel kracht

verweerd, dat de Zoeloe’s het na een verlies van duizenden manschappen

hadden moeten opgeven.

Als door een wonder was ook het kleine kamp der van Dijken, niet ver

van Jakobus Potgieter’s lager opgeslagen, aan het dreigend gevaar

ontsnapt. Midden in den nacht kwam hier de tijding, dat de Zoeloe’s in

aantocht waren, en terwijl de vrouwen en de kinderen in hun nachtgewaad

de bosschen invluchtten, maakten zich de weinig weerbare mannen gereed,

om het zwakke lager te verdedigen. Maar de Zoeloe’s ontdekten het niet,

en de menschen waren gered.

Er heerschte dus groote blijdschap bij de Boeren, doch zij werd niet

weinig getemperd, toen men tot de treurige ervaring kwam, dat al het

vee, dat toch het hoofdbestaan der Boeren uitmaakte, zoowel het vee van

Potgieter’s lager als dat der van Dijken, door de Zoeloe’s was

meegevoerd.

Acht dagen na het gevecht werd Jakobus Potgieter’s lager verplaatst

naar de kleine Tugelarivier, slechts door de rivier van Gert Maritz’

lager gescheiden.

Beide lagers werden nu herschapen in ééne sterke vesting, die door

zware zodenmuren en diepe grachten werd beschermd, terwijl zij werd

gedekt door zoogenaamde „schiethokken” aan de hoeken, van waar men de

muren kon bestrijken.

In het midden van het lager was een groote ruimte gelaten, die

overspannen werd met tentlinnen, waar de Nederlandsche zendeling Smit,

die de Boeren in hun grooten nood trouw ter zijde heeft gestaan,

geregeld godsdienstoefening hield.

In dit lager hebben de Boeren vijf maanden gestaan, en hier is hun het

water werkelijk tot aan de lippen gekomen.

De beesten waren geroofd, de proviand raakte op, en de hongersnood

stond voor de deur. En alsof al deze rampen nog niet genoeg waren, werd

de wakkere Voortrekker Gert Maritz ziek en bezweek. Onder vele tranen

werd hem in het lager een laatste rustplaats bereid, en de Boeren, door

zooveel leed overmand, lieten het moedige hoofd zakken.

In zware tegenheden handelde God met dit volk, en Hij bezocht het met

zijn kastijdende roede. Hij schudde het, evenals zijn storm de wateren

schudt en zuivert. Hij wierp het in den heeten oven der beproeving,

opdat het gereinigd te voorschijn zou komen, als goud, gelouterd in den

smeltkroes. Immers Hij had het volk der Emigranten-Boeren uitverkoren,

om de weegschalen van het heilig recht hoog te houden onder de blinde

heidenen, die niet wisten van God noch van zijn gebod.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 24 / 40 题