Dirk was heden morgen naar het grazende vee gereden om het te tellen,
en Daan, die bij de kudden was geplaatst, kwam hem in opgewonden
toestand tegemoet loopen.
„Baas,” riep hij reeds van verre, „jonge baas, luister!”
Maar Dirk sloeg geen acht op den Kaffer, want hij had haast.
„Ik heb nu geen tijd,” zeide hij, „straks kunt ge ’t mij vertellen,” en
meteen reed hij door. Maar de Kaffer wierp zich voor de hoeven van den
zwarten hengst en riep: „Baas, er is gevaar!”
„Kerel, ben je dol geworden?” zeide Dirk onwillig, terwijl hij de
teugels strak aanhaalde. Hij had den knecht nog nooit zoo opgewonden
gezien.
„O baas, luister!” herhaalde Daan op zulk een smeekenden toon, dat de
jonge Boer er door getroffen werd.
„Nu spreek op dan! Maar maak het kort; ik heb werkelijk weinig tijd.”
Daan stond op en vervolgde op ernstigen toon:
„Dat kan wel waar zijn, baas, dat gij weinig tijd meer hebt. Gij en uwe
heele familie en ook de kleine Hannie en al de Trekboeren, zij zijn
allen kinderen des doods.”
Dirk keek den spreker oplettend in de oogen. „Arme kerel,” dacht
hij—„krankzinnig,” en op medelijdenden toon zeide hij: „Kom, Daan, ga
maar met mij mee, en wijs mij eens, waar onze witte melkkoe loopt.”
Maar nu slaakte de Kaffer zulk een kreet van angst en schrik, dat Dirk
vergat om door te rijden. Hij wist niet, hoe hij het zonderlinge gedrag
van den knecht moest verklaren, en aarzelend vraagde hij: „Wat is er
dan gebeurd?”
„Gistermiddag,” zeide Daan, „terwijl de Hottentotten bij de kudde
waren, zocht ik een kreupelboschje op, in welks schaduw ik mij
nedervleide, want de zon brandde op mijn hoofd. Ik was bijna
ingedommeld, toen ik in eens helder wakker werd door een verward
gedruisch vlak in mijn nabijheid. Voorzichtig rees ik overeind, en zag
vier Kafferkrijgers voorbijgaan.”
„Kafferkrijgers? Ge vergist je zeker.”
„Ik vergis me niet, baas. Zij waren met assegaai en schild gewapend; in
vollen oorlogsdos. Zij hadden een druk gesprek, en daar ik de
Kaffertaal versta, sloop ik hen achterna in ’t lange gras.”
„Ik kan kruipen als een slang—dat weet gij, baas,” liet hij er met
eenigen trots op volgen.
De jonge Boer knikte.
„Zij hadden het over de Trekboeren, die hun gebied wilden
binnendringen, zooals zij dat noemden.”
„Wij willen het land toch koopen?” zeide Dirk; „maar goed—vertel door!”
„Zij zeiden,” ging Daan voort, „dat zij al de Boeren zouden slachten,
en tot een spijze achterlaten voor den vogel der lucht en het dier der
wildernis.”
„Zeiden zij dat zoo?” vraagde Dirk, terwijl zijn oogen begonnen te
flikkeren.
„Zóó hebben zij ’t gezegd; zij hebben er ook reeds een begin mee
gemaakt,” antwoordde Daan met groote beslistheid.
„Een begin mee gemaakt? Nu geloof ik zeker, dat je verbeeldingskracht
er met jou van door is gegaan. Drie dagen geleden heb ik een Boer
gesproken, die pas al de Trekkers had bezocht, die het dichtst bij de
Vaalrivier zijn, en niets onrustwekkends heeft zich voorgedaan.”
„Toch is het waar, baas; eergisteren is het gebeurd.”
Dirk antwoordde niets; slechts een spottend glimlachje werd om zijn
lippen zichtbaar.
Maar Daan stoorde zich niet daar aan, en herhaalde: „Eergisteren is het
gebeurd; ik heb het uit het gesprek der Kafferkrijgers begrepen. Zij
zijn er zelf bij geweest.”
„Ik zag nog bloed aan hun assegaaien,” liet hij er op volgen, „en nu
zijn ze aan het spionneeren, om de sterkte der Boeren te onderzoeken.”
