Onder aanvoering hunner beproefde voormannen Piet Uijs en Hendrik
Potgieter (laatstgenoemde was na den dood van Retief over het
Drakengebergte ter hulpe gesneld), trokken de Boeren tegen Dingaan op,
om het onschuldig verraden bloed te wreken.
De jonge Boeren uit Kloppers’ lager sloten zich bij den tocht aan, doch
Gert Kloppers en de andere huisvaders bleven, daar het gevaar van
overrompeling niet gering was, ter verdediging in het lager achter.
Dingaan zou van twee kanten worden aangevallen: door de Engelsche
kolonisten, die aan de kust woonden, en die voor de Zoeloe’s even
beducht mochten zijn als de Boeren, van de Zuidzijde, en door de Boeren
van de Westzijde.
Het Boeren-kommando bestond uit ongeveer vijfhonderd man. Daar kon
Dingaan twintig duizend soldaten tegenover stellen: krijgers, gehard in
den strijd. Wel hadden de Boeren geweren, doch tegen één geweer stonden
veertig assegaaien!
De Boeren rukten recht op Dingaan’s hoofdstad aan. ’t Was
verwonderlijk, hoe weinig tegenstand zij ondervonden. Maar ’t was nog
verwonderlijker, dat de aanvoerders der Boeren geen achterdocht kregen.
Nu en dan zag men op de toppen der bergen eenige zwarte stippen; het
waren schildwachten der Zoeloe’s, die bij de nadering der Boeren snel
verdwenen, terwijl men des nachts de seinvuren des vijands zag
flikkeren.
In den namiddag van den 13. April 1838 sloegen de Boeren hun kamp op
bij Italeni, aan den voet van een hoogen bergrug, en den volgenden dag
hoopte men door een snelle beweging Dingaan’s hoofdstad, waarvan
slechts eenige mijlen afstands hen meer scheidden, te nemen, haar aan
de vlammen prijs te geven, en Dingaan van zijn troon te stooten.
Reeds bij het derde hanengekraai van den volgenden morgen was het
geheele lager in beweging. De paarden werden gezadeld, de
kampbenoodigdheden op de weinige wagens geladen, en de orde van den
tocht geregeld.
Piet Uijs leidde de voorhoede; Hendrik Potgieter en zijn mannen
volgden. Zoo kwam men voor een enge vallei, aan weerskanten ingesloten
door hooge, boschrijke bergen. De zon begon juist de toppen der hoogste
bergen te vergulden, toen men voor den ingang kwam van die vallei.
„Dat lijkt sprekend op een muizenval,” fluisterde Dirk Kloppers tot den
leeuwenjager, die naast hem reed.
De leeuwenjager knikte; hij was van dezelfde meening.
Ook Piet Uijs dacht iets dergelijks; die vredige vallei leek hem als
een poorte des doods.
„Is de weg veilig?” vraagde hij aan de patrouille, die op kondschap was
uitgezonden geweest.
„Veilig,” antwoordde de patrouille.
„Is er geen andere weg?” vraagde hij opnieuw.
„Men kan deze bergen omtrekken,” antwoordde de patrouille, „maar er
gaat veel kostbare tijd mee verloren, en de menschen hunkeren naar de
beslissing.”
De Boeren haakten naar de beslissing; dat was waar.
En de weg was veilig, rapporteerde de patrouille.
Pieter Uijs had zijn aarzeling overwonnen; hij richtte zich op in de
stijgbeugels en riep met krachtige stem: „Voorwaarts!”
De macht der Boeren bestond uit vijfhonderd man, waarvan de voorhoede,
door het geheele kommando gevolgd, nu in gesloten gelederen de
bergkloof insloeg.
Zonder eenig ongeval passeerde men de gevaarlijke punten.
Piet Uijs had zich blijkbaar noodeloos ongerust gemaakt. Wel werd het
in het bosch aan de rechterzijde plotseling levendig, maar de beweging
ontstond door een schaar wilde papegaaien, die bij het brieschen der
paarden opvlogen, en een paar opgeschrikte reebokken gingen in groote
sprongen voor de ruiters uit.
