Ga op deze hoogte staan. Leun met den rug tegen den rotswand achter u;
dat geeft meer stevigheid.
Ge bevindt u nu midden in het Drakengebergte.
Aan uw rechterhand verheffen zich zuilen van graniet; hunne toppen
verdwijnen in de wolken. Aan uw linkerhand ziet ge huiveringwekkend
diepe afgronden, en wild, woest gescheurde kloven. Maar voor u uit, het
zuiden in, lacht een heerlijk, vruchtbaar land u tegen, bedekt met
schaduwrijke bosschen, dooraderd van kabbelende rivieren: dat is Natal.
’t Is wonderschoon, ’t is eenig op deze plek. Onverstoorbare
sabbatsrust schijnt hier te heerschen.
De wouden langs de hellingen van het gebergte ruischen in den
morgenwind; klaterende watervallen spatten als blinkend zilver neer,
het liefelijk gekweel der zangvogels, die hun Schepper prijzen, streelt
uw oor, en hoog boven u, in duizelingwekkende hoogte, schittert op de
kruin der bergen eeuwige sneeuw.
Niets verstoort de zoete rust—maar hoort ge daar niet het geknal der
zweep? En het ratelen van een wagen heel in de verte?
’t Is weer stil; ’t was maar verbeelding.
Neen, ’t is geen verbeelding, nu hoort ge het gedruisch weer,
duidelijker nog dan zoo even. Ge hoort een geknars als van tientallen
wagenwielen, en daartusschen luide kommando’s, driftige uitroepen en
het geloei der ossen.
Blijft nu staan en let op, want ge zult een der merkwaardigste en der
stoutste tochten zien, die de Afrikaansche voortrekkers ooit hebben
gemaakt.
De weg, dien de ossenwagens moeten nemen, kan geen weg worden genoemd.
Verscheidene dagen hebben de Boeren aan het „pad” gewerkt, om het
eenigszins berijdbaar te maken. De grootste klippen zijn weggeruimd; de
diepste kuilen gevuld; de steilste plekken afgestoken; de watergeulen
gedempt; hinderend houtgewas weggekapt.
Toen dit gebeurd was, zeiden de Boeren: „Nu maar vooruit!”
Daar in de verte komt een ossenwagen aanhotsen.
Slechts een of twee menschen zitten op den wagen; de anderen loopen er
voor of achter: de Boeren met het geweer over den schouder; de kinderen
aan de hand hunner moeders.
De ossenwagen is zwaar beladen; de opgestapelde goederen zijn stevig
vastgesjord. Met dubbelgeremde wielen gaat het de hoogte af. Ge kunt er
van ijzen, als ge denkt aan de mogelijkheid, dat de remketting kan
losraken, dat de disselboom kan breken, dat de ossen kunnen schrikken,
ginds, bij dien gevaarlijken draai!
Daar komt de wagen aan een punt, waar het „pad” bestaat uit trappen van
klippen; trappen van een tot vier voet hoogte.
De wagen bonst over die trappen naar beneden; ’t is onbegrijpelijk, dat
hij nog heel is.
Nu eens is het „pad” zoo schuin, dat de wagen dreigt om te vallen, dan
weer is het zoo steil, dat de acht juk ossen den wagen nauwelijks
omhoog kunnen tornen. Nu eens moet de wagen langs den rotswand heen
schuren, om niet aan den anderen kant in een duizend voet diepen
afgrond verpletterd te worden: dan weer moet hij tusschen de
rotsblokken heen gewrongen worden, zoodat ge zegt: Hoe krijgen de
Boeren dat gedaan!
En toch krijgen ze ’t gedaan. Niet met tien of twintig maar met duizend
ossenwagens, in behoorlijke tusschenruimten, zijn zij over het
Drakengebergte getrokken, en wat nog ongeloofelijker klinkt: slechts
één ossenwagen [10] is op dien tocht verongelukt!
Het is een liefelijke namiddag in de maand Februari 1838.
Gert Kloppers, die zich met zijn lagergenooten in de voorhoede bevond
der naar Natal aftrekkende Boeren, heeft thans den even moeilijken als
gevaarvollen tocht over het Drakengebergte achter den rug. Aan den
oever van een vriendelijk rivierke zijn de wagens uitgespannen en de
tenten opgezet.
Alles ademt vrede, rust.
Gert Kloppers en Floor zijn de eenige weerbare mannen in het lager; de
anderen zijn reeds dagen geleden op de groote jacht gegaan, en kunnen
nog dagen wegblijven. ’t Is waarschijnlijk, dat het gezelschap van
Barend Jansen het eerst terugkomt; het gezelschap jonge Boeren onder
leiding van Dirk Kloppers wordt later verwacht.
