HOOFDSTUK XI.

Dirk was heden morgen naar het grazende vee gereden om het te tellen,

en Daan, die bij de kudden was geplaatst, kwam hem in opgewonden

toestand tegemoet loopen.

„Baas,” riep hij reeds van verre, „jonge baas, luister!”

Maar Dirk sloeg geen acht op den Kaffer, want hij had haast.

„Ik heb nu geen tijd,” zeide hij, „straks kunt ge ’t mij vertellen,” en

meteen reed hij door. Maar de Kaffer wierp zich voor de hoeven van den

zwarten hengst en riep: „Baas, er is gevaar!”

„Kerel, ben je dol geworden?” zeide Dirk onwillig, terwijl hij de

teugels strak aanhaalde. Hij had den knecht nog nooit zoo opgewonden

gezien.

„O baas, luister!” herhaalde Daan op zulk een smeekenden toon, dat de

jonge Boer er door getroffen werd.

„Nu spreek op dan! Maar maak het kort; ik heb werkelijk weinig tijd.”

Daan stond op en vervolgde op ernstigen toon:

„Dat kan wel waar zijn, baas, dat gij weinig tijd meer hebt. Gij en uwe

heele familie en ook de kleine Hannie en al de Trekboeren, zij zijn

allen kinderen des doods.”

Dirk keek den spreker oplettend in de oogen. „Arme kerel,” dacht

hij—„krankzinnig,” en op medelijdenden toon zeide hij: „Kom, Daan, ga

maar met mij mee, en wijs mij eens, waar onze witte melkkoe loopt.”

Maar nu slaakte de Kaffer zulk een kreet van angst en schrik, dat Dirk

vergat om door te rijden. Hij wist niet, hoe hij het zonderlinge gedrag

van den knecht moest verklaren, en aarzelend vraagde hij: „Wat is er

dan gebeurd?”

„Gistermiddag,” zeide Daan, „terwijl de Hottentotten bij de kudde

waren, zocht ik een kreupelboschje op, in welks schaduw ik mij

nedervleide, want de zon brandde op mijn hoofd. Ik was bijna

ingedommeld, toen ik in eens helder wakker werd door een verward

gedruisch vlak in mijn nabijheid. Voorzichtig rees ik overeind, en zag

vier Kafferkrijgers voorbijgaan.”

„Kafferkrijgers? Ge vergist je zeker.”

„Ik vergis me niet, baas. Zij waren met assegaai en schild gewapend; in

vollen oorlogsdos. Zij hadden een druk gesprek, en daar ik de

Kaffertaal versta, sloop ik hen achterna in ’t lange gras.”

„Ik kan kruipen als een slang—dat weet gij, baas,” liet hij er met

eenigen trots op volgen.

De jonge Boer knikte.

„Zij hadden het over de Trekboeren, die hun gebied wilden

binnendringen, zooals zij dat noemden.”

„Wij willen het land toch koopen?” zeide Dirk; „maar goed—vertel door!”

„Zij zeiden,” ging Daan voort, „dat zij al de Boeren zouden slachten,

en tot een spijze achterlaten voor den vogel der lucht en het dier der

wildernis.”

„Zeiden zij dat zoo?” vraagde Dirk, terwijl zijn oogen begonnen te

flikkeren.

„Zóó hebben zij ’t gezegd; zij hebben er ook reeds een begin mee

gemaakt,” antwoordde Daan met groote beslistheid.

„Een begin mee gemaakt? Nu geloof ik zeker, dat je verbeeldingskracht

er met jou van door is gegaan. Drie dagen geleden heb ik een Boer

gesproken, die pas al de Trekkers had bezocht, die het dichtst bij de

Vaalrivier zijn, en niets onrustwekkends heeft zich voorgedaan.”

„Toch is het waar, baas; eergisteren is het gebeurd.”

Dirk antwoordde niets; slechts een spottend glimlachje werd om zijn

lippen zichtbaar.

Maar Daan stoorde zich niet daar aan, en herhaalde: „Eergisteren is het

gebeurd; ik heb het uit het gesprek der Kafferkrijgers begrepen. Zij

zijn er zelf bij geweest.”

„Ik zag nog bloed aan hun assegaaien,” liet hij er op volgen, „en nu

zijn ze aan het spionneeren, om de sterkte der Boeren te onderzoeken.”

