HOOFDSTUK XIV.

Bij een grooten, stevigen ossenwagen, midden in de grasrijke

hoogvlakten der Transvaal, 4000 à 5000 voet boven den zeespiegel, zit

een groepje jagers, terwijl de zon in het westen schuil gaat, bij een

groot vuur, waarboven een pas geschoten hert aan het spit wordt

gebraden. In de nabijheid grazen hunne gekluisterde paarden en de

trekossen.

De gezichten der jagers zijn ons wel bekend: naast den zwaargebaarden

leeuwenjager Teunis Smit ziet ge de frissche, flinke gelaatstrekken van

Dirk Kloppers en Tijs de Jong, en de jonge man naast Kees Bouwer is de

oudste zoon van Barend Jansen: Lodewijk.

Reeds sedert weken bevinden zich de jagers op de groote jacht, vele

uren ver van hunne families verwijderd, die reeds maanden lang aan een

snelvlietende beek, in een heerlijk, vruchtbaar oord, hun lager hebben

opgeslagen.

De jagers hebben een mooien slag geslagen. Kijk maar eens in den

ossenwagen: daar zijn de huiden van de meeste wilde dieren, die de

Transvaal kent, vertegenwoordigd; zelfs olifantstanden ontbreken niet.

„Zeg Dirk,” vraagt de leeuwenjager, „trekt uw vader mee naar Natal?”

„Ik denk het wel,” zegt Dirk.

„Hij zag vroeger toch geen heil in Natal?” zegt de leeuwenjager.

„En vandaag evenmin,” zegt Dirk. „Maar de treklust woont in zijn hart,

en hij wil de andere Boeren, die er heen gaan, niet in den steek

laten.”

„En als het in Natal niet goed gaat, kan men altijd nog op de Transvaal

terugtrekken,” zegt de leeuwenjager.

„En waarom zou het in Natal niet goed gaan? Rekent uw vader dan niet

met de zeehaven?” vraagt Lodewijk Jansen.

„Hij beschouwt het bezit van een zeehaven in Natal voor de Boeren een

der grootste ongelukken, die hen kunnen overkomen,” zegt Dirk.

„Dat begrijp ik niet,” zegt Lodewijk.

„Dat is toch eenvoudig genoeg,” zegt de leeuwenjager; „zoo goed als de

Engelschen de Kaap hebben gekaapt, zullen zij ook de zeehaven van Natal

kapen.”

„Maar Europa is er ook nog,” zegt Tijs de Jong.

„Europa!” zegt de leeuwenjager, en hij haalt minachtend de schouders

op.

„En Holland is er ook nog; het zal niet dulden, dat Engeland ons zoo

schandelijk mishandelt,” zegt Lodewijk Jansen.

„Holland!” zegt de leeuwenjager; „Holland doet geen kik, wat ik je

vertel. De Ruijter is dood, en de Trompen zijn al lang begraven.”

Hij staart eenige oogenblikken peinzend naar de grijze wolkjes, die als

goud beginnen te schitteren in het glanzende avondrood.

„Ja, ja,” zegt hij meer tot zich zelven dan tot de anderen, „ik wou,

dat ik eens die Engelsche politiek onder schot kon krijgen.”

„Maar komt, jongens,” roept hij opgewekter, „laat die Engelschen van

avond voor mijn part naar de maan loopen; ik heb honger—zeg Kees, is de

bok nog niet gaar?”

„Ik denk het wel,” zegt Kees Bouwer, die het spit draait, en spoedig

zitten de jagers aan het gemeenschappelijk maal, dat met grooten

eetlust en onder vroolijken scherts wordt verorberd.

Na den maaltijd worden de pijpen aangestoken, en terwijl het diep blauw

dak des hemels tintelt van tien duizend sterren, wordt er nieuwe

brandstof op het vuur geworpen, en brengt men in gezellige gesprekken

nog een paar uurtjes door.

En steeds wordt bij die gesprekken het vreeselijke gevecht tegen de

Kaffers, nu een jaar geleden, opgehaald.

En als men dien dag herdenkt, hoe zou men dan den daaropvolgenden

kunnen vergeten!