Terwijl Kloppers bezig is, de geweren na te zien, zijn Floor en Willem
naar het bosch gegaan, om zich te oefenen in het werpen van de
assegaai. De moeders verrichten haar huiselijk werk, of stoeien met
haar kinderen in het frissche gras.
Niet ver van het lager, in de schaduw van een weelderig opschietenden
wilgenboom, is Mieke Kloppers aan het kousen breiden, en opblikkend van
haar werk, ziet zij den leeuwenjager naderen.
De leeuwenjager is mee geweest in het gezelschap, dat Piet Retief, den
moedigen Kommandant-Generaal der Boeren, heeft vergezeld op diens tocht
naar koning Dingaan, die over Natal en Zoeloeland regeert.
De leeuwenjager gaat recht op Mieke af, die hem hartelijk de hand
drukt.
„Wel,” zegt ge, „waar hebt ge al dien tijd gezworven?”
„Ik ben mee geweest naar Dingaan.”
„En wat nieuws brengt ge mee?”
„Wat ik weet, zult ge reeds vernomen hebben. Het doel der reis was, om
van Dingaan Natal te koopen. Hij hield zich eerst, alsof hij boos was,
en verweet aan Retief, dat de Boeren zijn vee hadden gestolen. Retief
maakte hem echter duidelijk, dat de eigenlijke dieven Kaffers waren van
de Witte Bergen, onder aanvoering van Sikonyella, die, om de Boeren in
verdenking te brengen, bij hun rooverijen expres kleeren hadden
aangetrokken. Enfin, toen scheen Dingaan te bedaren, en hij verklaarde
aan de Emigranten-Boeren Natal te willen afstaan, waaraan hem niet veel
gelegen scheen, indien hem de beesten werden teruggebracht. Met een
kommando Boeren zijn wij toen op de roovers afgetrokken, en hebben het
vee hernomen. En nu is Piet Retief met zeventig Boeren weer op Dingaan
af, om de beesten terug te bezorgen, en de acte van afstand van Natal
aan de Boeren in orde te krijgen. Doch, zooals gezegd, dit weet ge
reeds.”
„Hoe ziet koning Dingaan er uit?”
„Eerlijk gezegd, als een tijger, die bloed ruikt.”
„Men zegt, dat hij zijn broeder heeft vermoord, om op den troon te
komen.”
„Er zijn erger dingen van hem bekend; zijn vrouwen laat hij vermoorden,
om geen kinderen te krijgen....”
„’t Is afgrijselijk!”
„Want hij vreest, dat die kinderen hem later van den troon zouden
kunnen stooten. Hij heeft een kind, dat hem geboren werd, met eigen
hand tegen de rotsen verpletterd.”
„Zoo’n monster—en in het hol van zoo’n monster waagt zich Retief?”
„Hoor eens, Mieke, Retief is een onzer meest geachte Boeren, en hij
verdient die achting ten volle. Doch ik vrees, dat hij te veel op
Dingaan’s woorden bouwt. Misschien rekent hij ook op den gunstigen
invloed van den Engelschen zendeling Owen, die thans aan het hof van
Dingaan is.”
Er volgde een pauze, waarna Mieke zeide: „Waar gaat je zwerftocht nu
weer heen?”
„Ik heb genoeg van het zwerven, Mieke.”
„Zoo, Teunis, dat is wat nieuws.”
„Ik wil gaan trouwen.”
„Kom, nu wordt het nog mooier—trouwen op den Trek.”
„Waarom niet? Ouderling de Jong kan het huwelijk kerkelijk, en de
kommandant-generaal kan het burgerlijk voltrekken. ’t Is verleden jaar
ook gebeurd, meer dan eens.”
„Maar ge moet toch met uw tweeën zijn om te trouwen?” zeide zij
lachend.
„Nu, wij zijn met ons tweeën!”
„Ik begrijp je niet.”
„Wij zijn toch met ons tweeën, Mieke, gij en ik? Is ’t niet zoo?”
„Is het zoo bedoeld?” zeide Mieke en zij liet de breinaalden vallen—van
verlegenheid of verbazing, wie zal ’t zeggen?
Er volgde een nieuwe pauze, waarna Mieke zeide: „Die tweede zal toch
ook moeten willen, is ’t niet?”
