De Boeren zijn weer op den Trek. Met een breed front, op mijlen
afstands van elkander, reizen zij in treinen van vijf tot twaalf
ossenwagens dwars door de ongebaande velden rustig voorwaarts op de
Vaalrivier aan.
Met algemeene stemmen is Hendrik Potgieter, naar wien het eerste, door
de Boeren in de Transvaal aangelegde dorp Potchefstroom is genoemd, tot
Kommandant-Generaal benoemd van den Trek.
Het eerste volk, dat men ontmoette, waren de Griqua’s, bastaards,
gesproten uit een vermenging van blanken en Hottentotten. Hun
opperhoofd heette Adam Kok, die de Boeren gul en gastvrij ontving, maar
zij vertoefden hier niet lang, maar zetten den trek voort, totdat zij
bij de Barolong-Kaffers kwamen, een zwakke stam, die in de spelonken
der bergen woonde, en beefde bij den naam van Moselekatse, den
machtigen en bloeddorstigen Kafferkoning in het noorden. Hij had
vreeselijk onder hen huisgehouden, en daar zijn roofsoldaten hen van al
hun vee hadden beroofd, leden zij gebrek en ellende. De Boeren, die
hier eenigen tijd hunne tenten nedersloegen, hadden medelijden met de
ongelukkige Barolongs. Lustig knalde het Boerengeweer in streken, waar
het nog nooit was gehoord, en de hongerige Kaffers konden hun honger
stillen aan het overvloedig geschoten wild.
Na de Barolongs stootten de Boeren op de Basuto-Kaffers, die eveneens
Moselekatse’s vuist hadden gevoeld, en zich angstig schuil hielden in
het gebergte. Doch van de vredelievende bedoelingen der Boeren
overtuigd, kwamen zij uit hun sluiphoeken te voorschijn, en brachten
den blanken een overvloed van graan en koren, waarvoor zij koeien en
schapen in ruil ontvingen.
Maar voor de vuurwapens der Boeren beefden zij. Bij elk schot wierpen
zij zich plat tegen den grond, en zij zeiden, dat de bliksem en de
donder sluimerden in den loop van het Boerengeweer.
Waren de Basuto’s verbaasd over de vuurwapens der Boeren, dezen waren
op hun beurt verwonderd, toen zij voorttrekkende, midden in de
eindelooze prairiën, op diepe kuilen stietten, slechts door eenige
rietmatten tegen wind en regen beschut, waaruit, als vogels van het
nest, bij hun nadering zwarte, onoogelijke gedaanten verschrikt
wegholden. Deze aardbewoners, die weinig op menschelijke wezens
geleken, werden Boschjesmans genoemd, leefden van slakken, kikvorschen,
struisvogeleieren, planten, rijstmieren en van het wild, dat zij in hun
vanggaten konden machtig worden. Deze gaten bestonden uit diepe kuilen,
door gras en twijgen bedekt. Het wild, dat argeloos deze zwakke
zoldering betrad, viel er natuurlijk doorheen, en werd een even
gemakkelijke als welkome buit.
De Boeren trokken thans over een rivier, die zij eigenaardig de
vetrivier noemden vanwege het menigvuldige, zware, vette wild, dat aan
de oevers van deze rivier werd geschoten.
Als een vriendelijke oase in de heidensche wildernis, ontmoeten de
moedige Voortrekkers, langzaam voorttrekkend naar het onbekend noorden,
het station van een zendeling, die onder de Koranna-Kaffers werkte. Met
groote oogen staarden de Koranna’s op de lange wagentreinen der Boeren,
en sloegen van schrik, angst en verbazing de handen in elkander, toen
zij van den aanvoerder der Boeren, Hendrik Potgieter, vernamen, dat de
blanken op den trek waren naar Moselekatse, den grooten Olifant, van
wien zij grond wilden koopen voor een nederzetting.
De Koranna’s vraagden, waarmee de Boeren het land wilden betalen, en
Potgieter antwoordde: „Met vee.” Toen schudden de Koranna’s het hoofd
en zeiden: „Moselekatse heeft al het vee wijd in den omtrek geroofd, en
hij heeft ulieder vee niet noodig. Maar hij zal u, uwe vrouwen en uwe
kinderen uitroeien, want hij is de groote Olifant, die met zijn ijzeren
pooten alles vermorzelt.”
Toen echter de Boeren deze boodschap vernamen, bleven zij aarzelend
staan.
De Koranna’s hadden er niet te veel van gezegd.
Ten noorden der Vaalrivier regeerde hij: Moselekatse, de koning der
Matabele-Kaffers, de groote Maaijer, die het tegenwoordige Transvaal
[8], een gebied, twaalf maal grooter dan ons vaderland, zoo schoon had
afgemaaid, dat al de dorpen en steden met den grond waren gelijk
gemaakt. En deze Moselekatse, die onder zijn onbarmhartigen voet zeven
Kafferstammen had verbrijzeld, hield reeds zijn bloedhonden gereed, om
het volk der Boeren van den aardbodem uit te roeien.
Doch dit wisten de Boeren nog niet, en hun aarzeling overwinnend,
trokken zij weer langzaam voorwaarts. Trouwens de afstand was nog
tamelijk groot, die hen van den geweldigen Kafferkoning scheidde.