De voorhoede heeft nu gelukkig bijna den uitgang der gevaarlijke kloof
bereikt, maar daar—wat is dat? Is de uitgang versperd?
Neen, het kàn niet waar zijn.
Tòch is het waar.
Alsof ze uit den grond zijn opgerezen, zoo staan daar twee
Zoeloe-regimenten—in volle slagorde. Het breede, stalen lemmet der
stootassegaai flikkert in hun vuist, en zij slaan op hun leeren
schilden, dat het dreunt als het rommelen van den verren donder.
Tegelijkertijd begint er beweging te komen langs de begroeide hellingen
aan weerszijden van den weg, en het krijgsgeschreeuw der Zoeloe’s,
daverend van berg tot berg, doet de moedige Boerenharten sneller
kloppen.
„Houdt de gelederen gesloten!” roept Piet Uijs.
Op dit oogenblik dringt een Boer naar voren, naar de spits der
voorhoede, waar Piet Uijs zich bevindt, en rapporteert: „Kommandant
Potgieter laat u weten, dat de Zoeloe’s hem van achter aanvallen en de
vallei versperren!”
„De klep van de val is dicht,” meent Dirk Kloppers.
„Ik heb het niet anders verwacht,” zegt de leeuwenjager.
De Boeren zitten inderdaad in den val. Zij zijn geheel omsingeld; de
vredige vallei is werkelijk geworden eene poorte des doods.
Maar de dappere Piet Uijs, die zijn mannen hier heeft gebracht, zal die
poorte open breken door zijn sterken arm.
„Zeg aan kommandant Potgieter,” beveelt hij aan den rapportganger, „dat
hij mij van achter dekke! Onze weg ligt voorwaarts!”
Tegelijkertijd kommandeert hij vuur, en de kogels der Boeren slaan een
stuiptrekkende opening in den Kaffermuur voor hen.
Potgieter kon aan den wensch van Piet Uijs niet meer voldoen, want de
snelvoetige Zoeloe’s waren, van de hellingen der bergen naar beneden
stormend, reeds als een wig tusschen de voor- en achterhoede der Boeren
ingedrongen.
Potgieter achtte het dus het verstandigst, om eerst van achter zich
ruimte te maken, en daarna zich door te slaan naar de voorhoede.
In dien geest gaf hij bevel, snel eenige salvo’s op de Zoeloe’s die van
achter opdrongen, te geven, dan te paard te springen, en in vollen
galop door den Kaffermuur heen te breken.
De order werd even snel als onverschrokken uitgevoerd, en voordat de
slagorde der Zoeloe’s, door de hevige losbrandingen van het geweer in
verwarring gebracht, zich kon herstellen, zaten de ruiters er reeds
tusschen in en maakten ruim baan.
Het eerste gedeelte van het krijgsplan was schitterend en met
betrekkelijk gering verlies uitgevoerd. Slechts een paar Boeren waren,
door de werpassegaai getroffen, achtergebleven in de bres. Doch nu kwam
het tweede gedeelte van het krijgsplan: zich opnieuw te wagen in die
enge vallei, in die poorte des doods, zich door te slaan door de van
vijanden krioelende kloof, en zich te vereenigen met de voorhoede.
Potgieter wendde nu den teugel van zijn paard en kommandeerde: „Terug
mannen, de kloof in! En aansluiting gezocht met de voorhoede!” doch
deze order is nooit uitgevoerd.
Werd het bevel niet gehoord of begrepen—wie zal het zeggen?
Slechts een handvol dapperen schaarden zich aan Potgieter’s zijde,
terwijl de anderen het open veld opgingen. Onder deze omstandigheden
viel er niet aan te denken om de voorhoede bij te springen, en
Potgieter had al zijn beleid noodig, om zelf niet door de overstelpende
overmacht des vijands dood gedrukt te worden, en met droefheid in de
ziel en bestendig vurend, trok de dappere kommandant langzaam terug
naar de vlakte.