„Ja,” zeide de leeuwenjager, „en daarom kom ik het vragen. Zie, Mieke,
ik ben nu twee en dertig jaar, en ik voel me een vreemdeling onder mijn
eigen volk. Vader of moeder, broeders of zusters heb ik niet meer;
verwondert het je, dat ik me eenzaam gevoel? Trouwens, wat is een Boer
zonder een huisgezin? Hij wortelt niet in zijn volk; hij staat er
buiten. Ziet ge den dorren tak tusschen die groene twijgen, daar boven
uw hoofd? Dat is het beeld van een Boer, die geen huisgezin heeft. Hij
moet een vrouw hebben, hij moet kinderen hebben, waarvoor hij werken,
waarvoor hij zorgen kan. Dan eerst slaat hij zijn wortelen uit.”
Hij zeide dit, en nog veel meer zeide hij. Er kwam in zijn stem zoo’n
bijzondere, warme toon, zooals Mieke nog nooit van hem had gehoord, en
hij sprak naar haar hart, want hij had haar lief.
Op zijn geweer geleund, zoo stond hij voor haar, en de glans der in het
westen wegzinkende avondzon viel op zijn gestalte. Mieke zag hem in
zijn eerlijk gelaat, en hare oogen werden vochtig.
„Vraag het vader,” zeide zij.
„En als uw vader ja zegt?”
„Vraag het vader,” zeide zij nogmaals.
Met lichten, veerkrachtigen tred zocht de leeuwenjager Gert Kloppers
op; het ja was niet over hare lippen gekomen, maar hij meende het
gelezen te hebben in den vochtigen glans der oogen.
De leeuwenjager had goed gelezen.
Mieke nam de breikous weer op, doch van het breien kwam niet veel. Hare
vriendelijke oogen staarden in de verte, en met open oogen droomde zij.
Ja, zij hield van hem, den moedigen leeuwenjager, reeds sedert lang.
Anderhalf jaar geleden, op dien vreeselijken dag van het Kaffergevecht,
toen zelfs haar vader begon te twijfelen, of hij wel komen zou, toen
was hij toch gekomen. Zijn leven had hij gewaagd, om zijn gegeven woord
gestand te doen, en deze man met dat stroeve gelaat en met dat hart vol
gulden trouw had haar uitverkoren—haàr! Hij was de anderen
voorbijgegaan, zelfs de knappe, flinke Anna Jansen, en haar had hij
gevraagd—haàr!
Gouden draden zag zij door haar leven geweven, en die draden
weefde—hij. Maar zijne liefde zou zij beantwoorden met de volheid van
haar eigen liefde. Zij hoopte voor hem een degelijke, zorgende
huisvrouw te zijn, en hem, den eenzame, den verlatene een tehuis te
bereiden, zooals hij het zelfs bij zijn ouders nooit had gevonden.
Moest hij in den strijd, zèlf zou zij hem de kogeltasch om de schouders
hangen, en zèlf zou zij zijn geweer laden. En op gebogen knieën zou zij
elken morgen en elken avond God den Heere om zijn behouden thuiskomst
smeeken.
Zij droomde al voort....
Blondlokkige kinderen zag zij om haar schoot stoeien, en in de
gelaatstrekken van die kinderen zag zij zijn gelaat. Zij zou die
kinderen opvoeden in de vreeze des Heeren, en zij zou hen bekend maken
met den Heiland, Die voor zondaren in den dood is gegaan, en Wiens Naam
is te prijzen tot in eeuwigheid! En de kinderen zouden opwassen, en
groot en geëerd worden in den raad van het dappere, Afrikaansche volk!
Zij droomde al voort, met open oogen, doch uit het lager kwam
plotseling een verward, angstig geroep. Er ging een rilling door hare
leden—zag zij reeds de schaduw van een Kafferspies in haar droom vol
glans en zonneschijn?
Zij stond op en ging naar het lager.
De avond is nu gevallen.
De leeuwenjager springt juist in het zaâl, nu Mieke bij het lager komt.
Een angstig voorgevoel doet haar beven. „Wat beteekent dat?” zegt zij.
„Er zijn slechte tijdingen gekomen, en ik ga den omtrek verkennen.”
Het gelaat van den leeuwenjager staat ernstig, terwijl hij dit zegt, en
in snellen draf rijdt hij weg.
Op den grond, op een peluw uitgestrekt, ziet Mieke een Boerenknaap van
misschien twaalf jaren; Kloppers staat er bij met een lantaarn in de
hand. Bij dat sober, somber licht kan men de doodelijke bleekheid zien
van dat kindergelaat en de bloedvlekken op zijn kleeren. Doch zijn
wonden heeft vrouw Kloppers reeds met vaardige hand verbonden.
Om den jongen heen staat een kring van menschen geschaard. In bange,
angstige spanning verbeiden zij het oogenblik, dat hij zal kunnen
spreken.