Daar bij dien eenzamen seringenboom, daar waren de vier graven

gedolven: het eerste voor Leendert Jansen, wiens onthoofd lichaam in

het kafferkamp door zijn eigen vader was gevonden, het tweede voor die

moeder, die met den zuigeling aan haar hart gedrukt, was gevallen, het

derde voor den trouwen Daan, en het vierde voor den Boer, die mede

sneuvelde.

Twee salvo’s waren door de Boeren afgevuurd boven de doodkisten van

Leendert Jansen en van dien Boer. Het waren eeresalvo’s geweest, omdat

zij als helden op het slagveld waren gevallen. Het was een ruwe kist

geweest, het laatste kamerke van Leendert Jansen, maar dat hinderde

niet. Barend Jansen had ze zelf gemaakt, en bij elken hamerslag,

waarmede hij de spijkers in de planken had gedreven, had hij gesteund

als een hert, dat de doodswond voelt, midden in de borst.

En Ouderling de Jong had een rede gehouden. Ja, de leeuwenjager was

waarlijk niet week, maar zoo’n aangrijpend woord had hij nog nooit

gehoord, en de tranen waren hem uit de oogen gesprongen. Voor ieder had

de Jong een passend woord gehad: voor den zoo zwaar beproefden vader,

die zijn lieveling begroef, voor den weduwnaar, die zijn vrouw begroef,

en voor Gert Kloppers, die zijn trouwen knecht begroef.

En de Jong had nog dit groote woord gesproken boven de groeve van Daan

den Kaffer: „Gezegend zij de gedachtenis van dezen zoon van Cham!” Maar

de meeste Boeren hadden dit woord niet begrepen, want zij meenen, dat

de Kaffers, die zij voor de afstammelingen van Cham houden, vervloekt

zijn.

En toen was het psalmvers gezongen: „Gelijk het gras is ons kortstondig

leven.”

Ja, het was een aangrijpende begrafenis geweest.

En hoe lang had Tijs de Jong aan zijn wond op het ziekbed gelegen! Wat

had dat des nachts, als hij in de zware wondkoortsen lag te ijlen,

akelig door het lager heen geklonken: „Op, de Kaffers! Zij overrompelen

ons! Toe, vader, gooi de lont in de kruitzakken! Wij moeten niet levend

in hunne handen vallen!”

Maar hij was gelukkig gebeterd, en de blos der gezondheid ligt weer op

zijn wangen.

En toen kwam het gesprek op de avonturen en de gevaren, die de jagers

de laatste weken in hun jacht op de leeuwen, tijgers en ander

verscheurend gedierte hadden doorgemaakt, en het was al heel laat, toen

Teunis Smit, die zonder afspraak als de aanvoerder werd beschouwd,

zeide: „Nu opgemarcheerd! Ik ben doodmoe—wel te rusten!”

Ieder zocht nu zijn peluw op onder den ossenwagen, maar Dirk zou de

wacht houden. Men wilde nu eens goed uitslapen dezen nacht, maar het

zou anders uitkomen, want een vijand, die met de kogels der Boeren

spotte, was in snellen aantocht.

Het was een vreeselijke vijand, met wien de jagers het thans te doen

zouden krijgen. Het gevaar van om te komen was grooter dan toen

verleden jaar elk oogenblik een bliksemstraal in de zakken buskruit kon

inslaan, ja grooter nog, dan toen de moordlustige Kaffers met

veertigvoudige overmacht het Boerenlager bestormden.

Dirk had, terwijl de anderen zich ter ruste hadden begeven, de paarden

genomen, en achter aan den ossenwagen gebonden, en zich uitstrekkend

bij het wachtvuur, tuurde hij een poos in de grillige vlammen. Maar hij

stond weer op, wandelde eenige keeren op en neer, om niet door den

slaap overmand te worden, stak een versche pijp tabak aan, en zich weer

bij het wachtvuur plaatsend, begon hij een versje te neuriën.

Zoo had hij reeds geruimen tijd de wacht gehouden, toen aan den verren

horizon plotseling een roode schemering zichtbaar werd. Die schemering

kondigde den dageraad aan. Ten minste dat dacht de jonge Boer, doch

toen hij zijn horloge bij het vuur hield en bemerkte, dat het nog maar

drie uur was, betrok zijn gelaat. Nu begreep hij, dat die schemering

iets anders beteekende dan de dageraad. Luisterend legde hij het oor op

den grond, maar niets werd gehoord dan de nachtwind, die klagend door

het drooge lange gras streek. Van de ossen was niets te ontdekken in de

nachtelijke duisternis; zij waren waarschijnlijk al grazende

afgedwaald, doch bij de paarden bemerkte Dirk groote onrust.

