Welgemoed was Piet Retief met zeventig der voornaamste Boeren, de door
koning Dingaan gewenschte beesten medevoerend, op weg gegaan naar
Zoeloeland. Onderweg halt houdend, ontving hij bericht door een van ’s
konings gezanten, dat hij voort mocht trekken naar Umkungunhlovu, de
onwelluidende naam van Dingaan’s hoofdstad, de Dingaanstad door de
Boeren genoemd.
De Boeren lieten zich de order des konings geen tweemalen zeggen, en
spoedig was de hoofdstad bereikt.
De stad besloeg een groote ruimte, en was omheind door een muur van
sterke doorntakken, terwijl aan weerszijden van die takken scherp
gepunte palen kruiselings in den grond geplant, met de scherpe punten
naar boven stonden. De stad was cirkelvormig gebouwd en bestond uit
1700 kafferhutten, die ruimte boden voor 34000 soldaten, terwijl de
cirkel een groot exercitieveld omspande, dat grensde aan de woning des
konings.
De Boeren wendden zich nu tot een der voornaamste hoofdmannen,
„Dingaansmond” genoemd, de eenige, die zonder verlof met den geweldige
mocht spreken. Deze ging onmiddellijk tot den koning, rapporteerde de
aankomst van de Boeren, noemde hun getal alsmede het aantal beesten,
dat zij mede brachten, en maakte tevens melding van de getuigenis der
twee Zoeloe-kapiteins, die den veldtocht van de Boeren tegen Sikonyella
hadden meegemaakt, en de verklaringen der Boeren onder eede wilden
bevestigen.
De koning scheen het rapport vriendelijk op te nemen. Op zijn bevel
werd er voor de gasten geslacht, en terwijl zij den tweeden dag zouden
uitrusten van den vermoeienden tocht, werd hen gelast, den derden dag
voor den koning te verschijnen.
Zoo maakten de Boeren dan hun kamp gereed op een kleinen heuvel, op
ongeveer honderd vijftig pas afstands van de stad, door een spruit of
beek er van gescheiden, en op driehonderd vijftig pas afstands van de
gerechtsplaats, waar het door de wilde dieren afgeknaagde gebeente der
verslagenen lag te bleeken in de heete Februarizon.
Waarschijnlijk waren er onder de Boeren meer dan één, die zich niet op
hun gemak gevoelden, doch het vertrouwen van Piet Retief op het woord
des konings was verwonderlijk groot, en toen den volgenden morgen de
Zoeloe’s als geschenk van den gastheer tien mooie slachtossen voor de
Boeren brachten, verdween het laatste spoor van wantrouwen. De twee
kapiteins, die den tocht tegen Sikonyella hadden meegemaakt, voegden
zich bij de blanken, hielden hen den geheelen dag op vriendelijke wijze
gezelschap, en de Boeren waren vol goede verwachting voor den derden
dag, toen zij bij koning Dingaan ter audiëntie verschenen.
Die verwachting werd voorloopig niet beschaamd.
Retief werd met vijf van zijn eerste raadsleden, vergezeld door de
bekende Zoeloe-kapiteins en den machtigen hoofdman, die „Dingaanmond”
werd genoemd, de raadzaal binnengelaten. Deze zaal was gemaakt van
gevlochten rotting, terwijl de vloer was belegd met matten, waarop de
gasten zich mochten nedervleien. Zij was twintig voet in het vierkant,
terwijl het dak door twee en twintig met kralen versierde pilaren werd
geschraagd.
Aan de raadzaal grensde de zitkamer des konings, eveneens van
gevlochten rotting gemaakt, terwijl van uit deze kamer door den tuin
een smalle, met klipsteen geplaveide gang naar een breedgetakten wilden
vijgeboom liep. Hier, in de schaduw van dezen boom, placht de koning
gaarne te zitten, als de zon heet werd, en de geheele stad lag daar als
aan zijn voeten. Van hier had hij ook een goed gezicht op den platten
heuvel, die de gerechtsplaats werd genoemd, maar inderdaad een
gruwelijke moordplaats was.
De koning ontving de Boeren in de raadzaal. Hij zat vlak voor hen, maar
zij konden zijn gelaat niet zien, want het was bedekt door een fijnen,
rooden sluier.
De ontvangst was uitmuntend. De koning was van de goede trouw der
Boeren blijkbaar overtuigd, en verklaarde, dat hij het rapport van Piet
Retief volkomen vertrouwde.
Volgens het geloofwaardig getuigenis, dat later een van Dingaan’s
soldaten aan een Transvaalschen Boer heeft afgelegd, had het
tweegesprek het volgende verloop:
De koning: Waar hebben jullie gewoond, alvorens ge hierheen trokt?
Retief: Wij komen uit een ver land, waar nog vele witmenschen wonen.
De koning: Waarom zijn jullie uit uw land getrokken?
Retief: Het land werd te eng voor de vele menschen, die er woonden.