Zoo even heeft hij kruipend het lager bereikt, en is toen bewusteloos
ineengezakt. Doch nu slaat hij de oogen op, en vrouw Kloppers geeft hem
een teug opwekkenden, Kaapschen wijn.
Hij is nog zeer zwak van het bloedverlies, met horten en stooten
vertelt hij de geschiedenis. Maar bij die geschiedenis slaan de vrouwen
de armen handenwringend omhoog, en grijpt Floor naar zijn bijl.
’t Is een eenvoudige geschiedenis, maar ze is afgrijselijk in hare
eenvoudigheid.
Vader, moeder en acht kinderen zitten aan een ruw getimmerde tafel bij
de tent aan het ontbijt. Eensklaps worden zij door een overmacht van
Zoeloe-krijgers omsingeld, en de overrompeling is volkomen.
Om de moeder te dekken, die haar jongste kind, een wicht van acht
maanden, op den schoot heeft, springt de vader vóór haar, en stoot den
eersten aanvaller den dolk in de borst. Door drie assegaaien tegelijk
doorboord, stort hij vlak voor de voeten der moeder neer. Giel, de
oudste zoon, heeft intusschen een geweer genomen, en zijn moeder te
hulp snellend, schiet hij twee Zoeloe’s dood. Maar doodelijk getroffen,
valt hij over zijn vader heen.
„Ik greep een bijl,” zegt de knaap, „en sprong op een stoel. Ik zag
nog, hoe mijn moeder met een mes, dat op de tafel had gelegen, mijn
broertje verdedigde, maar toen ik haar zag vallen, werd ik razend. Een
Zoeloe, die met den rug naar mij toestond, sloeg ik met den bijl zoo
heftig op het hoofd, dat hij neerplofte. In het volgende oogenblik had
ik echter reeds een paar leelijke porren met de assegaai te pakken, en
ik sloeg achterover van den stoel, tegen het tentlinnen aan. Ik kroop
gauw onder het zeil door, en was nu in de tent, waar ik een leege kist
zag staan, die ik over mij heen stulpte. De Zoeloe’s kwamen echter om
mij te zoeken, toen hun oog op een vaatje brandewijn viel. Nu begon de
bloeddorst te bedaren en kwam de jeneverdorst, maar mijn familieleden
waren allemaal vermoord.”
Dit was heden morgen geschied, maar de jongen was een echt Boerenkind,
dat niet licht bij de pakken ging neerzitten. Hij begreep, dat de
andere Emigranten-Boeren, zoover het mogelijk was, gewaarschuwd moesten
worden, en den loop van het rivierke volgend, had hij nu het lager van
Kloppers bereikt.
Met ingehouden adem, zonder een woord te zeggen, heeft de
lagerkommandant het verhaal aangehoord. Beurtelings flikkeren zijn
oogen van toorn, en beurtelings gaan er zware zorgen over zijn hoog,
schrander voorhoofd.
Voor zijn oogen ziet hij het moordende net, waarin het edele wild, het
volk der Boeren, moet worden gevangen. Hij weet zoo zeker, alsof hij er
zelf bij tegenwoordig is geweest, dat de nobele, trouwe Piet Retief met
geheel zijn gezantschap is vermoord, en dat de Boeren, op het woord van
een duivel vertrouwend, overgeleverd zijn aan de woede der grimmige
Zoeloe-soldaten.
Maar er is geen tijd om te klagen. De hand moet aan den ploeg geslagen,
en het lager ten spoedigste weerbaar gemaakt.
Gert Kloppers, Floor en Willem gaan met een loffelijk voorbeeld
vooraan; de vrouwen, zelfs de kinderen helpen. Tot diep in den nacht
wordt gewerkt, altijd maar door; men gunt zich geen rust. Nu is het
allernoodzakelijkste geschied. Er is een buitenlager gemaakt en een
binnenlager; het binnenlager in een hoek van het buitenlager; een soort
citadel in de vesting.
De muren bestaan natuurlijk uit ossenwagens, terwijl uit het
buitenlager een opening toegang geeft tot het binnenlager. Moet het
buitenlager worden prijsgegeven, dan hoopt men zich vechtende door die
opening in het binnenlager terug te trekken, en nog gelegenheid te
vinden, den ingang te versperren.
Maar de wagenburcht is niet zoo stevig als bij het vorige
Kaffergevecht; ach, Kloppers weet het wel. De wagens hebben te veel
geleden op den tocht over het Drakengebergte, en er is nog geen
gelegenheid geweest, om ze behoorlijk te herstellen. Hij kent wel het
zwakste punt; dáár vlak voor hem, daar staat die wagen. Als de Kaffers
hem uitvinden, dan is het buitenlager verloren, want zeker zullen zij
hem uit de lijn rukken en een opening maken. Dan schiet er het
binnenlager nog over, maar dat binnenlager zal het leven der arme
zwervers niet langer dan hoogstens eenige minuten kunnen beschermen,
want het zal onder de scherpe assegaaien als bedolven worden. „O God,
wees mij en deze arme menschen genadig,” zucht Kloppers uit het diepst
zijner ziel.