Besluiteloos staarde de jonge Boer naar de lichtstreep aan den horizon,

doch de wind stak sterker op, en uit de verte klonk een dof,

onheilspellend gedruisch. De jachthonden stieten een akelig gehuil uit,

en de paarden rukten wild aan de helsters, waarmede ze aan den wagen

waren vastgebonden. Nu begreep Dirk volkomen, in welk dreigend gevaar

hij met zijn vrienden verkeerde, en zonder aarzelen wekte hij hen met

den alarmkreet:

„Op, kameraden! Het grasveld staat in brand!”

De leeuwenjager, die minder vast sliep dan de anderen, was onmiddellijk

klaar wakker. Zwijgend staarde hij eenige oogenblikken naar den rossig

gekleurden horizon, stak de hand omhoog, om de richting van den wind

gewaar te worden, en riep toen op korten, bevelenden toon: „Snel de

paarden gezadeld! Van één minuut kan ons leven afhangen!”

Tot Tijs de Jong, die slechts schoorvoetend van den kostbaren inhoud

van den ossenwagen scheen te kunnen scheiden, zeide hij: „Het leven is

meer waard dan honderd leeuwenhuiden,” en hij greep Kees Bouwer, die

slaapdronken tegen een wagenwiel aanleunde, bij den schouder, met

driftige stem roepend: „Maak voort, kerel, als je niet wilt verbranden

of vermorzeld worden!”

Binnen een paar minuten zaten de jagers, het geweer over den schouder,

te paard, en den ossenwagen achter latend, vluchtten zij, den teugel

los over den hals hunner paarden geworpen, en zich aan het instinct

dier trouwe dieren overgevend, over het wijde veld, terwijl de

jachthonden vooruitsnelden.

Er werd weinig gesproken, want ieder voelde den ernst van den toestand.

Slechts éénen keer vraagde Dirk: „Zou den onzen geen gevaar dreigen?”

waarop de leeuwenjager antwoordde: „Waarschijnlijk niet; er is licht

een stroom of rivier, die de vlammen stuit.”

En voorwaarts ging de wilde, razende rit.

De hoefslag der paarden klonk dof en gesmoord in het prairiegras, en

slechts nu en dan, bij oogenblikken, klonk hij hard en dreunend, als

hij over de bazaltklippen heen kletterde.

Het begon nu dag te worden, en bij het aanbrekend morgenlicht konden de

jagers, achter zich blikkend, een schaduw zien, die voor de rossige, al

hooger klimmende lichtstreep uitging. Het was een groote, reusachtige,

donkere schaduw.

Zij had iets huiveringwekkends, iets spookachtigs. Zij scheen niet over

den grond te loopen maar er over te glijden, en ofschoon de jagers hun

paarden tot de grootste snelheid aanspoorden, was deze schaduw toch nog

sneller.

De Boeren rilden er van.

Door deze schaduw te worden opgeslokt—zij vonden het nòg vreeselijker

dan onder de Kafferspies te bezwijken!

Ja: het was een geheimzinnig angstwekkend, ontzettend verschijnsel,

deze schaduw, en hare stem klonk als het rollen der zeegolven over een

wegzinkend schip.

De jagers kènden die schaduw; zij verstònden die stem. Ze wisten, dat

die schaduw bestond uit een reusachtige, mijlen gronds beslaande kudde,

samengesteld uit de meest verschillende soorten wilde dieren, die door

den angst voor het achter hen razende vuur tot een schijnbaar

onuitwarbaar kluwen samengeperst, als een lawine over het veld suisden,

alles vermorzelend en verpletterend, wat hen in den weg kwam.

Snelvoetige dieren, zooals herten en antilopen enz. waren de

voorloopers der lawine, en haalden de jagers reeds in; ook kon men

bereids een enkelen buffel onderscheiden. Duidelijk hoorden de Boeren

thans het gebrul van den buffel en het gehuil van den tijger, en hunne

paarden hielden, door schrik verbijsterd, midden in den loop sidderend

stil. Maar terwijl de ruitersporen hen diep in het vleesch werden

gedrukt, renden zij opnieuw, dol van angst, vooruit.