Intusschen was de voorhoede onder Piet Uijs in een bloedigen strijd
gewikkeld, en hij streed als de leeuw, die door de wolven omsingeld is.
Nog altijd hoopte men op hulp van Potgieter, maar Karel Landman, die
met onbezweken moed tot nog toe had gevochten, riep, op een steilte
gekomen, van waar hij de geheele vallei kon overzien: „Potgieter en
zijn mannen trekken terug—nu is alles verloren!” Maar zijn ervaren oog
ontdekte tegelijkertijd, dat ter linkerzijde nog een uitweg was uit de
doodelijke kloof, en hij haastte zich, dit den kommandant mede te
deelen.
„Neem dan dien uitweg,” zeide Piet Uijs snel beraden, „en ik zal met
eenige manschappen den aftocht dekken!”
Zoo geschiedde het, en de Boeren trokken al vechtende terug, het open
veld in, dat met lang Tamboeki-gras was bedekt.
Juist hield Piet Uijs zijn paard even in, om den vuursteen van zijn
geweer te scherpen, toen uit dat lange gras de gespierde arm van een
Zoeloe-krijger zichtbaar werd. Op hetzelfde oogenblik drong een speer
met kracht in de rechterheup van den wakkeren aanvoerder, dien hij met
eigen hand nog uit de wond trok.
Tegelijkertijd stortte het paard neer van een Boer, met name Nel, die
naast hem reed.
„Om ’s hemels wil, kommandant,” smeekte Nel, „laat mij niet in handen
van den vijand vallen!”
„Neen, broeder,” antwoordde de zwaargewonde, „dat zal ik niet doen.
Spring achter op mijn paard; het is sterk, en zal ons beiden dragen!”
Nel haastte zich om het te doen, doch het paard van Uijs had nog maar
weinige stappen gedaan, toen Nel met de handen naar boven tastte, alsof
hij een houvast zocht, en door een doodelijken speerworp getroffen,
tuimelde hij van het paard.
Uijs was intusschen doodsbleek geworden; slechts met moeite hield hij
zich in het zadel. Twee van zijn manschappen plaatsten zich nu met hun
paarden aan weerskanten van den geliefden aanvoerder, hem onder het
rijden ondersteunende.
Maar de dappere Voortrekker had genoeg; hij voelde zijn einde naderen.
Hij nam afscheid van zijn krijgsmakkers, beval hen—het was zijn laatste
order!—hem te verlaten, om voor hun eigen leven te zorgen, en nam
afscheid met de woorden: „Denkt aan mijn vrouw en kinderen, strijdt
voor uw volk en houdt God voor oogen!”
Vol weemoed en droefheid, maar toch nog met de stille hoop in het hart,
dat zij hem straks nog zouden kunnen redden, lieten zijn makkers hem
achter.
Helaas! Het was een ijdele hoop. Zij waren nog niet ver gekomen, toen
zij den sterken man zagen waggelen en van het paard vallen.
Dirk, de twaalfjarige zoon van Piet Uijs, was een eind vooruit.
De zwaargewonde aanvoerder hief uit het lange gras, waar hij lag, nog
het stervende hoofd op, om te zien, of Dirk in veiligheid was.
Hij ontdekte hem, en wenkte hem met de laatste krachtsinspanning om te
vluchten. Maar het heldenbloed zijner vaderen klopte in het hart van
dien jongen; hij wendde zijn paard. Drie Zoeloe’s schoot hij neer; toen
viel hij, door een assegaai doodelijk getroffen, in de armen van zijn
stervenden vader.
Dat was het einde van Piet Uijs, dien de Boeren den Dappere noemen, en
van zijn heldenzoon Dirk. Maar het Boeren-kommando trok, door de
snelvoetige Zoeloe’s onophoudelijk bestookt en verontrust,
teleurgesteld en ontmoedigd terug.