Hij roept hen bijeen; daar komen ze allen aan, de moeders met hunne
kinderen. Bij een kruitbaal knielt hij neder; allen volgen zijn
voorbeeld.
Niets wordt gehoord dan een zacht gesnik; Gert Kloppers gaat voor in
het gebed. Zijn ziel, de innigste roerselen zijns harten legt hij in
dat gebed. In dat gebed zoekt het kind zijn Vader. Het voelt, dat die
Vader in tegenheden handelt; toch kan het niet zonder dien Vader leven.
Het tast in de duisternis; het tast naar de Vaderhand. Het zoekt, het
roept, het klaagt, het worstelt: „Ach, dat Gij de hemelen scheurdet!”
Hoog gaan de golven in de ziel van Gert Kloppers, maar hij worstelt tot
het licht wordt in zijn hart. De storm bedaart, de golven leggen zich.
Hij voelt de Vaderhand.
Hij staat op van de knieën—een wonderbare, diepe vrede ligt op zijn
gelaat. Die ossenwagen daar vóór hem is nog even wrak als zoo even,
doch wat hindert dat? Is de arm des Heeren verkort? Kan Hij deze
menschen nogthans niet redden? En is het in Zijn ondoorgrondelijken
raad anders besloten—Gert Kloppers hoopt stil te zijn als een gespeend
kind bij zijn moeder....
Maar de beslissing nadert. Reeds hoort men den hoefslag van een paard;
dat is de leeuwenjager. Hij heeft een kommando Zoeloe’s ontdekt, die in
snellen pas aanrukken; over een half uur kunnen zij voor het lager
verschijnen.
Het halve uur was nog niet om, toen de stilte van den nanacht door een
plotseling, oorverdoovend, zenuwschokkend oorlogsgehuil werd
onderbroken.
Dat gebrul kenden de Boeren reeds, maar in plaats van Matabelen waren
de aanvallers nu Zoeloe’s.
Hunne assegaaien slingerend, hunne knotsen zwaaiend, vlogen zij als
duivels tegen de ossenwagens op. Maar verder kwamen ze voorloopig ook
niet, want de vermetele, wiens hoofd boven de linnen huif uitkwam, was
een kind des doods.
De eerste storm werd bloedig afgeslagen, maar onmiddellijk volgde de
tweede, de derde. De verdedigers echter hielden moedig stand; zij
schoten even snel als gelukkig, en ook de derde storm werd afgewezen.
De Zoeloe’s schenen nu terug te trekken; de Boeren haalden ruimer adem.
Maar de leeuwenjager zeide: „Ik ken dat volk; ze zijn gevaarlijker dan
de Matabelen, en ze wachten den morgen af.”
„Laat dat zoo wezen,” zeide de vrouw van ouderling de Jong, „we winnen
toch tijd, en misschien kan er in dien tijd ontzet komen.”
Mieke begaf zich even naar het binnenlager, om naar de schreiende
kinderen en den gewonden knaap te zien. Hij lag daar met gloeiende
wangen, want hij had een zware wondkoorts. Hij klaagde over dorst; zij
laafde hem met water. Zoo kwam zij weer in het buitenlager; bij de
anderen. Het begon nu morgen te worden; een lijn van goud en purper
teekende zich aan den oostelijken horizon. Bij het aanbrekende licht
kon de leeuwenjager Mieke’s gelaat goed onderscheiden; trouwens zij
stond geen drie pas van hem verwijderd. „Hoe gaat het, Mieke?” vraagde
hij. „Goed,” zeide ze op vroolijken toon, en zij knikte hem vriendelijk
toe. De vreeze des doods was op dit oogenblik verre van haar, ofschoon
de dood reeds klapwiekte boven haar hoofd. Zij wendde zich tot haar
vader, en zeide: „Ik geloof vast, dat wij nog ontzet zullen worden.”
Dit is het laatste woord geweest, dat over hare lippen kwam.
Plotseling verscheen een zwarte Zoeloekop boven den huifwagen, om even
plotseling te verdwijnen. Met de assegaai diep in de borst sloeg Mieke
tegen den grond. De leeuwenjager was onmiddellijk aan hare zijde. Met
waarlijk teedere behoedzaamheid haalde hij het wapen uit de wond, en
trachtte den bloedstroom te stelpen. Maar snel vlood het leven heen!