Doch de groote, donkere massa achter hen naderde al meer.

„Vooruit!” riep de leeuwenjager, „vooruit!” maar de paarden van Tijs de

Jong en Lodewijk Jansen konden niet meer zoo snel mee. Zij bleven

eenigszins achter, doch toen de leeuwenjager omkeek, bemerkte hij het.

Hij hield zijn paard onmiddellijk in; Dirk en Kees Bouwer eveneens,

maar Tijs de Jong wuifde met de hand en riep: „Rijdt door!”

„Doorrijden?” antwoordde de leeuwenjager; „daarvoor beware ons God, dat

wij zulke warme kameraden in den steek zouden laten!”

„Gij kunt ons toch niet helpen,” zeide Tijs op weemoedigen, somberen

toon, en Lodewijk bevestigde het. Maar de leeuwenjager zeide: „Als wij

elkander in den steek laten, zijn wij zeker verloren!”

Als vurige tongen sloegen de vlammen thans langs den halven horizon

omhoog, en de reuzenkudde naderde met groote snelheid. Doch geen

oogenblik verloor de aanvoerder der jagers zijn tegenwoordigheid van

geest, want reeds menigen keer had hij den dood in de oogen gezien, en

een nieuwe, reddende gedachte scheen door zijn brein te schieten.

„Uit het zaâl! Snel uw zakdoeken hier, en alles, wat gauw vuur

vat—snel, snel!”

Het bevel van den leeuwenjager werd oogenblikkelijk opgevolgd. Toen

sloeg hij aan zijn tondeldoos vuur, en stak een handjevol droog gras in

den brand, waar de zakdoeken werden opgeworpen. Vervolgens werd onder

den wind zooveel veldgras afgesneden, als in de korte spanne tijds, die

overschoot, mogelijk was, en met de verspreid liggende mest op het

vuurtje geworpen, dat nu helder opvlamde.

De aanstormende lawine was nu niet ver meer af, en toen de wilde

beesten het vuur der jagers in de gaten kregen, brulden zij van schrik

en woede. En toch behielden zij hun doodelijke richting—recht op de

jagers aan.

Reeds konden dezen de horens onderscheiden, de pooten, ja het witte

schuim, dat de beesten van de borst spatte.

Op het vastberaden gelaat van Teunis Smit scheen zelfs in dit

vreeselijk oogenblik nog eenige hoop te flikkeren, maar de anderen

dachten er anders over. Zwijgend gaf men elkander de hand—over een

minuut, over een halve minuut zou hun lot beslist zijn, en zouden vijf

moedige Boerenharten onder tienduizend hoeven zijn vermorzeld!

Met strakken blik, met ingehouden adem staarden de jagers naar de

lawine, die hen verpletteren zou, en terwijl de jachthonden tot aan de

voeten hunner gebieders kropen, steigerden de paarden woest omhoog.

Daar begon de grond onder de voeten der Boeren plotseling te beven,

alsof de bodem door een aardbeving werd bewogen—de leeuwenjager

slingerde zijne laatste hoop, de flesch brandewijn, in het vuur—met een

harden slag vloog de flesch in duizend scherven—de vlammen wervelden

hoog op—de lawine zwenkte—met een dof, dreunend geweld raasde zij langs

de boeren voorbij, en zijwaarts uit rolde zij over de vlakte voort.

Een menigte beesten, in de korte zwenking doodgedrukt, bleef liggen, en

teekende het spoor, dat de reuzenkudde achter zich liet.

Met kloppende harten stonden de jagers toe te kijken, want de geringste

nieuwe zwenking zou hen noodlottig worden, doch de richting was

gegeven, en de volgenden stormden blindelings hun voorgangers na.

Allengs nam de dichtheid der massa af, en de vast aaneengesloten rijen

werden gevolgd door kleine troepjes achterblijvers, waarvan er nu en

dan de een of ander van uitputting neerstortte.

Zoo was het eerste gevaar met Gods hulp overwonnen, maar te ernstiger

dreigde het andere.