„O mijne kleine, lieve Hannie,” riep hij plotseling uit op klagenden,
hartroerenden toon, „zij zullen u aan de scherpe spies rijgen, en tot
een mikpunt kiezen voor hun assegaaien.”
„Werkelijk?” zeide de jonge Boer ongeloovig, „en zij zullen ons, de
Boeren, zeker ook dooden?”
„Zij zullen u levend vangen,” zeide Daan.
„Levend vangen?” riep de jonge Boer op heftigen toon, terwijl hij
onwillekeurig het breede, blanke dolkmes trok,—„ons levend vangen, zeg
je?”
„Maar zij hebben ons nog niet?” liet hij er bedaarder op volgen,
terwijl hij den dolk weer in de lederen scheede wierp.
Na eene kleine pauze zeide hij: „Gij zijt een eerlijke kerel, Daan,
maar ge hebt je bepaald vergist.
„De Kaffers zullen het niet wagen, ons Boeren aan te vallen. Ze durven
niet—al willen ze. Een Boer jaagt twintig Kaffers op de vlucht.”
„En dertig Kaffers zullen hem vermoorden,” antwoordde Daan op kalmen
toon.
„O baas,” liet hij er op volgen, „waarom zijn jullie niet in de Kolonie
gebleven?”
„Daarover kan ik met jou niet spreken,” antwoordde Dirk stroef, „dat is
te diep voor de hersens van een Kaffer.”
Maar de opmerking van zijn baas weerhield Daan niet, om te zeggen: „Er
is slechts één kans om te ontkomen, en dat is—vluchten!”
„Vluchten?” antwoordde de jonge Boer met toornige stem, „vluchten?
Vluchten voor een loos alarm? Weet ge dan niet, domme Kaffer, dat de
Boer keep houdt?”
Maar eenigszins vriendelijker liet hij er op volgen: „Al ware het
vluchten geen lafheid, dan ware het toch nog een dwaasheid. Als het
waarheid zou zijn, wat gij mij hebt verteld, dan ware het reeds te laat
om te vluchten.”
„Maar ik geloof het niet, dat het waarheid is—wat denk jij er van,
Hannibal?” en hij klopte het paard, dat met wijde neusgaten de frissche
morgenlucht insnoof, op den blinkenden hals.
Maar op hartstochtelijken toon riep Daan: „Vlucht, baas, vlucht allen,
want Moselekatse, die in aantocht is, kent geen erbarmen.”
Met starren blik zag de jonge Boer den spreker aan.
„Moselekatse?” riep hij, „is Moselekatse in aantocht, de bloedhond?” en
hij wierp den zwarten hengst met één ruk der teugels zoo heftig om, dat
het edele dier hoog op steigerde.
„Dan wordt het iets anders,” liet hij er op volgen; „vooruit
Hannibal—terug naar ons volk!”
Het schrandere dier scheen zijn baas te begrijpen en met de vlugge
hoeven den grond nauwlijks rakend, vloog het snel als de wind, die de
lange grashalmen der prairiën deed golven, over de vlakte.
Eerst toen hij in de verte de linnen huiven der ossenwagens langzaam
over de vlakte zag heenglijden, matigde Dirk den scherpen rit.
In Dirk’s afwezigheid had Gert Kloppers eveneens een bedenkelijke
ontdekking gedaan; hij had namelijk een kort onderhoud gehad met een
gezelschap Griqua’s, die uit het noordoosten kwamen.
Zij zaten op sterke, knokige ossen, en toen zij op hun zonderlinge
rijpaarden dwars voor Kloppers’ ossenwagens heenstoven, had deze hen
aangeroepen. In een soort Hottentotsch-Kaffersch hadden de Griqua’s hem
medegedeeld, dat een groot en vreeselijk Kafferkoning, die aan gene
zijde der Vaalrivier regeerde, en die alles te vuur en te zwaard
verwoestte, op marsch was, om de Griqua’s en de Blanken te vermoorden,
en om dezen geduchten vijand te ontkomen, waren zij op de vlucht
gegaan.
Dit hadden zij gejaagd en angstig, telkens schuw achterom ziende,
verteld, en waren toen, de ossen de sporen gevend, weer doorgevlucht.
Kloppers had hen verwonderd nagekeken, maar Floor, die er bijstond, had
gezegd: „Bastaards zijn lafaards.”
