HOOFDSTUK XVIII.

Onder aanvoering hunner beproefde voormannen Piet Uijs en Hendrik

Potgieter (laatstgenoemde was na den dood van Retief over het

Drakengebergte ter hulpe gesneld), trokken de Boeren tegen Dingaan op,

om het onschuldig verraden bloed te wreken.

De jonge Boeren uit Kloppers’ lager sloten zich bij den tocht aan, doch

Gert Kloppers en de andere huisvaders bleven, daar het gevaar van

overrompeling niet gering was, ter verdediging in het lager achter.

Dingaan zou van twee kanten worden aangevallen: door de Engelsche

kolonisten, die aan de kust woonden, en die voor de Zoeloe’s even

beducht mochten zijn als de Boeren, van de Zuidzijde, en door de Boeren

van de Westzijde.

Het Boeren-kommando bestond uit ongeveer vijfhonderd man. Daar kon

Dingaan twintig duizend soldaten tegenover stellen: krijgers, gehard in

den strijd. Wel hadden de Boeren geweren, doch tegen één geweer stonden

veertig assegaaien!

De Boeren rukten recht op Dingaan’s hoofdstad aan. ’t Was

verwonderlijk, hoe weinig tegenstand zij ondervonden. Maar ’t was nog

verwonderlijker, dat de aanvoerders der Boeren geen achterdocht kregen.

Nu en dan zag men op de toppen der bergen eenige zwarte stippen; het

waren schildwachten der Zoeloe’s, die bij de nadering der Boeren snel

verdwenen, terwijl men des nachts de seinvuren des vijands zag

flikkeren.

In den namiddag van den 13. April 1838 sloegen de Boeren hun kamp op

bij Italeni, aan den voet van een hoogen bergrug, en den volgenden dag

hoopte men door een snelle beweging Dingaan’s hoofdstad, waarvan

slechts eenige mijlen afstands hen meer scheidden, te nemen, haar aan

de vlammen prijs te geven, en Dingaan van zijn troon te stooten.

Reeds bij het derde hanengekraai van den volgenden morgen was het

geheele lager in beweging. De paarden werden gezadeld, de

kampbenoodigdheden op de weinige wagens geladen, en de orde van den

tocht geregeld.

Piet Uijs leidde de voorhoede; Hendrik Potgieter en zijn mannen

volgden. Zoo kwam men voor een enge vallei, aan weerskanten ingesloten

door hooge, boschrijke bergen. De zon begon juist de toppen der hoogste

bergen te vergulden, toen men voor den ingang kwam van die vallei.

„Dat lijkt sprekend op een muizenval,” fluisterde Dirk Kloppers tot den

leeuwenjager, die naast hem reed.

De leeuwenjager knikte; hij was van dezelfde meening.

Ook Piet Uijs dacht iets dergelijks; die vredige vallei leek hem als

een poorte des doods.

„Is de weg veilig?” vraagde hij aan de patrouille, die op kondschap was

uitgezonden geweest.

„Veilig,” antwoordde de patrouille.

„Is er geen andere weg?” vraagde hij opnieuw.

„Men kan deze bergen omtrekken,” antwoordde de patrouille, „maar er

gaat veel kostbare tijd mee verloren, en de menschen hunkeren naar de

beslissing.”

De Boeren haakten naar de beslissing; dat was waar.

En de weg was veilig, rapporteerde de patrouille.

Pieter Uijs had zijn aarzeling overwonnen; hij richtte zich op in de

stijgbeugels en riep met krachtige stem: „Voorwaarts!”

De macht der Boeren bestond uit vijfhonderd man, waarvan de voorhoede,

door het geheele kommando gevolgd, nu in gesloten gelederen de

bergkloof insloeg.

Zonder eenig ongeval passeerde men de gevaarlijke punten.

Piet Uijs had zich blijkbaar noodeloos ongerust gemaakt. Wel werd het

in het bosch aan de rechterzijde plotseling levendig, maar de beweging

ontstond door een schaar wilde papegaaien, die bij het brieschen der

paarden opvlogen, en een paar opgeschrikte reebokken gingen in groote

sprongen voor de ruiters uit.