De brand had gedurende het oponthoud der jagers geduchte afmetingen

aangenomen; de heele prairie scheen thans in vlammen te staan, en met

de snelheid van den wind wentelde de gloed zich voort.

Zwijgend sprongen de jagers opnieuw in het zaâl, de vluchtende dieren

achterna.

Menschen met zwakker zenuwen zouden van angst zijn bezweken, maar de

Afrikaansche Boeren zijn een taai ras, en niet spoedig geven ze ’t op.

De paarden zijn door het oponthoud eenigszins op hun verhaal gekomen,

en heuvel op heuvel af gaat het opnieuw over het golvende terrein met

een snelheid, dat de jagers bijna geen adem kunnen scheppen.

De lucht wordt al benauwder; de rookwolken, die voor den brand uitgaan,

hangen als een verstikkenden walm over het wijde veld.

De jagers hebben nu de achterhoede der voor hen uitjagende beesten

ingehaald, maar het paard van Tijs de Jong toont op nieuw teekenen van

uitputting. Met bangen blik staren de Boeren achterwaarts—vuur, niets

dan vuur, wat ze zien!

Het springt tegen den heuvel op—het slaat er zegevierend over heen! Het

daalt neer in de vallei—ge ziet de vlam niet meer—ja toch, ze flikkert

reeds op boven den volgenden heuvel!

Daar staat een groen bosch—het verzengt reeds—nù slaan er de vlammen

uit!

Niets wordt door dat vuur gespaard. Over het kabbelend beekje welft het

zijn vlammende bruggen, en de klippen beginnen te gloeien als gloeiend

ijzer!

De brand komt al dichter bij. De zijden der paarden zijn als geploegd

van het indrukken der stalen sporen, en het paard van Tijs de Jong kan

elk oogenblik neervallen.

„Vooruit,” roept de leeuwenjager, „vooruit!”

Tijs doet een harden ruk aan de teugels, en weer snelt het afgejaagde

dier vooruit.

Rechtop in de stijgbeugels staande, ziet de leeuwenjager, hoe de

voorhoede der wilde dieren eensklaps verdwijnt.

„Een kloof,” roept hij opgewonden, „een kloof! Zij brengt ons dood of

redding—voorwaarts!”

Met voorovergebogen lichaam jagen de Boeren over het veld, maar het

trouwe ros van Tijs de Jong stoot een gehinnik uit, dat als een

stervenskreet klinkt, en stort dood onder zijn meester neer.

„Spring achter mij op het paard,” roept de leeuwenjager.

„Neen hier,” roept Dirk; „Hannibal is nog frisch, maar gauw, gauw!”

Het volgende oogenblik zit Tijs achter Dirk op den zwarten hengst, en

de paarden worden tot de laatste maar uiterste krachtsinspanning

aangezet.

De lucht wordt warm, heet. Brandende grasdeelen dwarrelen om de jagers

heen, en Dirk verwondert zich, dat de staarten der paarden nog niet

beginnen te smeulen. Het vuur is de jagers tot op een paardenlengte

genaderd, maar daar ligt ook de rand der kloof. „Vooruit,” roept de

leeuwenjager met luide stem, „volgt mij,” en zonder zich te bedenken,

zonder te weten, hoe diep de kloof is, waagt hij den sprong in de

diepte.

Blindelings volgen de jagers hun moedigen aanvoerder....

De diepe kloof was gedeeltelijk gevuld met de wilde dieren, die

voorthollend hier te pletter waren gevallen.

De volgende beesten, wier val door de beneden liggende veerkrachtige

lichamen was gebroken, waren over hun kameraden voortgesneld, en

hadden, opklimmend langs den rotswand, waar hij het minst steil opliep,

de overzijde der prairie bereikt, om daar hun wilde vlucht voort te

zetten.

Onze vijf jagers waren dus niet op den bodem der kloof terecht gekomen,

maar op een vloer van doode en stervende dieren. Wel hadden zij door

den val geduchte kneuzingen opgedaan, maar de Boeren zijn niet

kleinzeerig, en boven verwachting was het gedwongen waagstuk goed

afgeloopen.

De honden hadden zich nauwelijks bezeerd bij den sprong, doch het paard

van Lodewijk Jansen had de voorpooten gebroken, en dat van Kees Bouwer

had zich den buik opengescheurd op de staalharde hoornen van een

buffel. Uit medelijden schoten de Boeren ze dood.

