HOOFDSTUK X.

De Boeren zijn weer op den Trek. Met een breed front, op mijlen

afstands van elkander, reizen zij in treinen van vijf tot twaalf

ossenwagens dwars door de ongebaande velden rustig voorwaarts op de

Vaalrivier aan.

Met algemeene stemmen is Hendrik Potgieter, naar wien het eerste, door

de Boeren in de Transvaal aangelegde dorp Potchefstroom is genoemd, tot

Kommandant-Generaal benoemd van den Trek.

Het eerste volk, dat men ontmoette, waren de Griqua’s, bastaards,

gesproten uit een vermenging van blanken en Hottentotten. Hun

opperhoofd heette Adam Kok, die de Boeren gul en gastvrij ontving, maar

zij vertoefden hier niet lang, maar zetten den trek voort, totdat zij

bij de Barolong-Kaffers kwamen, een zwakke stam, die in de spelonken

der bergen woonde, en beefde bij den naam van Moselekatse, den

machtigen en bloeddorstigen Kafferkoning in het noorden. Hij had

vreeselijk onder hen huisgehouden, en daar zijn roofsoldaten hen van al

hun vee hadden beroofd, leden zij gebrek en ellende. De Boeren, die

hier eenigen tijd hunne tenten nedersloegen, hadden medelijden met de

ongelukkige Barolongs. Lustig knalde het Boerengeweer in streken, waar

het nog nooit was gehoord, en de hongerige Kaffers konden hun honger

stillen aan het overvloedig geschoten wild.

Na de Barolongs stootten de Boeren op de Basuto-Kaffers, die eveneens

Moselekatse’s vuist hadden gevoeld, en zich angstig schuil hielden in

het gebergte. Doch van de vredelievende bedoelingen der Boeren

overtuigd, kwamen zij uit hun sluiphoeken te voorschijn, en brachten

den blanken een overvloed van graan en koren, waarvoor zij koeien en

schapen in ruil ontvingen.

Maar voor de vuurwapens der Boeren beefden zij. Bij elk schot wierpen

zij zich plat tegen den grond, en zij zeiden, dat de bliksem en de

donder sluimerden in den loop van het Boerengeweer.

Waren de Basuto’s verbaasd over de vuurwapens der Boeren, dezen waren

op hun beurt verwonderd, toen zij voorttrekkende, midden in de

eindelooze prairiën, op diepe kuilen stietten, slechts door eenige

rietmatten tegen wind en regen beschut, waaruit, als vogels van het

nest, bij hun nadering zwarte, onoogelijke gedaanten verschrikt

wegholden. Deze aardbewoners, die weinig op menschelijke wezens

geleken, werden Boschjesmans genoemd, leefden van slakken, kikvorschen,

struisvogeleieren, planten, rijstmieren en van het wild, dat zij in hun

vanggaten konden machtig worden. Deze gaten bestonden uit diepe kuilen,

door gras en twijgen bedekt. Het wild, dat argeloos deze zwakke

zoldering betrad, viel er natuurlijk doorheen, en werd een even

gemakkelijke als welkome buit.

De Boeren trokken thans over een rivier, die zij eigenaardig de

vetrivier noemden vanwege het menigvuldige, zware, vette wild, dat aan

de oevers van deze rivier werd geschoten.

Als een vriendelijke oase in de heidensche wildernis, ontmoeten de

moedige Voortrekkers, langzaam voorttrekkend naar het onbekend noorden,

het station van een zendeling, die onder de Koranna-Kaffers werkte. Met

groote oogen staarden de Koranna’s op de lange wagentreinen der Boeren,

en sloegen van schrik, angst en verbazing de handen in elkander, toen

zij van den aanvoerder der Boeren, Hendrik Potgieter, vernamen, dat de

blanken op den trek waren naar Moselekatse, den grooten Olifant, van

wien zij grond wilden koopen voor een nederzetting.

De Koranna’s vraagden, waarmee de Boeren het land wilden betalen, en

Potgieter antwoordde: „Met vee.” Toen schudden de Koranna’s het hoofd

en zeiden: „Moselekatse heeft al het vee wijd in den omtrek geroofd, en

hij heeft ulieder vee niet noodig. Maar hij zal u, uwe vrouwen en uwe

kinderen uitroeien, want hij is de groote Olifant, die met zijn ijzeren

pooten alles vermorzelt.”

Toen echter de Boeren deze boodschap vernamen, bleven zij aarzelend

staan.

De Koranna’s hadden er niet te veel van gezegd.

Ten noorden der Vaalrivier regeerde hij: Moselekatse, de koning der

Matabele-Kaffers, de groote Maaijer, die het tegenwoordige Transvaal

[8], een gebied, twaalf maal grooter dan ons vaderland, zoo schoon had

afgemaaid, dat al de dorpen en steden met den grond waren gelijk

gemaakt. En deze Moselekatse, die onder zijn onbarmhartigen voet zeven

Kafferstammen had verbrijzeld, hield reeds zijn bloedhonden gereed, om

het volk der Boeren van den aardbodem uit te roeien.

Doch dit wisten de Boeren nog niet, en hun aarzeling overwinnend,

trokken zij weer langzaam voorwaarts. Trouwens de afstand was nog

tamelijk groot, die hen van den geweldigen Kafferkoning scheidde.

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 14 / 40 题