„O mijne kleine, lieve Hannie,” riep hij plotseling uit op klagenden,

hartroerenden toon, „zij zullen u aan de scherpe spies rijgen, en tot

een mikpunt kiezen voor hun assegaaien.”

„Werkelijk?” zeide de jonge Boer ongeloovig, „en zij zullen ons, de

Boeren, zeker ook dooden?”

„Zij zullen u levend vangen,” zeide Daan.

„Levend vangen?” riep de jonge Boer op heftigen toon, terwijl hij

onwillekeurig het breede, blanke dolkmes trok,—„ons levend vangen, zeg

je?”

„Maar zij hebben ons nog niet?” liet hij er bedaarder op volgen,

terwijl hij den dolk weer in de lederen scheede wierp.

Na eene kleine pauze zeide hij: „Gij zijt een eerlijke kerel, Daan,

maar ge hebt je bepaald vergist.

„De Kaffers zullen het niet wagen, ons Boeren aan te vallen. Ze durven

niet—al willen ze. Een Boer jaagt twintig Kaffers op de vlucht.”

„En dertig Kaffers zullen hem vermoorden,” antwoordde Daan op kalmen

toon.

„O baas,” liet hij er op volgen, „waarom zijn jullie niet in de Kolonie

gebleven?”

„Daarover kan ik met jou niet spreken,” antwoordde Dirk stroef, „dat is

te diep voor de hersens van een Kaffer.”

Maar de opmerking van zijn baas weerhield Daan niet, om te zeggen: „Er

is slechts één kans om te ontkomen, en dat is—vluchten!”

„Vluchten?” antwoordde de jonge Boer met toornige stem, „vluchten?

Vluchten voor een loos alarm? Weet ge dan niet, domme Kaffer, dat de

Boer keep houdt?”

Maar eenigszins vriendelijker liet hij er op volgen: „Al ware het

vluchten geen lafheid, dan ware het toch nog een dwaasheid. Als het

waarheid zou zijn, wat gij mij hebt verteld, dan ware het reeds te laat

om te vluchten.”

„Maar ik geloof het niet, dat het waarheid is—wat denk jij er van,

Hannibal?” en hij klopte het paard, dat met wijde neusgaten de frissche

morgenlucht insnoof, op den blinkenden hals.

Maar op hartstochtelijken toon riep Daan: „Vlucht, baas, vlucht allen,

want Moselekatse, die in aantocht is, kent geen erbarmen.”

Met starren blik zag de jonge Boer den spreker aan.

„Moselekatse?” riep hij, „is Moselekatse in aantocht, de bloedhond?” en

hij wierp den zwarten hengst met één ruk der teugels zoo heftig om, dat

het edele dier hoog op steigerde.

„Dan wordt het iets anders,” liet hij er op volgen; „vooruit

Hannibal—terug naar ons volk!”

Het schrandere dier scheen zijn baas te begrijpen en met de vlugge

hoeven den grond nauwlijks rakend, vloog het snel als de wind, die de

lange grashalmen der prairiën deed golven, over de vlakte.

Eerst toen hij in de verte de linnen huiven der ossenwagens langzaam

over de vlakte zag heenglijden, matigde Dirk den scherpen rit.

In Dirk’s afwezigheid had Gert Kloppers eveneens een bedenkelijke

ontdekking gedaan; hij had namelijk een kort onderhoud gehad met een

gezelschap Griqua’s, die uit het noordoosten kwamen.

Zij zaten op sterke, knokige ossen, en toen zij op hun zonderlinge

rijpaarden dwars voor Kloppers’ ossenwagens heenstoven, had deze hen

aangeroepen. In een soort Hottentotsch-Kaffersch hadden de Griqua’s hem

medegedeeld, dat een groot en vreeselijk Kafferkoning, die aan gene

zijde der Vaalrivier regeerde, en die alles te vuur en te zwaard

verwoestte, op marsch was, om de Griqua’s en de Blanken te vermoorden,

en om dezen geduchten vijand te ontkomen, waren zij op de vlucht

gegaan.

Dit hadden zij gejaagd en angstig, telkens schuw achterom ziende,

verteld, en waren toen, de ossen de sporen gevend, weer doorgevlucht.

Kloppers had hen verwonderd nagekeken, maar Floor, die er bijstond, had

gezegd: „Bastaards zijn lafaards.”