Terwijl was de wind heftiger opgestoken, een zee van vonken voor zich

uitjagend, en op een plek, waar de kloof betrekkelijk smal was, sprong

de brand plotseling over naar den overkant, om huppelend,

sprongsgewijze, met onbegrijpelijke snelheid, zijn vernielenden

zegetocht voort te zetten. Doch tot de kloof zelve drong het vuur niet

door, daar het er geen voedsel vond.

Met de twee overschietende paarden aan de hand, trachtten de jagers nu

over de diepe, stuiptrekkende, afgrijselijke laag van stervende dieren

voort te komen. Kruipend, loopend, springend moest de zware tocht

worden gedaan, en na een schier eindelooze reeks van gevaren en

hindernissen bereikten de jagers doodop den bodem der kloof.

Nu werd eindelijk halt gehouden, en het rauwe vleesch eener door den

val gedoode antilope genuttigd, om er den honger mee te stillen. Doch

water was er niet te vinden, en zoowel de Boeren als hun paarden en

jachthonden versmachtten van dorst. Tegen den avond echter kwamen er

zware wolken opzetten, en ratelende donderslagen kondigden den zoo

reikhalzend verbeiden regen aan, die in milde plassen nederviel.

Sissend viel de stroomende regen in de gloeiende vuurzee en bluschte

den veldbrand. Maar de jagers vingen in hun hoeden en uitgespreide

buizen het water op, dat mensch en dier verkwikte.

Toen zochten zij een geschikte gelegenheid, om na de buitengewone

vermoeienissen van dezen dag uit te rusten, en zij vonden die in een

ruime, drooge grot of spelonk. Nadat het eenvoudig avondgebed was

gedaan, namen zij de zadels der paarden tot hoofdkussens, en sliepen op

den harden, rotsachtigen grond even gerust, als toen zij nog als

zuigelingen aan de borst hunner moeder lagen.

Zonder ongevallen ging de nacht voorbij, en bij het krieken van den

dageraad verlieten de jagers de kloof. Nu eerst zagen zij de

vreeselijke verwoesting, die het vernielend vuur had aangericht, en

zwart als een doodskleed lag het wijde veld. Slechts langzaam kwamen de

jagers vooruit, want telkens stieten zij op geraamten en half verkoolde

lichamen, doch wie schetst de verbazing van Tijs de Jong, toen hij, een

heuvel opklauterende, in de verte een rij ossenwagens zag staan!

Een Boerenlager midden in deze woestijn des doods, het was haast

ongelooflijk. En toch was er geen twijfel aan—duidelijk waren de linnen

huiven zichtbaar.

De leeuwenjager verwonderde zich minder.

„De zaak is heel eenvoudig,” zeide hij. „De Emigranten-Boeren ginds

hebben den brand zien aankomen, en vuur met vuur gekeerd. In een wijden

cirkel om het lager heen hebben zij het gras afgebrand, zoodat het

naderend vuur uit gebrek aan voedsel de ossenwagens niet kon bereiken.

Zoo en niet anders hebben ze ’t gedaan. Tegen de stuivende vonken

konden zij zich beveiligen door het spreiden van natte huiden over de

linnen huiven, en als de wagens in een lager zijn saamgetrokken, kunnen

ze gemakkelijk den schok der aanstormende wilde dieren doorstaan.”

„Wat ons betreft,” liet hij er op volgen, „ik had het vuur ook wel

durven afwachten, indien wij in plaats van dien éénen ossenwagen vier

of zes stevige wagens, en manschappen genoeg hadden gehad, om met den

noodigen spoed een groote, afgebrande ruimte te verkrijgen tusschen ons

en het naderende vuur. Daar haperde het echter aan—doch zie, daar komen

de trekkers ons reeds tegemoet!”

Was Tijs de Jong verwonderd, de verbazing der Emigranten-Boeren was nog

grooter, toen zij uit de richting, van waar de brand gekomen was, een

groep jagers over het zwart geblaakte veld zagen naderen. Met ongemeene

hartelijkheid leidden zij de jagers hun lager binnen, en na een gul

onthaal zetten laatstgenoemden de reis voort. Zij wisten van de

Trekboeren, dat zij over eenige uren een stroom zouden bereiken, die

het verder voortschrijden van den veldbrand had gestuit, en zoo

gebeurde het ook. Reeds van verre zagen zij de blauwe golven schitteren

in het zonlicht, en hun oog verlustigde zich in het gezicht der groene

weiden aan de overzijde.