Toen de leeuwenjager dit bespeurde, greep een bijna zinnelooze smart
hem aan. Hij bukte zich over de stervende heen, en riep met heesche,
rauwe stem: „Mieke, liefste, verlaat mij niet!”
Ook de ouders, Floor en Willem stonden er bij met weenende harten, doch
uiterlijk waren zij kalmer dan de leeuwenjager. Maar Mieke zag hen niet
meer; zij zag niemand meer. Reeds hing er een nevel tusschen haar en de
omstanders. Maar aan den anderen kant scheen het licht voor haar oog,
want een zalige glimlach gleed over haar stervend gelaat.
Zij zag de gouden tinne blinken van het vaderhuis hier boven? Zag zij
de poorten open van het nieuwe Jeruzalem? Hare ouders hebben het
gehoopt; zij hebben het geloofd. En dat geloof heeft koelen, milden
balsem gelegd op de brandende wond.
De laatste levensvonk was nu spoedig uitgegloord, en de leeuwenjager
legde de geliefde doode in het binnenlager neer. Hij spreidde, met de
teederheid eener moeder, een doek over haar gelaat. Maar er welde geen
traan op in zijn brandende oogen, en er brandde nog iets anders in die
oogen dan smart.
Hij hief zijn geweer als tot een eed omhoog, en riep: „Oog om oog en
tand om tand! Vervloekt zij het geslacht van Cham tot in alle
eeuwigheid!”
Het waren dezelfde woorden, die Barend Jansen had gebezigd.
Het begon nu helder dag te worden en op nieuw bestormden de Zoeloe’s
het lager. De kapitein, een reusachtige kerel, zwaaide zijn
vreeselijke, staalharde knots. Hij liep zelf onderzoekend langs de
wagenburcht heen, tot zijn scherpe blik het zwakste punt had ontdekt.
„Hier,” riep hij met dreunende stem, „rukt dezen wagen weg, en gij hebt
het Boerennest.”
Kloppers zag het gevaar, en liet al het vuur op dit punt concentreeren.
Binnen weinige oogenblikken lagen twintig Zoeloe’s dood bij den wagen,
en het scheen, dat het moorddadig vuur hen tot wijken zou brengen. Doch
toen de Kafferkapitein de twee eerste vluchtelingen met zijn moordwapen
de hersenpan verbrijzelde, en de anderen voor de keuze stelde:
„Overwinnen of sterven,” toen was het lot van het buitenlager beslist.
„Redt het kruit en de wapens,” riep de leeuwenjager, „de Zoeloe’s
rukken den wagen op zij—ik dek de opening!”
Het geweer wegwerpend, greep hij naar den bijl. Den eersten den besten
vijand rukte hij het schild uit de handen en velde hem neer. Hij had de
tanden op elkaar geklemd; een somber vuur brandde in zijn oogen. Zijn
leven was voor hem in waarde gedaald, nu de sterren waren ondergegaan,
die glans begonnen te spreiden op zijn pad. Maar dat leven wilde hij
tot den hoogsten prijs verkoopen, en dat zouden de brullende tijgers
daar vóór hem gewaar worden. Met bewonderenswaardige vaardigheid ving
hij de assegaaien op met zijn schild, en onheilspellend flikkerde zijn
strijdbijl in de stralen der opgaande zon. Doch met de lenigheid van
den panter klommen andere Zoeloe’s, die het buitenlager ontruimd zagen,
over de ossenwagens heen. Zij bedreigden den wakkeren strijder in den
rug. Maar zij kwamen niet ver; ten minste de eersten niet. De kogels
der Boeren uit het binnenlager strekten hen neer; één voor één.
Doch de hand van den leeuwenjager begon moede te worden: zijn oog werd
mat. Met schrik bemerkte het Gert Kloppers. „Floor,” riep hij,
„verdedig mijn post,” en snel was hij aan de zijde van den dappere,
dien hij met het blanke staal ruimte maakte.
Met een geschikte wending bereikten beide Boeren den ingang van het
binnenlager, door de wilde Zoeloekrijgers op den voet gevolgd. Maar de
twaalfjarige Willem Kloppers, Anna Jansen en nog vijf andere vrouwen
hielden hunne geweren gereed, en zoo verschrikkelijk was hun vuur, dat
de vijanden terugdeinsden.
Deze sprongen nu op de wagens van het buitenlager, en zich achter de
linnen huiven dekkend, rolden zij het linnen zoover op, als noodig was,
om voor den arm de gewenschte ruimte te hebben tot het werpen der
assegaai. De Boeren hadden nu geen mikpunt voor hun geweer, en de
meeste kogels troffen geen doel.
