Met het geschetste moordtooneel heeft de Zoeloekoning de algemeene
slachting ingeluid, en van uit de hoofdstad verspreidden zich zijn
regimenten, om de onbezorgde Boeren te overrompelen.
Acht dagen lang heeft dit moorden geduurd, en het zou met de Boeren nog
veel hachelijker hebben gestaan, indien de verhaalde veldbrand den Trek
der Boeren niet had vertraagd. Natal was het slagnet, waarin de
Emigranten moesten worden geworgd, en al was al het volk nog niet in
Natal, de voorhoede raakte in dat gespannen net toch vreeselijk
bekneld.
Langs een lijn van bijna zeven uren gaans, van af Rendsburgspruit tot
aan de Blauwkransrivier, werden de Boerenlagers plotseling
tegelijkertijd door een groote overmacht aangetast.
Aan de Rendsburgspruit stonden de wagens der familie Rendsburg. Wel
hadden zij uit de richting van het volgende lager, dat der Malans,
hooren schieten, doch in de noodlottige meening, dat Piet Retief met de
zijnen, die thuis werden verwacht, hun nadering door vreugdeschoten
kenbaar maakten, hadden zij aan geen vijand gedacht.
Zoo was er bij des vijands komst geen gelegenheid meer, om de wagens in
een kring te trekken, en have en goed in den steek latend, vluchtte men
op een steilen klipheuvel in de nabijheid.
Als razenden stormden de Zoeloe’s tegen den heuvel op, maar de Boeren
ontvingen hen met een moorddadig vuur, en sloegen hen terug. Doch thans
dreigde de ammunitie op te raken, en van de andere lagers, die eveneens
in grooten nood verkeerden, was geen hulp te verwachten.
In dit gevaarlijk oogenblik werd plotseling de breedgerande hoed
zichtbaar van een voortjagenden Boer. Het was Marthinus Oosthuizen, een
dappere kerel. Hij zag den hachelijken toestand der Rendsburgers, en in
plaats van op eigen lijfsbehoud bedacht te zijn, wendde hij
onmiddellijk den teugel, om hen bij te staan. Zij echter wenkten hem
met woorden en gebaren, om hun kruit te verschaffen, en wezen den wagen
aan, waar het te vinden was. Inderdaad gelukte het den vermetelen Boer,
een voldoende hoeveelheid kruit machtig te worden, waarmee hij zich bij
zijn stamgenooten voegde. De moed der arme menschen werd nu wonderlijk
gesterkt, en terwijl geen hunner werd gedood, zelfs niet gekwetst, lag
de helling van den heuvel bezaaid met gesneuvelde Kaffers, en de
Zoeloe’s gaven ’t op.
Te Doornkop stond een groot lager der Boeren, dat ongemoeid bleef, en
waar men van niets wist, totdat vluchtelingen, meest vrouwen en
kinderen, slechts in nachtgewaad gehuld, de vreeselijke ramp kwamen
mededeelen. Onmiddellijk werden de ossen voor de wagens gespannen, om
naar de bedreigde punten te trekken, de gewonden en zwakken op te
nemen, en te redden wat nog te redden was. Rechts en links hoorde men
voorttrekkende uit de verte den scherpen knal van het geweer en het
woeste gebrul der Zoeloe-Kaffers, maar er was op het oogenblik geen
denken aan, om de vrienden te helpen, want eerst moesten de
vluchtelingen worden opgezocht en verzorgd. Dadelijk echter werden er
rapporten gezonden aan de nakomende treinen, om zich in lagers te
vereenigen, daar de vijand in de nabijheid was.
Met de vluchtelingen keerde men naar het Doornkoplager terug, waarna de
paarden werden gezadeld, en veertig Boeren (de anderen moesten ter
verdediging van het lager achterblijven) uittrokken, om de benarde
lagers te helpen. Het eerst stietten zij op het lager van Viljoen, dat
den schok der Zoeloe’s had doorstaan, doch van al het vee was beroofd.
Te vreeselijker was de verwoesting van het volgende lager, dat der
Bezuidenhouts. Niemand, zelfs de zuigeling niet, was gespaard.
Vreemd was het, dat een vreemdeling, een blanke, in een der geplunderde
en gehavende ossenwagens werd ontdekt, bezig met geld te stelen. Hij
trachtte te vluchten, maar de Boeren schoten hem dood. Het bleek een
Engelschman te zijn.
