De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de
Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en
de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen
in dien stroom, achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige
oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen
werden buitgemaakt.
Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale
kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller,
toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van
den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in
aantocht was.
Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering
gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het
Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en
toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag
blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid,
met die witte vlaggen.
Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.
Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven
wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de
ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met
zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch,
terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s
krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen
de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de
tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over,
dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.
Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein
verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om
hun kamp bijtijds te bereiken.
Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun
aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo
sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden
getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden
Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en
kinderen.
Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met
de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was
van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij
riepen tot God in hun grooten nood.
Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met
Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren
trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands
van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk
zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts
één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het
veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van
het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.
De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats
van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun
slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.
„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in
de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken,
en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het
Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel
wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was
het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het
zuiden in.
Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de
poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen
vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de
vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.
Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op
leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de
doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den
wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden
met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de
tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun
bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met
zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels
inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.
Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun
verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke,
stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide
palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor
dubbele ankers liggen.
Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had
zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde,
stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van,
en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden
een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd,
in wilde vlucht.
Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere
mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas
Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de
borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene
Boeren waren gewond.
Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard
gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een
zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk
er naar!”
Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie
beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed
van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open
veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders
gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te
vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg,
en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was
vermoord.
Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden
morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard,
klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in
de armen!
Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de
schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was
weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen
had geboden, om dit kind te beschermen.
De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun
vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven,
terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk
veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.
Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor
de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over
de weggeworpen speren, leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een
geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.
Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig
aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren
de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij
Blesberg.
Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van
nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en
er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse
niet vervaard waren.
Trouwens er moest met hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op
uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren
moesten hem aanvallen, om door hem niet verpletterd te worden; zijn
macht moesten zij fnuiken, om door die macht niet verbrijzeld te
worden.
Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken
twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje,
waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een
kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.
De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekende Gert Maritz
was in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den
schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten,
met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en
vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de
groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tred
vermorzelde.
De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede
Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder
aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen
in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden.
Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de
armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken,
die door den grooten Olifant waren vernietigd.
De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land
waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den
strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende
Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaal bezit.
Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zich blijvend
in de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onder Piet
Retief door de Transvaal naar het zuidelijker gelegen Natal te trekken.
Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk
en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote,
uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het
had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de
Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit
gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.
Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.