De voorhoede heeft nu gelukkig bijna den uitgang der gevaarlijke kloof

bereikt, maar daar—wat is dat? Is de uitgang versperd?

Neen, het kàn niet waar zijn.

Tòch is het waar.

Alsof ze uit den grond zijn opgerezen, zoo staan daar twee

Zoeloe-regimenten—in volle slagorde. Het breede, stalen lemmet der

stootassegaai flikkert in hun vuist, en zij slaan op hun leeren

schilden, dat het dreunt als het rommelen van den verren donder.

Tegelijkertijd begint er beweging te komen langs de begroeide hellingen

aan weerszijden van den weg, en het krijgsgeschreeuw der Zoeloe’s,

daverend van berg tot berg, doet de moedige Boerenharten sneller

kloppen.

„Houdt de gelederen gesloten!” roept Piet Uijs.

Op dit oogenblik dringt een Boer naar voren, naar de spits der

voorhoede, waar Piet Uijs zich bevindt, en rapporteert: „Kommandant

Potgieter laat u weten, dat de Zoeloe’s hem van achter aanvallen en de

vallei versperren!”

„De klep van de val is dicht,” meent Dirk Kloppers.

„Ik heb het niet anders verwacht,” zegt de leeuwenjager.

De Boeren zitten inderdaad in den val. Zij zijn geheel omsingeld; de

vredige vallei is werkelijk geworden eene poorte des doods.

Maar de dappere Piet Uijs, die zijn mannen hier heeft gebracht, zal die

poorte open breken door zijn sterken arm.

„Zeg aan kommandant Potgieter,” beveelt hij aan den rapportganger, „dat

hij mij van achter dekke! Onze weg ligt voorwaarts!”

Tegelijkertijd kommandeert hij vuur, en de kogels der Boeren slaan een

stuiptrekkende opening in den Kaffermuur voor hen.

Potgieter kon aan den wensch van Piet Uijs niet meer voldoen, want de

snelvoetige Zoeloe’s waren, van de hellingen der bergen naar beneden

stormend, reeds als een wig tusschen de voor- en achterhoede der Boeren

ingedrongen.

Potgieter achtte het dus het verstandigst, om eerst van achter zich

ruimte te maken, en daarna zich door te slaan naar de voorhoede.

In dien geest gaf hij bevel, snel eenige salvo’s op de Zoeloe’s die van

achter opdrongen, te geven, dan te paard te springen, en in vollen

galop door den Kaffermuur heen te breken.

De order werd even snel als onverschrokken uitgevoerd, en voordat de

slagorde der Zoeloe’s, door de hevige losbrandingen van het geweer in

verwarring gebracht, zich kon herstellen, zaten de ruiters er reeds

tusschen in en maakten ruim baan.

Het eerste gedeelte van het krijgsplan was schitterend en met

betrekkelijk gering verlies uitgevoerd. Slechts een paar Boeren waren,

door de werpassegaai getroffen, achtergebleven in de bres. Doch nu kwam

het tweede gedeelte van het krijgsplan: zich opnieuw te wagen in die

enge vallei, in die poorte des doods, zich door te slaan door de van

vijanden krioelende kloof, en zich te vereenigen met de voorhoede.

Potgieter wendde nu den teugel van zijn paard en kommandeerde: „Terug

mannen, de kloof in! En aansluiting gezocht met de voorhoede!” doch

deze order is nooit uitgevoerd.

Werd het bevel niet gehoord of begrepen—wie zal het zeggen?

Slechts een handvol dapperen schaarden zich aan Potgieter’s zijde,

terwijl de anderen het open veld opgingen. Onder deze omstandigheden

viel er niet aan te denken om de voorhoede bij te springen, en

Potgieter had al zijn beleid noodig, om zelf niet door de overstelpende

overmacht des vijands dood gedrukt te worden, en met droefheid in de

ziel en bestendig vurend, trok de dappere kommandant langzaam terug

naar de vlakte.

