HOOFDSTUK XIX.

Hoe was het met den veldtocht, dien de Engelsche kolonisten hadden

beraamd, afgeloopen?

Zij waren op den bepaalden, met de Boeren afgesproken tijd, met een

macht van 3000 Kaffers, waarvan er ongeveer 400 met geweren waren

gewapend, en een afdeeling blanken op marsen gegaan, om den

Zoeloe-koning van uit het zuiden te bestoken, terwijl de Boeren, zooals

reeds gezegd, van uit het westen zouden optrekken.

Het kommando stond onder het bevel van Robert Biggar, John Cane en

Ogle, drie Engelschen. Biggar was opperbevelhebber.

Zonder veel hindernissen werd de Tugelarivier overgetrokken, en een

Zoeloe-regiment, dat op verkenning was uitgezonden, teruggeworpen.

Het leger vervolgde nu zijn tocht en bereikte Endouka Kusuka. Hier

stond slechts een zwak regiment der Zoeloe’s, daar de hoofdmacht van

den vijand op Dingaan’s bevel verder landwaarts was ingetrokken, om als

reserve dienst te doen, indien de Boeren in hun vermetelen tocht

mochten slagen.

Maar de tocht der Boeren had reeds schipbreuk geleden, en ijlboden

brachten aan de reserve de order onmiddellijk hare vorige stelling, die

ernstig bedreigd werd, in te nemen.

De Engelschen echter waren de Zoeloe’s voor. Bij het krieken van den

dageraad was Kasuka omsingeld, en een vernielend snelvuur werd op de

plaats gericht. Onder gebrul en gejuich bestormden nu de Kaffers onder

hun blanken aanvoerder de plaats, die wel een stad werd genoemd, doch

slechts, evenals de andere Zoeloe-steden, uit een groot aantal, in

lange rijen zich uitstrekkende stroohutten bestond, en namen de zwakke

verschansingen. Weldra kronkelden de rookwolken omhoog boven de plaats,

en verkondigden aan de in ijlmarschen naderende hoofdmacht der

Zoeloe’s, dat zij te laat kwamen, om hun stad te redden.

Maar dit gezicht maakte hen razend, en geprikkeld door het bewustzijn,

dat de gevreesde Boeren voor de Zoeloe’s waren geweken, daalden zij

snel van de heuvelen neer, die Kasuka omringden, om den vijand slag te

leveren.

Het waren zeven regimenten, ongeveer 10000 man, die de heuvelen

afstormden.

Biggar zag hen naderen. Met grooten spoed stelde hij zijn leger in

slagorde op voor de brandende stad, en de voorhoede der Zoeloe’s werd

met zoo’n geduchten kogelregen begroet, dat zij zwenkte, het slagveld

vol dooden en gewonden achter zich latende.

Er was een oogenblik van verademing, maar de geheele macht der Zoeloe’s

rukte nu op in den vorm van een halve maan, een slagorde, door koning

Chaka [11] uitgevonden, waarvan het centrum recht op den vijand

aanrukte, terwijl de vleugels hem in snellen aanloop moesten

omsingelen.

Biggar zag de gevaarlijke beweging, en terwijl Ogle met zijn

manschappen tegen den linkervleugel des vijands optrok, zou Cane zijn

rechtervleugel zien te keeren.

Ogle was inderdaad zoo gelukkig, den vijand terug te werpen, toen zijn

Kaffers, door een nooit opgehelderde paniek aangetast, plotseling

uiteen stoven, en hun heil in de vlucht zochten.

Het was een onherstelbare slag.

Wel snelden de blanken aan het hoofd van versche manschappen naar het

bedreigde punt, doch daardoor werden weer andere punten ontbloot, en de

vreeselijke hoornen der halve maan begonnen elkander dicht te naderen.

Cane kreeg een assegaai voor in de borst, en terwijl hij ze met eigen

hand uit de wond rukte, trof hem de tweede speer tusschen de schouders.

Het wapen stond te schudden in zijn vleesch. Een Kaffervorst, een van

Cane’s trouwste vrienden, sprong toe, om de assegaai uit de wond te

halen, doch Cane, door pijn verblind, herkende zijn bondgenoot niet, en

verbrijzelde diens hoofd door een geweerschot.

Maar de Zoeloe’s lieten hem weinig tijd, om de vreeselijke vergissing

te betreuren. Door vier speren getroffen, stortte hij tegen den grond.

Geen twee minuten later lagen ook Biggar en Ogle zieltogend uitgestrekt

op den van bloed doorweekten bodem, en het geheele Kafferkommando

verstoof als kaf voor den wind.

Het was een vreeselijke vlucht, en de Kaffers kwamen aan de

Tugelarivier aan op een punt, waar de oever uit honderd voet hooge,

loodrechte rotsen bestond. De Tugela werd voor hen een andere Berezina.

Met de scherpe speer der Zoeloe’s achter zich was er geen tijd voor

beraad, en de ongelukkigen stortten verpletterd neer op de harde

klippen en steenen der Tugelabedding. Eerst toen er een hooge laag van

stuiptrekkende, stervende lichamen was gevormd, werd de val der

nakomenden gebroken, en bereikten dezen den overkant. Doch ook hier was

men nog niet veilig, want een sterke afdeeling der Zoeloe’s was, de

rotsen omtrekkend, op een gemakkelijke plek de rivier overgetrokken, en

versperde den ontkomenen opnieuw den weg. Hier viel de laatste blanke,

Blankenberg, en van het Kafferkommando van Biggar schoten slechts

weinig honderdtallen over.

Als een bergstroom vervolgde het Zoeloe-leger, plunderend en

verwoestend, zijn overwinningstocht. De Engelsche kolonisten hadden

geen rust voor het hol van hun voet en weken terug tot aan het strand

van den Oceaan. En er zou hun slechts de keuze zijn overgebleven

tusschen de golven van dien Oceaan en de speer van den Zoeloe, indien

in dit hachelijk oogenblik niet een schip in de baai het anker had

uitgeworpen. Het nam de ongelukkigen aan boord, heesch toen de vlag en

koos het ruime sop.

Maar de Boeren bleven achter, omloeid door het heidendom, en vaster dan

ooit stond Dingaan’s troon. Met een grijnslach om den wreeden mond

zeide hij tot zijn kapiteins: „Zie, op gindschen heuvel ligt het

afgeknaagde gebeente van Piet Retief en de zijnen; bij dien anderen

heuvel, waar juist een zwerm aasvogels neerstrijkt, ligt Piet Uijs,

zijn wreker, en ik heb de bedding der Tugelarivier geplaveid met de

lijken mijner vijanden. Uwe assegaaien druipen van het bloed van acht

honderd Boerenmenschen, en ik ben besloten, om dit volk te verdelgen

tot den laatsten man!”

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 23 / 40 题