HOOFDSTUK XVI.

Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door

koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar

Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s

konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de

onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de

Boeren genoemd.

De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en

spoedig was de hoofdstad bereikt.

De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van

sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp

gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten

naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit

1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de

cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des

konings.

De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,

„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige

mocht spreken. Deze ging onmiddellijk tot den koning, rapporteerde de

aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten,

dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der

twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella

hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden

bevestigen.

De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel

werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden

uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag

voor den koning te verschijnen.

Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op

ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of

beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de

gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der

verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.

Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op

hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord

des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de

Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de

Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee

kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden

zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze

gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden

dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.

Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.

Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de

bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond”

werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van

gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de

gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant,

terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd

geschraagd.

Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van

gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin

een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden

vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning

gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als

aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten

heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een

gruwelijke moordplaats was.

De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar

zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen,

rooden sluier.

De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der

Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet

Retief volkomen vertrouwde.

Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s

soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het

tweegesprek het volgende verloop:

De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?

Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.

De koning: Waarom zijn jullie uit uw land getrokken?

Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.

De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?

Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen

loopend water.

De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en

water voorzien?

Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want

er is hout en water in overvloed.

De koning: Hebt gijlieden veel vee?

Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek

veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij

maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.

De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt

gevoerd?

Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij

vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk

uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.

De koning: Waar woont Moselekatse thans?

Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.

De koning: Is Moselekatse dood?

Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.

De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?

Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.

De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk

doodgeschoten?

Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.

De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij

Moselekatse heeft verjaagd?

Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet

hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij

dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!

De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer

voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het

ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.

De Boeren waren wonder in hun schik.

Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat

zeg je er van?”

„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.

„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk

zijn korte pijp.

Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp,

zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij

marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.

Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de

boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw

tot den koning.

Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had

blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van

den volgenden inhoud:

„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.

„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft

hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief

mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning

der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn

landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan

gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de

Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het

land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe,

en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”

Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het

gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des

konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven,

toch nog te ontcijferen.

Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd

afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde

men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.

De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij

wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten

uitvoeren.

De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en

reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf

vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het

ruime exercitieveld vier honderd poenskopossen, straks vervangen door

vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd

melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij

elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten

Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen

uitvoerden.

Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.

„Hoe vindt gij ’t?”

„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo

iets gezien!”

Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht

geweest.

„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe

vraag van den Zoeloe-vorst.

„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar;

wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”

„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.

„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning

zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat

ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan

en zijn volk.”

Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige

manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn

lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen

der ruiters goed kon waarnemen.

Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp;

de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden

de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar

schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk

drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in

galop terugkeerde naar het kamp.

Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings

verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den

volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de

regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in

vrede huns weegs te gaan.

De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den koning niet

onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen

zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen

niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!

Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde

zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te

worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was de laatste nacht

van hun leven.

Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en

begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.

Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan

het bevel.

Zij ontmoetten den koning op het exercitieveld en groetten hem

eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den

fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van

een wild, bloeddorstig beest.

Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun

oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring,

die gestadig nauwer werd.

Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart

vertrouwde op het koninklijk woord.

„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.

Toen liet de koning het masker plotseling vallen.

Hij stond op.

„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween

hij in zijn woning.

„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze

werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden

en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en

martelaren!

Een knots verbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai

scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem

uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.

Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond,

lachte ook.

Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde,

liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen;

ik laat de Boeren maar doodslaan.”

De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel gesleept, en

hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor

de aasvogels en het wild gedierte.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 20 / 40 题