De Boeren noemden de plek, waar het uitgemoorde lager had gestaan, de
„Moordkraal”, en met bange voorgevoelens in het hart werd de tocht
voortgezet.
Ach, het was een vreeselijke tocht! Langs de spruiten stonden de
ossenwagens: in groepen van drie, vier, zes stuks, en reeds aan den
weerloozen stand dier wagens kon men zien, dat de overrompeling
volkomen was geweest. Alle levende ziel was uitgeroeid: geworgd,
doorstoken, vermoord. Men kon zien, hoe de weerlooze vrouwen en
kinderen (de mannen waren meerendeels op de groote jacht) bijeen waren
gevlucht en zoo vermoord.
De omtrek van een volgende groep wagens bewees, dat hier lang en bitter
was gestreden, voordat de Kaffers hadden gezegepraald. Vele
Kafferlijken bedekten den grond, maar van de dappere verdedigers, de
Witten en de Botha’s, was ook niemand overgebleven. De gieren waren
reeds neergestreken op de blanke en zwarte lijken, maar de Boeren
joegen ze op, begroeven de bekenden, en dekten de anderen met het
huiflinnen der ossenwagens, opdat de familieleden hen zouden kunnen
herkennen.
En zoo ging het van groep tot groep—het was één afschuwelijk,
afgrijselijk bloedbad!
Hoe velen hadden nog getracht te vluchten! Maar de grimmige speer van
den moordenaar vond hen: onder een wagen, in een kuil, achter een
doornstruik—nergens was er schuiling geweest! Er was gemoord, geslacht
met satanische woede! Het hoofd van den zuigeling was verpletterd tegen
de ijzeren wielbanden van den ossenwagen, en de moeder lag er naast—met
opengereten lichaam....
Bij een baal rijst vond men een aantal personen vermoord; zij hadden
gemeend, dat het een baal kruit was, en betaalden hun vergissing met
hun leven.
In de nabijheid der uitgemoorde legerplaatsen hebben de Boeren later
een dorp gesticht, en hebben het „Weenen” genoemd. Zij hadden er geen
passender naam aan kunnen geven, want de harde grond is er waarlijk
week geworden van al de tranen, die er zijn geschreid.
Het lager van Gert Maritz, drie en dertig man sterk, kon zich gelukkig
staande houden. Ook het „Vechtlager” bij de Boschmansrivier doorstond
de Kafferwoede. Het gevecht duurde hier den ganschen dag, en reeds
begon de ammunitie op te raken, toen een goed gemikt schot uit een
drieponder verwarring bracht in de gelederen der Zoeloe’s. Van dit
oogenblik maakten de Boeren gebruik, om een krachtigen uitval te doen,
en de moordenaars sloegen op de vlucht.
Wonderen van dapperheid zijn in die bange dagen door de Boeren
verricht. De Oosthuizen’s, de Naudè’s, de de Beer’s, de Cilliersen, de
Pretoriussen, de Maritzen, en zoovele anderen, de vrouwen en dochters
der Voortrekkers niet te vergeten, zij hebben met een heldenmoed
gestreden, die onze eerbiedige hulde afdwingt, en hunne nagedachtenis
zal in eere blijven, zoolang voor heldenmoed en dapperheid nog harten
kloppen!
Het was voor de afwezige Boeren een ontzettend oogenblik, toen zij, des
avonds van de jacht terugkeerend, voor hunne uitgemoorde, uitgebrande
kampen stilhielden.
Daar lagen hun broeders, hunne vaders, hunne zonen: verslagen als de
helden van Israël op het gebergte van Gilboa!
Waar waren hunne lagers gebleven, die zij zoo hoopvol hadden verlaten?
Het vroolijk gezang der kinderen, het vriendelijke oog der
huisvrouw—waar was het gebleven?
Ach, alles wat hun lief en dierbaar was op deze aarde, het was
verdwenen, het was ondergegaan! En hun oog zag niets dan brandende
puinhoopen, afschuwelijk verminkte lijken en rookende bloedplassen!
Op de klipsteenen, die daar rond lagen, daar gingen de Boeren zitten.
En zij hieven hunne stem op en weenden....
En toen hunne oogen geen tranen meer hadden, toen stonden zij op. En
zij hieven hunne handen omhoog naar de sterren, die boven hunne hoofden
fonkelden, en zij zwoeren bij Hem, Die eeuwig leeft, dat zij dit
onschuldige bloed zouden wreken....