Hendrik Potgieter had er genoeg van, en trok met zijn volgelingen terug
naar de oevers der Vaalrivier.
Een bange tijd brak nu aan voor de achterblijvende Boeren. De
levensmiddelen, zelfs de ammunitie, raakte bij velen op, en het
nijpendste gebrek stond voor de deur. Daarbij kwamen vele en zware
regens, en in hun gevolg ernstige koortsen, die het volk teisterden.
Men kon elk oogenblik Dingaan’s bloeddorstige regimenten verwachten, en
om dien schok te kunnen weerstaan, werden er twee groote, elk uit
vijfhonderd ossenwagens bestaande, lagers gevormd, waarvan het lager,
onder bevel van Gert Maritz, bij de kleine Tugelarivier, en het andere,
onder bevel van Jakobus Potgieter aan een zijtak der Blauwkransrivier
werd opgeslagen, op de plek, waar de wagens van Piet Uijs hadden
gestaan.
Dit lager werd het Modderlager genaamd van wege den door vele regens
doorweekten grond, en na verloop van vier maanden was men dan ook
verplicht, het te verplaatsen naar de Boschmansrivier.
Hier, aan de Boschmansrivier, kreeg men de Zoeloe’s. Drie volle
etmalen, van den 10den tot en met den 12den Augustus 1838 duurde de
bestorming; het lager lag als een eenzaam eiland in een wild bruisende
zee.
Den derden dag ontving Gert Maritz bericht van het groote gevaar,
waarin de stamgenooten verkeerden. Het eigen lager werd nu snel in
staat van verdediging gebracht; daarna zadelde Maritz op, en trok met
een sterke wacht uit, om het benarde lager te ontzetten. Maar de
dappere mannen van Jakobus Potgieter hadden zich met zooveel kracht
verweerd, dat de Zoeloe’s het na een verlies van duizenden manschappen
hadden moeten opgeven.
Als door een wonder was ook het kleine kamp der van Dijken, niet ver
van Jakobus Potgieter’s lager opgeslagen, aan het dreigend gevaar
ontsnapt. Midden in den nacht kwam hier de tijding, dat de Zoeloe’s in
aantocht waren, en terwijl de vrouwen en de kinderen in hun nachtgewaad
de bosschen invluchtten, maakten zich de weinig weerbare mannen gereed,
om het zwakke lager te verdedigen. Maar de Zoeloe’s ontdekten het niet,
en de menschen waren gered.
Er heerschte dus groote blijdschap bij de Boeren, doch zij werd niet
weinig getemperd, toen men tot de treurige ervaring kwam, dat al het
vee, dat toch het hoofdbestaan der Boeren uitmaakte, zoowel het vee van
Potgieter’s lager als dat der van Dijken, door de Zoeloe’s was
meegevoerd.
Acht dagen na het gevecht werd Jakobus Potgieter’s lager verplaatst
naar de kleine Tugelarivier, slechts door de rivier van Gert Maritz’
lager gescheiden.
Beide lagers werden nu herschapen in ééne sterke vesting, die door
zware zodenmuren en diepe grachten werd beschermd, terwijl zij werd
gedekt door zoogenaamde „schiethokken” aan de hoeken, van waar men de
muren kon bestrijken.
In het midden van het lager was een groote ruimte gelaten, die
overspannen werd met tentlinnen, waar de Nederlandsche zendeling Smit,
die de Boeren in hun grooten nood trouw ter zijde heeft gestaan,
geregeld godsdienstoefening hield.
In dit lager hebben de Boeren vijf maanden gestaan, en hier is hun het
water werkelijk tot aan de lippen gekomen.
De beesten waren geroofd, de proviand raakte op, en de hongersnood
stond voor de deur. En alsof al deze rampen nog niet genoeg waren, werd
de wakkere Voortrekker Gert Maritz ziek en bezweek. Onder vele tranen
werd hem in het lager een laatste rustplaats bereid, en de Boeren, door
zooveel leed overmand, lieten het moedige hoofd zakken.
In zware tegenheden handelde God met dit volk, en Hij bezocht het met
zijn kastijdende roede. Hij schudde het, evenals zijn storm de wateren
schudt en zuivert. Hij wierp het in den heeten oven der beproeving,
opdat het gereinigd te voorschijn zou komen, als goud, gelouterd in den
smeltkroes. Immers Hij had het volk der Emigranten-Boeren uitverkoren,
om de weegschalen van het heilig recht hoog te houden onder de blinde
heidenen, die niet wisten van God noch van zijn gebod.