De Griqua’s waren nog niet lang vertrokken, toen Dirk kwam en de
ernstige tijdingen van Daan overbracht. Het gelaat van Gert Kloppers
betrok, toen hij dat bericht had aangehoord, en hij zeide op bondigen
toon: „Dirk, voeder het paard en rijd dan het oosten in langs het front
van onze Trekboeren. Waarschuw de Emigranten, die gij ontmoet, en
vertel hun, wat wij hebben gehoord. Tracht vervolgens nader kondschap
in te winnen omtrent de plannen der Kaffers, en is het eenigszins
mogelijk, zie dan Teunis Smit op te sporen. Hij heeft mij beloofd ons
te helpen, als er gevaar is, maar de leeuwenjagers hebben zeker andere
begrippen van gevaar dan wij.”
Geen uur later was Dirk vertrokken, om een last te volbrengen, die
evenveel moed als beleid vereischte, en het scheelde weinig, of Gert
Kloppers had zijn zoon nooit teruggezien.
Het was in den avond van den volgenden dag, en reeds lang waren de
ossenwagens uitgespannen, toen twee schoten snel op elkander door de
avondstilte klonken. Kloppers schoot twee keeren terug, het afgesproken
teeken met Dirk, om elkander te kunnen vinden, en de mare dat Dirk in
aantocht was, had zich snel in de kleine legerplaats verspreid. De
Boeren, onder welke ook de Jong, voegden zich bij den kring der familie
Kloppers, en met een gevoel van beklemdheid, waarvan men zich geen
rekenschap kon geven, verwachtte het gezelschap, rondom het vroolijk
opflikkerende vuur gezeten, de komst van den jongen Boer.
Die komst liet niet lang op zich wachten; reeds hoorde men den
dreunenden hoefslag van het paard op den harden rotsgrond.
Het schuim vloog het paard van de flanken; Dirk zelf was blootshoofds.
Zijn vader stond hem op te wachten en zeide: „Goed nieuws, Dirk?”
„Slecht nieuws,” antwoordde Dirk, en snel uit het zadel springend, gaf
hij het paard over aan de hoede van een Hottentot.
„Geef hem wat extra haver,” riep hij den kleurling na, „hij heeft het
verdiend.”
Zijn gelaat stond ernstiger dan gewoonlijk, toen hij de aanwezigen
groette, en tot zijn moeder zeide hij: „Geef mij een teug water, want
ik versmacht van dorst.”
Vrouw Kloppers haalde een groot glas Kaapschen wijn; dat verkwikte hem.
Toen begon hij op een wenk van zijn vader zijne reisavonturen mede te
deelen, terwijl op meer dan één gelaat vrees en bezorgdheid stond te
lezen.
„Ik reed, zooals ge weet, het oosten in, en ontmoette na een uur
rijdens een trein van tien ossenwagens. Het waren allen kennissen:
Barend Jansen was hun voorman. Zij hadden nergens van gehoord, lachten
om onze bezwaren en zeiden: „Gert Kloppers is erg voorzichtig
geworden.”
„Ik zette mijn tocht voort, totdat ik een groote kudde vee aantrof, en
eenige Hottentotten, die als veehoeders dienst deden, onderrichtten
mij, waar ik de eigenaars dier kudde zou aantreffen. Ik volgde hun
aanwijzingen, en was zoo gelukkig, de Boeren nog al gauw te vinden. Ik
was echter nog meer in mijn schik, toen ik Teunis Smit bij hen
ontmoette.
„Met groote bevreemding hoorden zij mijn boodschap aan, en schudden
ongeloovig het hoofd, maar Teunis Smit wreef zich herhaalde malen met
de vlakke hand het voorhoofd.”
„Dat heeft hij van zijn vader geërfd,” zeide Gert Kloppers; „die deed
dat ook, als hij gevaar vermoedde.”
„En de leeuwenjager vermoedde ook gevaar,” ging Dirk voort: „twéé
keeren moest ik hem in de kleinste bijzonderheden mededeelen, wat onze
Kaffer en de Griqua’s hadden verteld. Toen zeide hij: „Het is best
mogelijk dat er een onweer broeit.” En met den vinger naar het
noordoosten wijzend, ging hij voort: „Hier misschien twee à drie uur te
paard vandaan in de richting van mijn hand is een kleine trein van vier
ossenwagens. Rijd daar met de noodige voorzichtigheid dadelijk op af:
het is om zoo te zeggen de uiterste voorhoede van onzen rechtervleugel.