Terwijl begonnen de assegaaien der Zoeloe’s al gevaarlijker te worden;
er was nauwelijks dekking te vinden. De grond van het binnenlager werd
rood: hij werd rood van menschenbloed.
„Als vader met zijn manschappen ons redden zal, dan moet hij gauw
wezen,” zeide Anna weemoedig.
„Ja, heel gauw,” zeide vrouw Kloppers op droeven toon.
Nu gingen de Zoeloe’s over tot den laatsten storm. Zij rukten woest aan
de wagens; zij bestormden de slechts zwak versperde opening.
Hier stond Gert Kloppers. Hij wierp het geweer weg; er was trouwens
geen gelegenheid meer, het geladen te krijgen. Met de
onverschrokkenheid van den leeuw, die zijn welpen verdedigt, zoo stond
hij daar voor de opening. Aan zijn zijde streden zijn heldenzonen Floor
en Willem, ieder met een bijl in de vuist.
„Al de assegaaien op dien hoofdman,” riep de Kafferkapitein.
Een assegaai doorboorde Kloppers’ rechterarm; hij vatte zijn wapen in
de linkerhand. Hij kreeg een diepe wond aan zijn been—zijn knieën
knikten—een derde speer trof hem in den schouder—hij wankelde, de
sterke man—hij sloeg achterover.
Maar Floor en Willem, ofschoon zelf gewond, wreekten hun vader, en drie
Zoeloe’s stortten met gespleten schedel voor hun voeten neer. Doch de
overmacht van den vijand was te geweldig.
„Steekt dien jongen adder toch dood,” brulde de Kafferkapitein.
De dappere Willem werd overhoop gestoken.
„Ik zal met dien andere afrekenen,” liet hij er op volgen.
Hij zwaaide zijn vreeselijke knots—Floor hief den bijl omhoog, om den
moordenden slag te pareeren, maar de slag was al te forsch: bewusteloos
zeeg hij ineen.
Doch onmiddellijk sprong de leeuwenjager in de opening.
Anna Jansen plaatste zich naast hem; zij nam den met bloed bevlekten
bijl uit Floor’s handen.
Verwonderd staarde de leeuwenjager haar aan, maar hij zeide niets.
De Zoeloe’s echter schenen te weifelen.
„Dat is de Onkwetsbare,” mompelden zij, „de Onkwetsbare van daar
straks.”
Maar deze aarzeling duurde slechts een oogenblik.
Reeds velden zij hunne assegaaien tegen de laatste verdedigers van het
lager, het laatste schild, dat de bezwijkende Boeren dekte. Over twee
minuten, over één minuut is hun lot beslist.
„’t Is gauw gedaan, Anna!”
Zij knikte.
Er lag iets aangrijpends in den heldenmoed van dit schoone, aan den
ondergang gewijde meisje.
„Maar die bloedhonden zullen me toch den tijd moeten gunnen, dat ik hen
en ons in de eeuwigheid slinger!”
Reeds zocht de leeuwenjager naar de tondeldoos.
„De brandende lont in het kruit—’t is heel eenvoudig, Anna!”
Zij zeide niets. Zij dacht niet aan het geoorloofde of het
ongeoorloofde dezer daad. Zij dacht slechts aan Simson, van wien
geschreven staat, dat de dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft,
meer waren dan die hij in zijn leven had gedood.
„Buk u,” riep de leeuwenjager. Een assegaai vloog Anna over het hoofd.
Maar de volgende assegaai trof haar. Zij trok hem uit de wond. Nu
suisden twee assegaaien tegelijk op haar aan: het bloed liep over haar
kleeren.
Maar daar richtte zij zich plotseling hoog op—het matter wordend oog
begon te flikkeren—een salvo van kogels floot langs het lager heen.
De Kaffers staakten den aanval; hun gelaat begon onrustig te worden.
Het volgende oogenblik werd de snelle hoefslag van een troep paarden
gehoord; kletterend ging hij over de rond liggende klippen heen.
Eenige Zoeloe’s kwamen het buitenlager instormen, en fluisterden den
kapitein iets in het oor.
Daar buiten werden haastige kommando’s gehoord.
„Dat is de stem van Dirk,” riep Anna met bijna juichende
stem—„redding!”
Maar de kapitein zwaaide zijn vreeselijk moordwapen en riep, naar
buiten snellend, met dreunende stem:
„Waar zijn ze?”
„Hier!” riep Dirk Kloppers, en zonder een zucht te slaken, stortte de
kapitein onder den bijl van den jongen Boer dood ter aarde.