De koning: Waarom zijt ge niet in den omtrek der Vaalrivier gebleven?
Retief: Het is daar een koude, kale wereld; er is geen geboomte en geen
loopend water.
De koning: Is het land, dat gij van mij wilt ruilen, goed van hout en
water voorzien?
Retief: Als wij dien grond konden krijgen, zouden wij blijde zijn, want
er is hout en water in overvloed.
De koning: Hebt gijlieden veel vee?
Retief: Wij zijn armer geworden aan vee, want wij hebben op den Trek
veel vee verloren. Toch hebben wij nog genoeg voor ons bedrijf, als wij
maar vruchtbaren grond kunnen krijgen.
De koning: Is het waar, Retief, dat gij met Moselekatse oorlog hebt
gevoerd?
Retief: De Boeren waren in geen oorlog met Moselekatse maar hij
vermoordde ons volk en nam onze beesten weg. Toen is ons volk
uitgetrokken, om het vee terug te krijgen.
De koning: Waar woont Moselekatse thans?
Retief: Hij en zijn volk zijn gevlucht.
De koning: Is Moselekatse dood?
Retief: Ik heb zijn lijk niet gezien; ik denk, dat hij nog leeft.
De koning: Heeft uw volk veel van Moselekatse’s vee genomen?
Retief: Ja, want Moselekatse had ook veel van ons vee genomen.
De koning: Hebben uw vrienden vele van Moselekatse’s volk
doodgeschoten?
Retief: Ja. De Kaffers vochten dapper, en velen van hen sneuvelden.
De koning: Waarom woont Retief niet in het land, waaruit hij
Moselekatse heeft verjaagd?
Retief: Wij willen niet in het land van een ander wonen, dat wij niet
hebben gekocht of geruild. En Moselekatse is nu gevlucht—hoe zullen wij
dan met hem kunnen spreken over het ruilen van grond, o koning!
De koning was over de antwoorden van den blanken man blijkbaar zeer
voldaan, zeide hem, dat hij een naderen dag zou bepalen, om over het
ruilen van grond te spreken, en liet de vreemdelingen gaan in vrede.
De Boeren waren wonder in hun schik.
Piet Retief sloeg zijn nevenman lachend op de schouders: „Nu maat, wat
zeg je er van?”
„’t Zal wel losloopen,” meende deze tevreden.
„Dat denk ik ook,” zeide Piet Retief met klem, en stopte welbehagelijk
zijn korte pijp.
Den volgenden, den vierden dag, bleven de Boeren rustig in hun kamp,
zagen nu en dan een goed gedrild regiment van den Zoeloe-koning voorbij
marcheeren, en wachtten op de boodschap van koning Dingaan.
Zij behoefden niet lang te wachten. Reeds den anderen dag kwam de
boodschap, en de Boeren gingen vol hoop op een goeden uitslag opnieuw
tot den koning.
Hun stoutste verwachtingen werden nog overtroffen; de koning had
blijkbaar een welgevallen aan de blanken, en hij teekende een stuk van
den volgenden inhoud:
„Umkungunhlovu, 4 Februari 1838.
„Zij het aan allen kennelijk, dat aangezien Piet Retief mijn vee heeft
hernomen, dat Sikonyella van mij had gestolen, welk vee gezegde Retief
mij nu heeft afgeleverd, zoo verklaar en certificeer ik Dingaan, koning
der Zoeloe’s, dat ik heb goed gedacht, aan hem Retief en zijn
landgenooten af te staan de plaats Port-Natal met al het land, daaraan
gelegen, dat is te zeggen van de Tugelarivier tot aan de
Umzimvuburivier ten westen, en van de zee naar het noorden, zoo ver het
land bruikbaar moge zijn en aan mij toebehoort—hetwelk ik bij deze doe,
en hun schenk als hun voortdurend eigendom.”
Dit historische dokument moet nog te vinden zijn in het
gouvernementsarchief te Pieter-Maritzburg, en de handteekening des
konings: „Marthinus Dingaan” is, alhoewel zeer onduidelijk geschreven,
toch nog te ontcijferen.
Retief stak het kostbaar dokument, waarbij Natal aan de Boeren werd
afgestaan, in zijn zak, en nu het groote doel was bereikt, verlangde
men naar huis, om daar de blijde tijding te brengen.
De koning echter verzocht de gasten, nog één dag te vertoeven, want hij
wilde ter hunner eer zijn regimenten nog een oorlogsdans laten
uitvoeren.
De Boeren konden, zonder onbeleefd te schijnen, moeilijk weigeren, en
reeds vroeg in den volgenden morgen liet de koning Retief met zijn vijf
vertrouwdste vrienden roepen. Op Dingaan’s bevel verschenen nu op het
ruime exercitieveld vier honderd poenskopossen, straks vervangen door
vier honderd zwartrugossen, voor welke ten slotte vier honderd
melkwitte ossen, de zoogenaamde vredeossen, in de plaats kwamen. Bij
elke dezer drie prachtige groepen ossen behoorden twee regimenten
Zoeloe-soldaten, die voor de oogen der Boeren hun oorlogsdansen
uitvoerden.