Door een ondiepe plaats der rivier bereikten zij den anderen oever,

die, door duizende hoeven ingetrapt, het spoor wees der gevluchte

beesten. Langzaam ging men voort, totdat de paarden plotseling door een

zonderlinge rilling werden aangegrepen. Ook de jagers bleven als aan

den grond genageld staan bij het tafereel, dat zich voor hunne oogen

ontrolde, en de indruk van oogenblik is nooit uit hun ziel weggewischt

geworden.

Het tafereel was te aangrijpend om het te gelooven, en toch viel het

niet te betwijfelen, want zij zagen het allen.

Daar lagen de doodmoede kudden wilde beesten. Tusschen de antilopen lag

de hyena, tusschen de gestreepte zebra’s de tijger, en naast den buffel

had de leeuw zich neer gevleid. Het was een roerend, onbeschrijfelijk,

diepen vrede ademend schouwspel: het scheen als een tooneel uit dat

verloren Paradijs, waaraan onze zielen niet dan met diepen weemoed

kunnen denken.

Duizende en nogmaals duizende dieren van alle soorten lagen in groepen

en kudden verstrooid op den bodem; sommigen lekten hun afgebeulde

leden; anderen hieven zonder op te staan den kop op, om het gras, dat

naast hen groeide, af te grazen.

Langzaam liet Dirk den blik over het schilderachtig tooneel gaan,

totdat zijn oog werd getroffen door een afgejaagd hert, vlak in de

nabijheid. De tong hing het edel dier uit den bek, en het zag den

jongen Boer met zijn zachte, glanzende oogen smeekend aan. Dirk dacht

aan het hert, dat schreeuwt naar de waterstroomen, waarvan koning David

heeft gezongen, en door medelijden bewogen, haalde hij water uit den

nabijzijnden stroom. In lange, gulzige teugen dronk het dorstige dier

het kostelijke water, en dankbaar lekte het de hand van zijn weldoener.

Loodrecht als torens stegen inmiddels aan den noordelijken horizon

zwarte wolken op. Het werd zoo donker alsof het nacht zou worden, en

terwijl de jagers in een grot voor den naderenden regen gingen

schuilen, opende God de Heere de sluizen des hemels opnieuw.

De matte dieren werden wonderlijk verkwikt: ze kregen nieuwe kracht,

stonden op, schaarden zich, zooals de buffels, de zebra’s, de giraffen,

de antilopen, de herten enz. naar hunne soorten in groote kudden en

trokken weg. Ook het verscheurend gedierte rees op uit de legerplaats.

Het roofdier werd wakker in het fonkelend oog van den tijger en luid

brullend schudde de leeuw zijne koninklijke manen.

Vijf dagen later bereikten de jagers hun lager. Gert Kloppers,

ouderling de Jong en Barend Jansen kwamen hen tegemoet, en heetten de

lang verwachten hartelijk welkom.

In de nabijheid, in de schaduw van een lommerrijk bosch, zette men zich

neder, en terwijl Mieke Kloppers en Anna, de oudste dochter van Barend

Jansen, voor de vermoeide reizigers een krachtig maal aanrichtten,

vertelden dezen hunne gevaarvolle avonturen.

„Ja,” zeide Gert Kloppers, „ge hebt er leelijk tusschen gezeten, doch

de Heere heeft alles ten beste geschikt.”

„Maar van den trek naar Natal kan voorloopig geen sprake zijn,” voegde

Barend Jansen er aan toe, „want het vee zou op het afgebrande veld van

honger dood gaan.”

„Nu, we hebben geen haast,” antwoordde Kloppers; „over eenige maanden

is het nog vroeg genoeg.”

„En wie weet, waarvoor de veldbrand nog dienstig is,” meende ouderling

de Jong, en hij sprak een zeer verstandig woord.

Die veldbrand heeft misschien duizende menschenlevens gered, doch dat

zouden de Boeren eerst later verstaan.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 18 / 40 题