Als die Emigranten-Boeren daar nog geen onraad hebben bespeurd, dan is
er misschien—ik zeg misschien—geen gevaar. Ik zal mijn schimmel
zadelen, en trek onmiddellijk het noorden in, naar de Vaalrivier, waar
een gezelschap mijner kennissen op de groote jacht is.”
„En zal hij komen als wij in de knel raken?” vraagde Gert Kloppers.
„Ik was reeds weggereden, toen hij mij nog nariep: „Zeg aan uw vader,
dat ik hoop present te zijn, als de nood aan den man komt, en geen
assegaai het mij verhindert.” „Ik volgde dus den raad van Teunis Smit
op, en hield de richting, die hij mij had aangewezen, goed in het oog,
maar na drie uur stevig doorgereden te hebben, had ik nog niets
ontdekt. De avond begon snel te vallen, en ik was wel genoodzaakt, op
het open veld te overnachten. Reeds vroeg echter stond ik heden morgen
op, en begaf mij weer op het pad. Nu ontdekte ik wagensporen, die ik
volgde, en het duurde niet lang, of ik zag midden in de wildernis een
ossenwagen staan.”
„Maar één ossenwagen?” vraagde de Jong.
„Maar één,” en dat verwonderde mij. „Ik vermoedde een verraad der
Kaffers, en van het paard springend, sloop ik voorzichtig naar den
wagen toe.”
„Dat gebeurt toch wel meer, dat een ossenwagen wat achter raakt,” zeide
één der aanwezigen, die volstrekt niet aan een aanval der Kaffers
geloofde.
„Trouwens,” liet hij er op volgen, „wat hebben de Kaffers met ons
Boeren te maken?”
„Ja,” zeide Dirk, „dat dacht dat lieve Boerenkind ook, dat ik dood bij
den disselboom zag liggen.”
„Dat dacht dat jonkske ook,” zeide hij, terwijl zijn stem beefde van
smart en toorn, „voor dat zijn hoofdje tegen den ijzeren band van het
voorste wiel werd te morzel geslagen.”
Bij dit verschrikkelijk bericht vlogen allen ontzet overeind, doch Gert
Kloppers had het eerst zijn bedaardheid herwonnen, en zeide op somberen
toon:
„Dirk, vertel door!”
Dirk voldeed aan het verzoek, maar toen hij verhaalde, hoe hij in de
nabijheid van den wagen acht en twintig lijken had gevonden! Mannen,
vrouwen en kinderen, op de afschuwelijkste wijze verminkt; toen hij
mededeelde, hoe hij met de gieren om de doode lichamen had moeten
vechten, en hoe hij de linnen huif van den wagen had genomen, om er de
lijken mee te bedekken, toen ging er een luid weeklagen op. De
moedigste harten beefden, en zelfs Kloppers en de Jong verbleekten.
Maar op kalmer toon ging de jonge Boer aldus voort: „Het was me
duidelijk, dat de vermoorde Emigranten, door een al te goed vertrouwen
misleid, geen voldoende voorzichtigheid hadden betracht, en op den Trek
door een afdeeling Kaffersoldaten op verraderlijke wijze waren
overrompeld. Ook begreep ik onmiddellijk, dat deze wagen behoorde bij
den trein, naar welken ik zocht, en dat de Kaffers hem hadden
achtergelaten, was gereedelijk te verklaren uit het gebroken
achterwiel.
„Van de moordplaats liepen breede wagensporen naar het noorden; ik kon
ze duidelijk waarnemen over het geknakte gras. Ik zette mij weer te
paard, en volgde die sporen. In de verte strekte zich een lange
bergketen voor mijn oogen uit, maar voorzichtig de wagensporen volgend,
kwam ik door een bergpas weer op het vrije veld.
„Ik had dus den bergketen nu achter den rug, en vóór mij op zekeren
afstand zag ik drie ossenwagens staan.”
„Dat waren de geroofde wagens,” zeide Gert Kloppers.
Dirk knikte.
„In de nabijheid der wagens zag ik assegaaien blinken, en ik hoorde het
vreugdegehuil der Kaffers.”
„Natuurlijk,” zeide Gert Kloppers, „die zwarte duivels vierden feest,
omdat zij onze blanke broeders hadden geslacht.”
