HOOFDSTUK XIII.

De wagentrein van kommandant Hendrik Potgieter had intusschen de

Zandrivier, door de Boeren dus genoemd naar haar zanderige bedding, en

de Valschrivier, valsch genoemd vanwege de vele blinde gaten en kuilen

in dien stroom, achter zich en vertoefde eenige dagen aan de biezige

oevers van de Rhenosterrivier, waar vele rhenosters of rhenocerossen

werden buitgemaakt.

Nu ging de tocht op de Vaalrivier aan, vaal genoemd van wege de vale

kleur van haar golven, en het hart der dappere Boeren klopte sneller,

toen hun eerste wagens, de breede rivier passeerend, op het gebied van

den gevreesden Moselekatse kwamen, die met zijn hoofdmacht reeds in

aantocht was.

Potgieter zadelde, toen hem de ernstige tijding van die nadering

gewerd, het paard, en reed met negen onverschrokken mannen het

Kafferleger tegemoet. Zij bonden witte doeken aan lange stokken, en

toen men na eenige dagen rijdens in de verte de speeren der Kaffers zag

blinken, zwaaiden zij, als een bewijs hunner vredelievende gezindheid,

met die witte vlaggen.

Als eenig antwoord liet Moselekatse het gansche leger voortrukken.

Potgieter liet nu door twee zijner manschappen den achtergebleven

wagentrein waarschuwen, om onmiddellijk op een geschikten heuvel de

ossenwagens tot een rond lager te vereenigen, en verschool zich met

zijn zeven overige manschappen gedurende den nacht in een bosch,

terwijl men van de heuvelen de wachtvuren zag vlammen van Moselekatse’s

krijgslieden. Bij het krieken van den dag doofden de vuren, en gingen

de Kaffers weer op marsch. De Boeren slopen hen achterna, en toen de

tocht al door naar het zuiden ging, schoot er geen twijfel meer over,

dat het op de argelooze Voortrekkers was gemunt.

Potgieter en zijn mannen waren nu nog een dagreis van hun wagentrein

verwijderd, en joegen in een grooten boog om het Kafferleger heen, om

hun kamp bijtijds te bereiken.

Het was voor de achtergeblevenen een groote troost, toen zij hun

aanvoerder behouden terug zagen, en in der haast werd het lager zoo

sterk mogelijk gemaakt, terwijl vijf wagens binnen den kring werden

getrokken, die, gedekt door een scherm van planken, bij den gevreesden

Kafferaanval een schuilplaats zouden kunnen bieden voor vrouwen en

kinderen.

Toen het kamp gereed was, gingen zes Boeren op kondschap uit, die met

de ernstige tijding terugkwamen, dat de vlakte in het noorden zwart was

van oorlogskaffers. Toen sloeg den Boeren het hart van vreeze, en zij

riepen tot God in hun grooten nood.

Nog één kans wilde echter de wakkere Potgieter wagen, om met

Moselekatse tot vrede te komen. Met vijf en twintig gewapende Boeren

trok hij het Kafferleger tegemoet, en zag het, op een half uur afstands

van het lager gekomen, naderen als een reusachtige muur. Onmiddellijk

zond Potgieter een rapportganger terug met het bevel, dat men slechts

één poort der wagenburcht zou open laten, om de Boerenwacht, die in het

veld was, in te laten, terwijl men zich in het lager bij het hooren van

het eerste schot gereed zou houden voor het gevecht.

De Kaffers hadden nu de ruiters in het gezicht gekregen, maar in plaats

van op de vredelievende seinen der Boeren te letten, breidden zij hun

slagorde tot twee groote hoornen uit, om de blanken te omsingelen.

„Vuur!” kommandeerde nu Potgieter, en de kogels der Boeren sloegen in

de rijen der Kaffers. Maar hun slagorde werd geen oogenblik verbroken,

en zij naderden thans met de snelheid eener lawine. Toen werd het

Potgieter en zijn mannen toch te benauwd in het veld, en den teugel

wendend, joegen zij terug naar hun kamp. Doch vijf hunner stormden—was

het uit angst of verbijstering?—het kamp voorbij, en vluchtten het

zuiden in.

Potgieter en zijn twintig mannen waren nu weer gelukkig binnen de

poort, die door een stevigen doornboom, met zware kettingen

vastgesjord, snel werd versperd. Maar het was ook hoog tijd, want de

vluchtelingen waren reeds onder het bereik der lange werpspeer.

Evenals bij den aanval op Kloppers’ lager werd het hier een strijd op

leven en dood. De Kaffers wierpen hun leeren schilden op de

doornversperringen, stutten er zich op, en trachtten zoo over den

wagenmuur heen te komen. Maar mannen, vrouwen en kinderen wedijverden

met elkander in doodverachtenden heldenmoed, en terwijl de vrouwen de

tusschen en boven de doorntakken zich heen wringende Kaffers met hun

bijlen doodsloegen, schoten de mannen met hun lange roeren, geladen met

zoogenaamde loopers: (zakjes, die 70 tot 90 zware hagelkorrels

inhielden) diepe, gapende openingen in den opdringenden vijand.

Ook de wanhopigste pogingen der Kaffers, om de ossenwagens uit hun

verband te rukken, mislukten volkomen. De wagens waren door sterke,

stalen kettingen zoo stevig vastgelegd aan diep in den grond geheide

palen, dat zij onbewegelijk waren als schepen, die vast en veilig voor

dubbele ankers liggen.

Vier uur had de moorddadige strijd geduurd, en om de wagenburcht had

zich een nieuwe, vreeselijke wal gevormd, een wal van gewonde,

stervende en gesneuvelde Kaffers. Toen had Moselekatse er genoeg van,

en de moed van zijn soldaten was gebroken. Er ging uit hun slagorden

een groot, klagend gehuil op, en zij sloegen, door de Boeren vervolgd,

in wilde vlucht.

