Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden
beraamd, afgeloopen?
Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een
macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren
gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den
Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals
reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.
Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en
Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.
Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een
Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.
Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier
stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van
den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als
reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht
mochten slagen.
Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden
brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die
ernstig bedreigd werd, in te nemen.
De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den
dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de
plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder
hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch
slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in
lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke
verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats,
en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der
Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.
Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn,
dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij
snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te
leveren.
Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen
afstormden.
Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in
slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd
met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld
vol dooden en gewonden achter zich latende.
Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s
rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning
Chaka [11] uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand
aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten
omsingelen.
Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn
manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn
rechtervleugel zien te keeren.
Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn
Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling
uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.
Het was een onherstelbare slag.
Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het
bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de
vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.
Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen
hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders.
Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van
Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te
halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en
verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.
Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing
te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond.
Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt
op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando
verstoof als kaf voor den wind.
Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de
Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge,
loodrechte rotsen bestond. De Tugela werd voor hen een andere Berezina.
Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor
beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde
klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van
stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der
nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was
men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de
rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en
versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke,
Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts
weinig honderdtallen over.
Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en
verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden
geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand
van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven
tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien
in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had
uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en
koos het ruime sop.
Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan
ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond
zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het
afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen
heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs,
zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de
lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht
honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen
tot den laatsten man!”