„Ik sprong van mijn klepper, en behoedzaam door het lange gras
sluipend, naderde ik de legerplaats zoo dicht, dat ik het wit in het
oog der Kaffers kon onderscheiden. De mogelijkheid bestond, dat zij
gevangen Boeren medevoerden, maar ik ontdekte niets dan eenige
bloedspatten op de zijwanden der wagens.
„Nu nam ik den terugweg aan.
„Of ik hierbij niet altijd laag genoeg bukte, of dat de golving van het
gras, die mijn spoor aanwees, mij verried, weet ik niet, maar dit is
zeker, dat ik plotseling een helsch lawaai achter mij hoorde, en wel
honderd Kaffers, met de spies in de vuist, holden mij achterna.
„Ik begreep, dat er niet lang getalmd mocht worden. Mijn tweelooper van
den schouder nemend, keerde ik mij om en legde aan. Twee groote
schepsels waren de anderen een eind vooruit, en toen zij mij zagen stil
houden, dachten zij zeker: Dat gaat goed. Op een afstand van ongeveer
dertig pas slingerden zij hun speer, maar ik sprong op zij en bleef
ongedeerd.
„Toen was het mijn beurt.
„De achterna stormende bende bleef een oogenblik verbauwereerd staan,
toen zij hare twee voormannen zag vallen. Zij vonden het blijkbaar niet
erg plezierig, zoo neergeschoten te worden, maar ik repte mij, floot
Hannibal, en dat ik gauw in het zadel zat, dat kunt ge denken,
Moederke.”
Met deze woorden wendde de jonge Boer zich tot zijn moeder, die met
vochtige oogen en gespannen gelaatstrekken als aan zijn lippen hing.
Maar Gert Kloppers, die den heldenaard zijner vaderen in zijn eigen
zoon terugvond, zeide met zekere opgewektheid: „Hoe liep dat af?”
„Het was er mij natuurlijk alles om te doen, om den bergpas, dien ik
was doorgereden, te bereiken, voor de Kaffers mij den terugtocht konden
afsnijden. Maar de vijanden schenen dit zelf nog eerder begrepen te
hebben dan mij lief was, en terwijl ééne afdeeling mij achterna was
geloopen, had de andere de richting naar den pas ingeslagen.
„Nu werd het meenens. Ik klopte den klepper op den ranken hals, en liet
hem de sporen voelen. Het werd een rit op leven en dood, en als een
stormwind vloog Hannibal vooruit.
„Ik kwam van de rechterzijde, de Kaffers van de linkerzijde, en met
twee of drie Kaffers kwam ik tegelijk aan den bergpas aan. Een assegaai
sloeg mijn stevigen van paardenhaar gevlochten hoed van het hoofd, en
een reus, zeker hun kapitein, sprong vóór het paard en greep het bij
den teugel.
„Ik keerde het geweer, dat nu ongeladen was, om, en sloeg hem met den
notenhouten kolf op het hoofd, dat hij suizebolde. Maar ik sloeg er
niet door heen, want een Kaffer heeft een dikken schedel. Toch liet de
reus onwillekeurig los, en met één sprong was ik uit den knel. Wel
vloog mij een zwerm van spiezen achterna, maar ik was reeds uit het
bereik van hun worp. Ik was gered en dankte God.
„Nu laadde ik mijn geweer op nieuw en schoot nog twee keeren op de
Kaffers, die het verstandig vonden, achter den bergpas te verdwijnen.
Toen heb ik het paard laten loopen zoo hard als het kon, en nadat ik
twintig losse schoten heb gelost, heb ik u eindelijk ontdekt.”
„Wat denkt ge?” zeide Tijs de Jong, „zouden de Kaffers uw spoor zijn
gevolgd?”
„Ik twijfel er niet aan,” antwoordde Dirk, „dat mij een half dozijn van
hun hardloopers heimelijk zijn gevolgd, en ik twijfel er evenmin aan,
dat hunne spionnen nog van nacht onze legerplaats ontdekken.”
Er volgde een bang, langdurig zwijgen, en niets werd gehoord dan het
rommelen van den donder, die een naderend onweer voorspelde.
Toen zeide Gert Kloppers: „Wanneer verwacht gij de Matabele-Kaffers
hier?”
„Vóór morgen middag hebben wij ze,” antwoordde Dirk.
„Ik denk het ook,” hernam zijn vader, en opstaande zeide de moedige
Voortrekker met vaste stem: „Op! Maken wij ons gereed voor den strijd!”