De Griqua’s waren nog niet lang vertrokken, toen Dirk kwam en de

ernstige tijdingen van Daan overbracht. Het gelaat van Gert Kloppers

betrok, toen hij dat bericht had aangehoord, en hij zeide op bondigen

toon: „Dirk, voeder het paard en rijd dan het oosten in langs het front

van onze Trekboeren. Waarschuw de Emigranten, die gij ontmoet, en

vertel hun, wat wij hebben gehoord. Tracht vervolgens nader kondschap

in te winnen omtrent de plannen der Kaffers, en is het eenigszins

mogelijk, zie dan Teunis Smit op te sporen. Hij heeft mij beloofd ons

te helpen, als er gevaar is, maar de leeuwenjagers hebben zeker andere

begrippen van gevaar dan wij.”

Geen uur later was Dirk vertrokken, om een last te volbrengen, die

evenveel moed als beleid vereischte, en het scheelde weinig, of Gert

Kloppers had zijn zoon nooit teruggezien.

Het was in den avond van den volgenden dag, en reeds lang waren de

ossenwagens uitgespannen, toen twee schoten snel op elkander door de

avondstilte klonken. Kloppers schoot twee keeren terug, het afgesproken

teeken met Dirk, om elkander te kunnen vinden, en de mare dat Dirk in

aantocht was, had zich snel in de kleine legerplaats verspreid. De

Boeren, onder welke ook de Jong, voegden zich bij den kring der familie

Kloppers, en met een gevoel van beklemdheid, waarvan men zich geen

rekenschap kon geven, verwachtte het gezelschap, rondom het vroolijk

opflikkerende vuur gezeten, de komst van den jongen Boer.

Die komst liet niet lang op zich wachten; reeds hoorde men den

dreunenden hoefslag van het paard op den harden rotsgrond.

Het schuim vloog het paard van de flanken; Dirk zelf was blootshoofds.

Zijn vader stond hem op te wachten en zeide: „Goed nieuws, Dirk?”

„Slecht nieuws,” antwoordde Dirk, en snel uit het zadel springend, gaf

hij het paard over aan de hoede van een Hottentot.

„Geef hem wat extra haver,” riep hij den kleurling na, „hij heeft het

verdiend.”

Zijn gelaat stond ernstiger dan gewoonlijk, toen hij de aanwezigen

groette, en tot zijn moeder zeide hij: „Geef mij een teug water, want

ik versmacht van dorst.”

Vrouw Kloppers haalde een groot glas Kaapschen wijn; dat verkwikte hem.

Toen begon hij op een wenk van zijn vader zijne reisavonturen mede te

deelen, terwijl op meer dan één gelaat vrees en bezorgdheid stond te

lezen.

„Ik reed, zooals ge weet, het oosten in, en ontmoette na een uur

rijdens een trein van tien ossenwagens. Het waren allen kennissen:

Barend Jansen was hun voorman. Zij hadden nergens van gehoord, lachten

om onze bezwaren en zeiden: „Gert Kloppers is erg voorzichtig

geworden.”

„Ik zette mijn tocht voort, totdat ik een groote kudde vee aantrof, en

eenige Hottentotten, die als veehoeders dienst deden, onderrichtten

mij, waar ik de eigenaars dier kudde zou aantreffen. Ik volgde hun

aanwijzingen, en was zoo gelukkig, de Boeren nog al gauw te vinden. Ik

was echter nog meer in mijn schik, toen ik Teunis Smit bij hen

ontmoette.

„Met groote bevreemding hoorden zij mijn boodschap aan, en schudden

ongeloovig het hoofd, maar Teunis Smit wreef zich herhaalde malen met

de vlakke hand het voorhoofd.”

„Dat heeft hij van zijn vader geërfd,” zeide Gert Kloppers; „die deed

dat ook, als hij gevaar vermoedde.”

„En de leeuwenjager vermoedde ook gevaar,” ging Dirk voort: „twéé

keeren moest ik hem in de kleinste bijzonderheden mededeelen, wat onze

Kaffer en de Griqua’s hadden verteld. Toen zeide hij: „Het is best

mogelijk dat er een onweer broeit.” En met den vinger naar het

noordoosten wijzend, ging hij voort: „Hier misschien twee à drie uur te

paard vandaan in de richting van mijn hand is een kleine trein van vier

ossenwagens. Rijd daar met de noodige voorzichtigheid dadelijk op af:

het is om zoo te zeggen de uiterste voorhoede van onzen rechtervleugel.