De verbittering der jonge Boeren was grenzeloos. Zij waren van nacht
een uitgemoord lager voorbij gekomen, en hadden onder de brandende
puinhoopen der ossenwagens de half verkoolde lichamen van
Boerenmenschen gevonden.
„Die een handwapen hebben,” riep Dirk, „volgen mij; de anderen maken
met hun kogels de boel buiten het lager schoon! Geen pardon!
Voorwaarts!”
Nu stormde hij met zijn kameraden, het geweer over den schouder
geworpen, het buitenlager binnen, waar hij op een levenden Kaffermuur
stootte.
„Hakt er een bres in,” riep hij, „voorwaarts!”
Lodewijk Jansen en Tijs de Jong waren vlak naast hem.
Het werd nu een strijd van man tegen man, doch de Zoeloe’s werden door
de bleeke angst aangegrepen, en de Boeren hielden een verschrikkelijke
afrekening. Ja, de Boeren zijn vreeselijk in hun toorn.
Nu was Dirk dicht bij den ingang van het binnenlager: hij zag Anna’s
bleek gelaat. Daar ontviel hem de bijl, want de steel was glibberig
geworden van al het bloed. Hij voelde naar den dolk; hij kon hem niet
vinden. Dan er maar met de vuist op in! Nog drie Kaffers scheidden hem
van het binnenlager. Den eersten sloeg hij met zijn ijzeren vuist tegen
den grond, en den tweeden slingerde hij met het hoofd tegen den ijzeren
band van een wagenwiel, zoodat hij onbeweeglijk bleef liggen. De derde
had in dat oogenblik de assegaai gemikt op het hoofd van den jongen
Boer, doch de bijl van Anna Jansen was sneller dan de Kafferspies, en
met verbrijzelde hersenpan stortte de Zoeloekrijger voor Dirk’s voeten
neer.
Nu was het echter met de kracht van Jansen’s heldendochter ten einde.
„Anna!” riep Dirk, maar zij hoorde hem niet meer, en zij zou tegen den
wagen zijn aangevallen, had Dirk haar niet gesteund.
„Lodewijk,” zeide hij, „zorg voor Anna,” en zich tot den leeuwenjager
wendend, vraagde hij met een beklemd gemoed: „Hoe staat het hier, Neef
Teunis?”
„Mieke is dood; nog een vrouw en twee kinderen zijn omgekomen; al de
anderen zijn gewond.”
„Mieke dood!” riep Dirk met een kreet van klagende smart.
Het volgende oogenblik bevond hij zich midden onder de gewonden. Vrouw
Kloppers, ofschoon zelf gewond, was juist bezig, de kwetsuren van haar
man te verbinden.
„Vader,” zeide Dirk, „de Zoeloe’s hebben u vreeselijk toegetakeld!”
Zijn oogen werden vochtig van deernis en liefde—waren dat dezelfde
oogen, die zoo pas nog hadden gevlamd in wilde strijdlust?
Willem zat naast zijn vader; zijn wonden waren reeds verbonden.
Floor sloeg de oogen op. „Mijn bijl, mijn bijl,” riep hij met
verwilderden blik, „waar is mijn bijl?”
Hij stond op, maar hij waggelde als een dronken man. Toen hij echter
zijn broeder Dirk zag, begon hij den toestand langzaam te begrijpen.
„We hadden op Barend Jansen gehoopt,” zeide hij, „en gij zijt gekomen,
doch nu is het ook goed.”
Ja, nu was het ook goed.
Niemand hunner had een doodelijke wond, en als door een wonder waren
zij gered! Als uit den dood hadden zij elkander weergevonden, en zij
werden niet moe, elkander de hand te drukken.
Maar niet onvermengd was de beker der vreugde.
Dirk wendde zich naar de plaats, waar Mieke lag. De leeuwenjager ging
mee.
Zij lag nog in dezelfde houding, waarin de leeuwenjager haar had
neergelegd; het hoofd op een kussen. Op de wond lag nog de doek, die
geheel van bloed was doortrokken.
Behoedzaam nam Dirk den anderen doek weg, die haar gelaat bedekte. Op
hare trekken zweefde nog de glimlach, mild en zacht als het licht van
den dageraad.
Peinzend, diep weemoedig rustte het oog van den broeder op de geliefde
doode. Hij bukte zich, en kuste hare verbleekte lippen.
„Rust zacht, lieve zuster!” fluisterde hij. Hij nam weer den doek, en
bedekte het gelaat der blanke, geknakte lelie.
Maar in de brandende oogen van den leeuwenjager begon het te schemeren.
Hij ging buiten de legerplaats, het veld in. Hij wierp zich voorover
ter aarde, en snikte als een kind.