Echter niet onvermengd was de vreugde der overwinnaars. Twee dappere

mannen, de broeder en de schoonzoon van den kommandant: Nicolaas

Potgieter en Pieter Botha lagen, met de doodelijke speerwond in de

borst, in de schaduw van een ossenwagen te sterven, en verscheidene

Boeren waren gewond.

Wonderlijk was het negenjarig zoontje van de familie Liebenberg bewaard

gebleven. Voordat de Kafferaanval plaats greep, had zijn vader hem een

zweep gegeven met de boodschap: „Barend, ga naar onze schapen en kijk

er naar!”

Het ventje was heengegaan, om aan den last te voldoen, doch wie

beschrijft den angst der ouders, toen het lager als door een stortvloed

van bloeddorstige Kaffers werd omloeid, en het kind nog in het open

veld was! Nauwelijks waren de Kaffers dan ook gevlucht, of de ouders

gingen op pad, om hun lieveling te zoeken, doch al hun zoeken was te

vergeefs, en hun angstig roepen vond geen antwoord. Het kind bleef weg,

en men kon niet anders denken, dan dat het kind door de Kaffers was

vermoord.

Doch te grooter was de vreugde der ouders, toen zij den volgenden

morgen het kind zagen aankomen. Het kereltje wandelde doodbedaard,

klapte met de zweep, en viel zijn van blijdschap schreiende ouders in

de armen!

Zelfs geen schram had hij opgeloopen. Hij vertelde, dat de Kaffers de

schapen hadden gestolen, en hij toen maar achter een doornbosch was

weggekropen, maar de ouders verklaarden, dat God zijn heilige engelen

had geboden, om dit kind te beschermen.

De overwinning was behaald, maar smartelijk vermisten de Boeren hun

vee, vooral hun trekossen, die door de Kaffers waren weggedreven,

terwijl zij hier niet konden blijven, te midden van dit afgrijselijk

veld van dooden, waarop de gieren reeds waren neergestreken.

Zoo spande men dan de paarden, die dit werk nooit hadden verricht, voor

de zware wagens, en knarsend gingen de met bloed bespatte wielen over

de weggeworpen speren, leeren schilden en gesneuvelde Kaffers naar een

geschikter plaats, op een half uur afstands van het slagveld.

Nu zond men om hulp naar de Barolongs, en deze, daartoe krachtig

aangespoord door den edelen zendeling Archbell, verschaften den Boeren

de zoo vurig verbeide trekossen, waarmede men terugtrok tot bij

Blesberg.

Hier werd het hart der moede zwervers verkwikt door het gezicht van

nieuwe, lange wagentreinen, zoo pas uit de Kaapkolonie aangekomen, en

er waren vele moedige harten onder, die voor een strijd met Moselekatse

niet vervaard waren.

Trouwens er moest met hem worden afgerekend, want Moselekatse was er op

uit, de kleine Boerenlagers één voor één te vernietigen. De Boeren

moesten hem aanvallen, om door hem niet verpletterd te worden; zijn

macht moesten zij fnuiken, om door die macht niet verbrijzeld te

worden.

Zoo sloegen de dappere Voortrekkers dan de handen in een, en trokken

twee keeren tegen Moselekatse op, den eersten keer met een legertje,

waarvan de kern uit honderd zeven Boeren, den tweeden keer met een

kommando, waarvan de kern uit driehonderd dertig Boeren bestond.

De wakkere, in de Transvaalsche geschiedenis wel bekende Gert Maritz

was in beide veldtochten Kommandant-Generaal, en God bekroonde den

schier vermetelen moed der Boeren, die den leeuw in zijn hol opzochten,

met Zijn kennelijken zegen. Moselekatse leed een zware nederlaag en

vluchtte naar het noorden, waar hij op nieuw, aan zijn bijnaam „de

groote Olifant” getrouw, de zwakkere stammen onder zijn ijzeren tred

vermorzelde.

De Transvaal lag nu voor de Boeren open, daar de muur, waarmede

Moselekatse den toegang had willen versperren, was neergehaald. Zonder

aarzelen trokken de Voortrekkers dan ook de Vaalrivier over, en kwamen

in het land, dat door Moselekatse zoo goed als uitgemoord was geworden.

Slechts hier en daar verspreid, in spleten en spelonken, kon men de

armzalige overblijfselen terugvinden van eens machtige Kaffervolken,

die door den grooten Olifant waren vernietigd.

De Transvaal lag dus onbeheerd. De vroègere eigenaren van het land

waren uitgeroeid, en de tegenwoordige eigenaar, Moselekatse, was in den

strijd tegen de Boeren te kort geschoten. Zoo namen de zegevierende

Voortrekkers naar het recht van den Overwinnaar van de Transvaal bezit.

Maar terwijl een deel der Voortrekkers plannen maakte, om zich blijvend

in de Transvaal te vestigen, was een ander deel besloten, om onder Piet

Retief door de Transvaal naar het zuidelijker gelegen Natal te trekken.

Immers Natal was volgens veler getuigenis een land, vloeiende van melk

en honing, doorsneden van standhoudende rivieren, bedekt met groote,

uitnemend timmerhout leverende bosschen; en—wat de deur dicht deed—het

had een diepe, kostelijke zeehaven. Tevens was het bekend, dat de

Zoeloekoning Dingaan, aan wien Natal behoorde, genegen was, heel dit

gebied op billijke voorwaarden aan de Boeren te verkoopen.

Zoo scheen de weg er wel heen te liggen.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 17 / 40 题