Als die Emigranten-Boeren daar nog geen onraad hebben bespeurd, dan is

er misschien—ik zeg misschien—geen gevaar. Ik zal mijn schimmel

zadelen, en trek onmiddellijk het noorden in, naar de Vaalrivier, waar

een gezelschap mijner kennissen op de groote jacht is.”

„En zal hij komen als wij in de knel raken?” vraagde Gert Kloppers.

„Ik was reeds weggereden, toen hij mij nog nariep: „Zeg aan uw vader,

dat ik hoop present te zijn, als de nood aan den man komt, en geen

assegaai het mij verhindert.” „Ik volgde dus den raad van Teunis Smit

op, en hield de richting, die hij mij had aangewezen, goed in het oog,

maar na drie uur stevig doorgereden te hebben, had ik nog niets

ontdekt. De avond begon snel te vallen, en ik was wel genoodzaakt, op

het open veld te overnachten. Reeds vroeg echter stond ik heden morgen

op, en begaf mij weer op het pad. Nu ontdekte ik wagensporen, die ik

volgde, en het duurde niet lang, of ik zag midden in de wildernis een

ossenwagen staan.”

„Maar één ossenwagen?” vraagde de Jong.

„Maar één,” en dat verwonderde mij. „Ik vermoedde een verraad der

Kaffers, en van het paard springend, sloop ik voorzichtig naar den

wagen toe.”

„Dat gebeurt toch wel meer, dat een ossenwagen wat achter raakt,” zeide

één der aanwezigen, die volstrekt niet aan een aanval der Kaffers

geloofde.

„Trouwens,” liet hij er op volgen, „wat hebben de Kaffers met ons

Boeren te maken?”

„Ja,” zeide Dirk, „dat dacht dat lieve Boerenkind ook, dat ik dood bij

den disselboom zag liggen.”

„Dat dacht dat jonkske ook,” zeide hij, terwijl zijn stem beefde van

smart en toorn, „voor dat zijn hoofdje tegen den ijzeren band van het

voorste wiel werd te morzel geslagen.”

Bij dit verschrikkelijk bericht vlogen allen ontzet overeind, doch Gert

Kloppers had het eerst zijn bedaardheid herwonnen, en zeide op somberen

toon:

„Dirk, vertel door!”

Dirk voldeed aan het verzoek, maar toen hij verhaalde, hoe hij in de

nabijheid van den wagen acht en twintig lijken had gevonden! Mannen,

vrouwen en kinderen, op de afschuwelijkste wijze verminkt; toen hij

mededeelde, hoe hij met de gieren om de doode lichamen had moeten

vechten, en hoe hij de linnen huif van den wagen had genomen, om er de

lijken mee te bedekken, toen ging er een luid weeklagen op. De

moedigste harten beefden, en zelfs Kloppers en de Jong verbleekten.

Maar op kalmer toon ging de jonge Boer aldus voort: „Het was me

duidelijk, dat de vermoorde Emigranten, door een al te goed vertrouwen

misleid, geen voldoende voorzichtigheid hadden betracht, en op den Trek

door een afdeeling Kaffersoldaten op verraderlijke wijze waren

overrompeld. Ook begreep ik onmiddellijk, dat deze wagen behoorde bij

den trein, naar welken ik zocht, en dat de Kaffers hem hadden

achtergelaten, was gereedelijk te verklaren uit het gebroken

achterwiel.

„Van de moordplaats liepen breede wagensporen naar het noorden; ik kon

ze duidelijk waarnemen over het geknakte gras. Ik zette mij weer te

paard, en volgde die sporen. In de verte strekte zich een lange

bergketen voor mijn oogen uit, maar voorzichtig de wagensporen volgend,

kwam ik door een bergpas weer op het vrije veld.

„Ik had dus den bergketen nu achter den rug, en vóór mij op zekeren

afstand zag ik drie ossenwagens staan.”

„Dat waren de geroofde wagens,” zeide Gert Kloppers.

Dirk knikte.

„In de nabijheid der wagens zag ik assegaaien blinken, en ik hoorde het

vreugdegehuil der Kaffers.”

„Natuurlijk,” zeide Gert Kloppers, „die zwarte duivels vierden feest,

omdat zij onze blanke broeders hadden geslacht.”

„Ik sprong van mijn klepper, en behoedzaam door het lange gras

sluipend, naderde ik de legerplaats zoo dicht, dat ik het wit in het

oog der Kaffers kon onderscheiden. De mogelijkheid bestond, dat zij

gevangen Boeren medevoerden, maar ik ontdekte niets dan eenige

bloedspatten op de zijwanden der wagens.