Toen deze spelen geëindigd waren, richtte zich de koning tot Retief.
„Hoe vindt gij ’t?”
„Ik vind het mooi,” was het antwoord; „nog nooit, o koning, heb ik zoo
iets gezien!”
Retief sprak de waarheid; het was een schilderachtig, prachtig gezicht
geweest.
„Hebt gij ook zulke groote groepen ossen van één kleur?” was de nieuwe
vraag van den Zoeloe-vorst.
„Neen,” antwoordde Retief; „wij houden de kleuren niet zoo bij elkaar;
wij gebruiken de ossen, om de wagens te trekken.”
„Dan zijt ge niet zoo’n groot koning als ik,” meende Dingaan.
„Ik zie,” was het antwoord, „dat gij een machtig, goed en rijk koning
zijt, dat gij uw scepter uitstrekt over een groot volk, en ik denk, dat
ik en mijn volk in vrede en vriendschap zullen leven met koning Dingaan
en zijn volk.”
Doch nu was het de beurt aan Retief, om met zijne manschappen eenige
manoeuvres uit te voeren, en de koning zette zich neder op zijn
lievelingsplek, onder den wilden vijgeboom, van waar hij de bewegingen
der ruiters goed kon waarnemen.
Retief liet dus zijn zeventig manschappen opzadelen in het oude kamp;
de geweren werden geladen met los kruit, en in twee afdeelingen reden
de Boeren naar de door den koning aangewezen plek. Hier werden een paar
schitterende ruiterstukjes uitgevoerd, vervolgens zoo snel mogelijk
drie salvo’s afgegeven, waarna de paarden werden omgeworpen, en men in
galop terugkeerde naar het kamp.
Nu zouden de Boeren dan vertrekken, doch een adjudant des konings
verzocht hen uit des konings naam, nog één nacht te blijven, om den
volgenden morgen als des konings gasten bier met hen te drinken, de
regimenten nog eens hun oorlogsspelen te zien uitvoeren, en dan in
vrede huns weegs te gaan.
De Boeren verlangden naar huis, maar zij wilde den koning niet
onaangenaam zijn; zoo bleven zij in hun kamp. Zwermen aasvogels zagen
zij neerstrijken op den moordheuvel daar voor hen, doch dit deerde hen
niet. Morgen, morgen gingen zij immers naar huis!
Zij zaten met elkander te keuvelen en te praten, totdat de milde
zomeravond zijn schaduwen wierp over het lager. Het begon koeler te
worden en zij vleiden zich neder om te slapen—het was de laatste nacht
van hun leven.
Retief en zijn zeventig mannen waren den volgenden morgen vroeg op, en
begaven zich tot het afscheidsbezoek naar den koning.
Hun werd gezegd, de geweren achter te laten; de argeloozen voldeden aan
het bevel.
Zij ontmoetten den koning op het exercitieveld en groetten hem
eerbiedig. Hij groette terug, maar tusschen het gaas door van den
fijnen, rooden sluier, die zijn gelaat bedekte, flikkerden de oogen van
een wild, bloeddorstig beest.
Het bier werd rondgedeeld, en de Zoeloe-regimenten voerden hun
oorlogsdansen uit. Allengs vormden zij om de Boeren een wijden kring,
die gestadig nauwer werd.
Nog altijd vermoedde Retief geen verraad; zijn trouw en eerlijk hart
vertrouwde op het koninklijk woord.
„Het wordt tijd!” fluisterde Tambuza, Dingaan’s eerste minister.
Toen liet de koning het masker plotseling vallen.
Hij stond op.
„Slaat de toovenaars dood!” brulde hij, en zich omkeerende, verdween
hij in zijn woning.
„Verraad!” gilden de Boeren, terwijl zij hun messen trokken, maar ze
werden verzwolgen door de overstelpende macht des vijands. Zij streden
en worstelden tot het bittere einde, en vielen als helden en
martelaren!
Een knots verbrijzelde de hersenpan van Piet Retief; een assegaai
scheurde zijn lichaam open, en het nog kloppende, trouwe hart werd hem
uit het lijf gereten en aan Dingaan gebracht.
Toen lachte de bloedhond, en de satan, die vlak achter hem stond,
lachte ook.
Maar aan den Engelschen zendeling Owen, die aan het „hof” verkeerde,
liet Dingaan deze boodschap brengen: „Verontrust u niet, mijnheer Owen;
ik laat de Boeren maar doodslaan.”
De vermoorde Boeren werden intusschen naar den moordheuvel gesleept, en
hun lijken op een hoop geworpen. Daar bleven zij liggen: een spijs voor
de aasvogels en het wild gedierte.