Intusschen was de voorhoede onder Piet Uijs in een bloedigen strijd

gewikkeld, en hij streed als de leeuw, die door de wolven omsingeld is.

Nog altijd hoopte men op hulp van Potgieter, maar Karel Landman, die

met onbezweken moed tot nog toe had gevochten, riep, op een steilte

gekomen, van waar hij de geheele vallei kon overzien: „Potgieter en

zijn mannen trekken terug—nu is alles verloren!” Maar zijn ervaren oog

ontdekte tegelijkertijd, dat ter linkerzijde nog een uitweg was uit de

doodelijke kloof, en hij haastte zich, dit den kommandant mede te

deelen.

„Neem dan dien uitweg,” zeide Piet Uijs snel beraden, „en ik zal met

eenige manschappen den aftocht dekken!”

Zoo geschiedde het, en de Boeren trokken al vechtende terug, het open

veld in, dat met lang Tamboeki-gras was bedekt.

Juist hield Piet Uijs zijn paard even in, om den vuursteen van zijn

geweer te scherpen, toen uit dat lange gras de gespierde arm van een

Zoeloe-krijger zichtbaar werd. Op hetzelfde oogenblik drong een speer

met kracht in de rechterheup van den wakkeren aanvoerder, dien hij met

eigen hand nog uit de wond trok.

Tegelijkertijd stortte het paard neer van een Boer, met name Nel, die

naast hem reed.

„Om ’s hemels wil, kommandant,” smeekte Nel, „laat mij niet in handen

van den vijand vallen!”

„Neen, broeder,” antwoordde de zwaargewonde, „dat zal ik niet doen.

Spring achter op mijn paard; het is sterk, en zal ons beiden dragen!”

Nel haastte zich om het te doen, doch het paard van Uijs had nog maar

weinige stappen gedaan, toen Nel met de handen naar boven tastte, alsof

hij een houvast zocht, en door een doodelijken speerworp getroffen,

tuimelde hij van het paard.

Uijs was intusschen doodsbleek geworden; slechts met moeite hield hij

zich in het zadel. Twee van zijn manschappen plaatsten zich nu met hun

paarden aan weerskanten van den geliefden aanvoerder, hem onder het

rijden ondersteunende.

Maar de dappere Voortrekker had genoeg; hij voelde zijn einde naderen.

Hij nam afscheid van zijn krijgsmakkers, beval hen—het was zijn laatste

order!—hem te verlaten, om voor hun eigen leven te zorgen, en nam

afscheid met de woorden: „Denkt aan mijn vrouw en kinderen, strijdt

voor uw volk en houdt God voor oogen!”

Vol weemoed en droefheid, maar toch nog met de stille hoop in het hart,

dat zij hem straks nog zouden kunnen redden, lieten zijn makkers hem

achter.

Helaas! Het was een ijdele hoop. Zij waren nog niet ver gekomen, toen

zij den sterken man zagen waggelen en van het paard vallen.

Dirk, de twaalfjarige zoon van Piet Uijs, was een eind vooruit.

De zwaargewonde aanvoerder hief uit het lange gras, waar hij lag, nog

het stervende hoofd op, om te zien, of Dirk in veiligheid was.

Hij ontdekte hem, en wenkte hem met de laatste krachtsinspanning om te

vluchten. Maar het heldenbloed zijner vaderen klopte in het hart van

dien jongen; hij wendde zijn paard. Drie Zoeloe’s schoot hij neer; toen

viel hij, door een assegaai doodelijk getroffen, in de armen van zijn

stervenden vader.

Dat was het einde van Piet Uijs, dien de Boeren den Dappere noemen, en

van zijn heldenzoon Dirk. Maar het Boeren-kommando trok, door de

snelvoetige Zoeloe’s onophoudelijk bestookt en verontrust,

teleurgesteld en ontmoedigd terug.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 22 / 40 题