„Nu nam ik den terugweg aan.

„Of ik hierbij niet altijd laag genoeg bukte, of dat de golving van het

gras, die mijn spoor aanwees, mij verried, weet ik niet, maar dit is

zeker, dat ik plotseling een helsch lawaai achter mij hoorde, en wel

honderd Kaffers, met de spies in de vuist, holden mij achterna.

„Ik begreep, dat er niet lang getalmd mocht worden. Mijn tweelooper van

den schouder nemend, keerde ik mij om en legde aan. Twee groote

schepsels waren de anderen een eind vooruit, en toen zij mij zagen stil

houden, dachten zij zeker: Dat gaat goed. Op een afstand van ongeveer

dertig pas slingerden zij hun speer, maar ik sprong op zij en bleef

ongedeerd.

„Toen was het mijn beurt.

„De achterna stormende bende bleef een oogenblik verbauwereerd staan,

toen zij hare twee voormannen zag vallen. Zij vonden het blijkbaar niet

erg plezierig, zoo neergeschoten te worden, maar ik repte mij, floot

Hannibal, en dat ik gauw in het zadel zat, dat kunt ge denken,

Moederke.”

Met deze woorden wendde de jonge Boer zich tot zijn moeder, die met

vochtige oogen en gespannen gelaatstrekken als aan zijn lippen hing.

Maar Gert Kloppers, die den heldenaard zijner vaderen in zijn eigen

zoon terugvond, zeide met zekere opgewektheid: „Hoe liep dat af?”

„Het was er mij natuurlijk alles om te doen, om den bergpas, dien ik

was doorgereden, te bereiken, voor de Kaffers mij den terugtocht konden

afsnijden. Maar de vijanden schenen dit zelf nog eerder begrepen te

hebben dan mij lief was, en terwijl ééne afdeeling mij achterna was

geloopen, had de andere de richting naar den pas ingeslagen.

„Nu werd het meenens. Ik klopte den klepper op den ranken hals, en liet

hem de sporen voelen. Het werd een rit op leven en dood, en als een

stormwind vloog Hannibal vooruit.

„Ik kwam van de rechterzijde, de Kaffers van de linkerzijde, en met

twee of drie Kaffers kwam ik tegelijk aan den bergpas aan. Een assegaai

sloeg mijn stevigen van paardenhaar gevlochten hoed van het hoofd, en

een reus, zeker hun kapitein, sprong vóór het paard en greep het bij

den teugel.

„Ik keerde het geweer, dat nu ongeladen was, om, en sloeg hem met den

notenhouten kolf op het hoofd, dat hij suizebolde. Maar ik sloeg er

niet door heen, want een Kaffer heeft een dikken schedel. Toch liet de

reus onwillekeurig los, en met één sprong was ik uit den knel. Wel

vloog mij een zwerm van spiezen achterna, maar ik was reeds uit het

bereik van hun worp. Ik was gered en dankte God.

„Nu laadde ik mijn geweer op nieuw en schoot nog twee keeren op de

Kaffers, die het verstandig vonden, achter den bergpas te verdwijnen.

Toen heb ik het paard laten loopen zoo hard als het kon, en nadat ik

twintig losse schoten heb gelost, heb ik u eindelijk ontdekt.”

„Wat denkt ge?” zeide Tijs de Jong, „zouden de Kaffers uw spoor zijn

gevolgd?”

„Ik twijfel er niet aan,” antwoordde Dirk, „dat mij een half dozijn van

hun hardloopers heimelijk zijn gevolgd, en ik twijfel er evenmin aan,

dat hunne spionnen nog van nacht onze legerplaats ontdekken.”

Er volgde een bang, langdurig zwijgen, en niets werd gehoord dan het

rommelen van den donder, die een naderend onweer voorspelde.

Toen zeide Gert Kloppers: „Wanneer verwacht gij de Matabele-Kaffers

hier?”

„Vóór morgen middag hebben wij ze,” antwoordde Dirk.

„Ik denk het ook,” hernam zijn vader, en opstaande zeide de moedige

Voortrekker met vaste stem: „Op! Maken wij ons gereed voor den strijd!”

De Helden van Zuid-Afrika Een Verhaal uit den "Trek" der Afrikaansche Boeren uit de Kaapkolonie naar de Transvaal · 第 15 / 40 题